Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD7764

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
07-01-2002
Zaaknummer
Awb 01/313 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

PRESIDENT BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 01/313 VV

Uitspraak, op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening) inzake :

Raaymakers Schoondijke BV en Rava BV, beide gevestigd te Schoondijke, verzoeksters,

gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 25 september 2000 heeft verweerder een bouwvergunning verleend aan v.o.f. [vergunninghouder] (verder: vergunninghouder) voor de bouw van een loods aan de [adres] te [plaats].

Door verzoeksters en [moeder] zijn tegen dit besluit bij verweerder bezwaarschriften ingediend.

Laatstgenoemde bezwaarde heeft tevens de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 13 december 2000 heeft de president het besluit van 25 september 2000 geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift.

Bij besluit van 4 april 2001 heeft verweerder beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Hiertegen zijn verzoeksters bij deze rechtbank in beroep gekomen. Tevens hebben zij de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 12 juni 2001 behandeld ter zitting. Verzoeksters zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M. de Koeijer. Namens vergunninghouder is verschenen [vennoot] en diens gemachtigde mr.ir. J.L. Mieras.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover daarbij de toetsing door de president meebrengt dat het geschil in de bodemproce-dure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Het bouwplan voorziet in de bouw van een loods bij het agrarische bedrijf van [vennoot]. De loods is gesitueerd naast een bestaande loods en een woning die beide eigendom zijn van [moeder], de moeder van [vennoot]. De bestaande loods wordt door [vennoot] van haar gepacht. Uit de stukken blijkt dat [vennoot] naast zijn agrarische activiteiten begonnen is met een markthandel in bloemen waarvoor de v.o.f. [vergunninghouder] is opgericht.

Verzoeksters zijn van mening dat de bouw van de loods niet past binnen de geldende agrarische bestemming van het perceel [adres]. Zij stellen dat de loods niet zal worden gebruikt ten behoeve van het agrarische bedrijf maar volledig ingericht zal zijn voor detailhandel, namelijk de markthandel in bloemen. Zij achten dit aannemelijk omdat de pacht van de bestaande loods, waarin [vennoot] zijn vee stalt, zal eindigen en in de te bouwen loods geen stalruimte is voorzien. Door het eindigen van die pacht zal in feite sprake zijn van nieuwvestiging van een reëel agrarisch bedrijf. Van een volwaardig agrarisch bedrijf is geen sprake, temeer omdat ook de pacht van een deel van de teeltgrond zal eindigen hetgeen een substantiële vermindering van het grondareaal met zich zal brengen, aldus verzoeksters. Verzoeksters menen dat zonder een herziening van het bestemmingsplan of het verlenen van vrijstelling van het geldende plan verweerder geen medewerking aan het bouwplan aan het bouwplan had mogen verlenen.

Het belang van verzoeksters is gelegen in het zoveel mogelijk vrij van bebouwing houden van de naaste omgeving omdat zij in de uitoefening van hun intensieve veehouderijbedrijf geurcontouren in acht dienen te nemen.

Uit de stukken blijkt dat op het perceel [adres] ingevolge het bestemmingsplan Oostburg Landelijk Gebied de bestemming "Agrarische doeleinden" rust. De gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten alsmede voor kassen en niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten als neventak. Onder dit laatste vallen intensieve veehouderij en intensieve tuinbouw in gebouwen. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de voorschriften van dit plan mogen op gronden met deze bestemming ten behoeve daarvan uitsluitend worden gebouwd:

a. niet voor bewoning bestemde gebouwen;

b. per bedrijf ten hoogste één dienstwoning;

c. bouwwerken geen gebouw zijnde;

met dien verstande dat een en ander slechts is toegestaan indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering gelet op de aard, inrichting, omvang en continuïteit van het bedrijf noodzakelijk is.

Na de uitspraak van de president van deze rechtbank van 13 december 2000 heeft verweerder in het kader van de bezwaarschriftenprocedure opnieuw het advies ingewonnen van de Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ) met het oog op de toepassing van voornoemd artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften. In het advies van de AAZ van 19 februari 2001 is geconcludeerd dat het bouwplan nagenoeg volledig betrekking heeft op een toelaatbaar agrarisch bedrijf. Voor een doelmatige bedrijfsvoering en -ontwikkeling van het agrarisch bedrijf acht de AAZ de realisatie van de bedrijfsruimte in dit stadium noodzakelijk.

De president overweegt het volgende.

Uit voormeld advies blijkt dat de nieuwe bedrijfsruimte en het bestaande gebouwencomplex, waaronder de woning [adres], binnen hetzelfde bouwblok zijn gesitueerd. Laatstbedoelde woning dient aangemerkt te blijven als bedrijfswoning voor het bedrijf van [vennoot]. De president stelt vast dat gezien het verhandelde ter zitting niet meer in geschil is dat de loods binnen de begrenzing van dit bouwblok wordt gebouwd. Daarmee staat naar voorlopig oordeel van de president vast dat de loods wordt toegevoegd aan een bestaand agrarisch bedrijf zodat er geen sprake is van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf of van een ander bedrijf.

De president heeft voorts in het advies van AAZ noch anderszins aanknopingspunten kunnen vinden voor verzoeksters stelling dat in de te bouwen loods overwegend handelsactiviteiten met betrekking tot de markthandel in bloemen zullen plaatsvinden. Daarbij neemt de president enerzijds in aanmerking de uitleg die de vergunninghouder heeft gegeven over de wijze waarop die handel plaatsvindt. De bloemen worden ingekocht bij een groothandel en op de marktdagen door de leverancier rechtstreeks bij de marktwagen afgeleverd. In de loods vindt derhalve geen opslag plaats ten behoeve van deze bloemenhandel.

Anderzijds is blijkens het advies van de AAZ de noodzaak voor het realiseren van de bedrijfsruimte gelegen in de omstandigheid dat de door de vergunninghouder geteelde producten uit de vollegrondsteelt afleverklaar gemaakt moeten worden. Het gaat daarbij om vaste planten en snijheesters. Uit het advies blijkt dat [vennoot] in plaats van de teelt in een tunnelkas tot de vollegrondsteelt is overgegaan. Verder zal de bedrijfsruimte gebruikt worden voor de opslag van materialen, potten, potgrond, stro etc.

Gelet op een en ander zal naar het voorlopig oordeel van de president geen sprake zijn van detailhandel, zoals omschreven in artikel 1. onder 24 van de planvoorschriften en derhalve niet van een gebruik van de loods in strijd met de agrarische bestemming. Dat de vergunninghouder tevens de bedoeling heeft om de marktwagen in de loods te stallen doet daar niet aan af.

De president ziet in het voorgaande tevens geen reden tot twijfel aan de noodzaak van de loods voor een doelmatige bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf van de vergunninghouder. Dat er daarnaast onzekerheid bestaat over de voortzetting van de pacht van de bestaande schuur op het perceel acht de president thans niet van doorslaggevende betekenis aangezien het huidige pachtcontract nog loopt tot mei 2003.

Daarmee is naar voorlopig oordeel van de president voldaan aan het criterium van artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften. Anders dan bij de vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden en bij nieuwvestiging, geldt bij deze bepaling niet het criterium van de volwaardigheid van het agrarisch bedrijf. Hetgeen verzoeksters hierover ter zitting naar voren hebben gebracht doet dan ook niet terzake.

Verzoeksters hebben ter zitting nog betoogd dat het bouwplan in strijd is met de dubbeltelbepaling van artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften. Ook hierin kunnen verzoeksters naar voorlopig oordeel van de president niet worden gevolgd omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de bouw van de nieuwe loods er niet toe leidt dat de bestaande boerderij niet langer aan de agrarische bestemming voldoet.

Het vorenstaande brengt de president tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat de bouw van de loods niet strijdig is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan en dat verweerder, nu van andere gronden om de bouwvergunning te weigeren niet is gebleken, terecht tot verlening daarvan heeft besloten.

De president merkt tenslotte op dat het op grond van artikel 11, tweede lid en onder b., van de planvoorschriften niet mogelijk is dat de bouw van een tweede bedrijfswoning op het bovengenoemde bouwblok zal worden toegestaan. De president acht daarmee voldoende aannemelijk geworden dat verzoeksters niet belemmerd zullen worden in hun bedrijfsvoering.

Gelet op het voorgaande acht de president het niet aannemelijk dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden in de beroepsprocedure zodat er geen aanleiding is tot het treffen van een voorlopige voorziening.

3. Uitspraak.

De president van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2001 door mr. R.C.M. Reinarz als president, in tegenwoordigheid van mr. W.J. de Veld als griffier.

Griffier, President,

Afschrift verzonden op: