Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD5840

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
19-11-2001
Zaaknummer
12/015132-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer:12/015132-01

Datum uitspraak: 7 november 2001

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 28 april 2001

Datum voorlopige hechtenis: 1 mei 2001

------------------------------------------------

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

(verdachte)

geboren op (geboorteplaats + geboortedatum),

wonende te (woonplaats + adres),

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Torentijd” te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. J.J.R. Albicher,

advocaat te Zierikzee.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 oktober 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

R.T.C.N. Jeuken en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die hem door de Stichting Reclassering Nederland te Middelburg zullen worden gegeven.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt:

dat hij op of omstreeks 28 april 2001, in de gemeente Vlissingen, opzettelijk zijn echtgenote

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van zijn echtgenote dichtgeknepen/dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde echtgenote is overleden;

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 28 april 2001, in de gemeente Vlissingen, opzettelijk mishandelend zijn echtgenote de keel heeft dichtgeknepen/dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemd slachtoffer is overleden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlaste-gelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 28 april 2001, in de gemeente Vlissingen, opzettelijk zijn echtgenote

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van zijn echtgenote dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde echtgenote is overleden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het opzet op het doden van het slachtoffer ontbreekt en dat verdachte derhalve vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte heeft op de bewuste dag ervoor gekozen de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan en zich aan die situatie niet te onttrekken. Verdachte heeft kort voor het plegen van het delict niet stilgestaan bij de omstandigheden die hebben geleid tot de escalatie op die dag. In de geëxciteerde staat waarin verdachte op dat moment verkeerde heeft hij er voor gekozen de confrontatie met zijn echtgenote aan te gaan. Hij heeft zich derhalve bewust in een risicovolle situatie begeven. De vraag naar de ontoerekeningsvatbaarheid op het moment van het delict doet daaraan niets af.

Uit diverse door verdachte afgelegde verklaringen blijkt dat verdachte zich ten tijde van het plegen van het feit in mindere of meerdere mate bewust moet zijn geweest van zijn handelen en toch de verwurging heeft laten voortduren. Hij heeft onder meer verklaard dat hij “wilde dat het stopte”.

De kans dat het slachtoffer zou overlijden aan het dichtknijpen van haar keel door verdachte was reëel. Nu niet kan worden gezegd dat verdachte de gevolgen van zijn handelen in het geheel niet kon overzien en verdachte het dichtknijpen van de keel van zijn echtgenote heeft voortgezet, zelfs terwijl zij tegenstribbelde en hem probeerde te slaan, acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van opzettelijk handelen door verdachte. Dat opzet heeft bestaan in kansopzet of voorwaardelijk opzet. Eventuele verminderde toerekeningvatbaarheid staat overigens niet in de weg aan het aanwezig achten van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Het opzetverweer kan derhalve niet slagen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen-verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Het psychologisch rapport d.d. 30 augustus 2001 omtrent de verdachte houdt als conclusies van de psycholoog dr. L.E.E. Ligthart onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:

Betrokkene imponeert als een bovengemiddeld intelligente man en kan gekarakteriseerd worden als een latent onzekere en angstige man die geneigd is gevoelens van onbehagen, vijandigheid en agressie aanvankelijk sterk te onderdrukken en te verschuiven. Er is sprake van een zekere kwetsbaarheid voor langdurige stress, dat wil zeggen dat de draagkracht afneemt bij langdurige stressvolle omstandigheden.

In de ochtend van 28 april 2001 lopen de spanningen dermate hoog op dat betrokkene in ernstig geëxciteerde toestand geraakt. Mede door het voortdurend vermijden van conflicten raakt betrokkene de greep op zichzelf kwijt. Er ontstaat een dysbalans tussen opwellende agressieve impulsen en de controle hierover.

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsorganisatie met vermijdende en passief-agressieve, mogelijk ook narcistische trekken. Indien de feiten bewezen worden geacht is sprake van een verminderde toerekeningsvatbaarheid bij betrokkene. Het keuzeveld van betrokkene was beperkt.

Het psychiatrisch rapport d.d. 29 september 2001 omtrent de verdachte houdt als conclusies van de psychiater dr. J. van Borssum Waalkes onder meer het volgende in - zakelijk weergegeven -:

Psychiatrisch onderzoek:

Betrokkene is een bovengemiddeld intelligente man. Bij betrokkene is sprake van een beperkte eigenwaarde. Hij heeft dat trachten te compenseren met een hoog streefniveau.

De geloofsovertuiging speelt in deze een belangrijke rol. Wanneer er gevoelens van boosheid aanwezig zijn worden deze afgeweerd door primitieve mechanismen zoals depersonalisatie, ontkenning en verdringing. In sterke mate heeft hij keer op keer geslikt. Zijn geloofs-overtuiging verbiedt het te scheiden waardoor betrokkene zijn woede heeft omgezet in zorg.

Hij zag zijn vrouw als een verantwoordelijkheid die hij moest stimuleren, om hulp te zoeken zodat ze kon genezen (reddersfantasieen) en zo het gezin uiteindelijk in harmonie zou kunnen leven. Deze problematiek kan gezien worden als een rode draad.

Forensisch psychiatrische beschouwing:

Er is bij betrokkene sprake geweest van een ziekelijke stoornis in de vorm van dissociatieve stoornis en depersonalisatie en een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de vorm van karakterneurotische persoonlijkheidsproblematiek ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten. Op grond hiervan heeft betrokkene ten tijde van het plegen van het tenlastelegde in beperkte mate zijn wil kunnen bepalen. Ik acht hem dan ook verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van het plegen van het feit.

De rechtbank neemt het oordeel van de gedragsdeskundigen over en komt tot de conclusie dat verdachte het bewezenverklaarde feit in verminderde mate kan worden toegerekend. Dat sluit zijn strafbaarheid echter niet uit.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Motivering van de op te leggen sanctie(s)

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

· de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;

· de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een levensdelict dat tot de meest ernstige delicten in het strafrecht behoort. Hij heeft zijn echtgenote en de moeder van zijn kind door verwurging om het leven gebracht. Een dergelijk feit brengt veel leed met zich mee voor nabestaanden en laat zich ook op langere termijn vaak nog ernstig gevoelen bij betrokkenen. Door een dergelijk delict ontstaan gevoelens van verontrusting en onveiligheid in de samenleving. De rechtsorde is ernstig geschokt. Bij een dergelijke ernstig feit past in beginsel slechts een vrijheidsbenemende straf van lange duur.

In casu staan tegenover de objectieve ernst van een dergelijk delict de bijzondere omstandigheden die mede hebben geleid tot de voor het slachtoffer fatale gebeurtenis.

Naast de in de persoon van verdachte gelegen redenen die mede bepalend zijn geweest voor zijn handelen, waarover hieronder meer, kan in deze zaak ook de rol van het slachtoffer niet

onbelicht blijven. Het slachtoffers heeft door haar toedoen en door haar houding jegens verdachte en hun dochter woede en agressie bij verdachte opgeroepen. Hoewel het gedrag van het slachtoffer ten dele te verklaren is uit haar ziekte moet ook voor haar duidelijk zijn

geweest dat door de aanhoudende stroom van krenkingen van verdachte op enig moment zijn geduld en begrip ten einde zouden zijn. Mede door die aanhoudende stroom van aanslagen op verdachtes gemoed is het uiteindelijk gekomen tot een uitbarsting bij verdachte. Een uitbarsting van jarenlange opgekropte woede en agressie die hem mede tot zijn handelen hebben gebracht. De invloed van het slachtoffer op verdachte en hun moeizame relatie zal de rechtbank in verdachtes voordeel laten meewegen bij het bepalen van de strafmaat.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

· het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 15 mei 2001;

· het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 1 mei 2001 van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Middelburg;

· het over de verdachte uitgebrachte milieurapport d.d. 21 september 2001 van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Middelburg;

· het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 19 oktober 2001 van de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Middelburg;

· het hiervoor aangehaalde rapport van de deskundige dr. J. van Borssum Waalkes;

· het hiervoor aangehaalde rapport van de deskundige dr. L.E.E. Ligthart.

De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met het feit dat hij blijkens het uittreksel uit het algemeen documentatieregister niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte vloeit voort dat hij tot het delict is gekomen onder invloed van zijn karakter. Door zijn opstelling heeft verdachte de problemen binnen zijn gezin niet eerder en/of op andere, adequate wijze op weten te lossen. Hij heeft wel hulp gezocht, maar nimmer concrete mogelijkheden tot een oplossing voor de bestaande problemen in zijn relatie met het slachtoffer daadwerkelijk benut. Verdachtes keuzeveld was weliswaar beperkt, maar hij had de mogelijkheid een keuze te maken. De keuze die verdachte in de loop der tijd heeft gemaakt had verdachte niet mogen maken. Hij had de gevolgen daarvan tijdig moeten overzien. De rechtbank is van oordeel dat het niet tijdig maken van de juiste keuze, mede gelet op de vele contacten die verdachte onderhield met geloofsgenoten en zijn regelmatige pogingen hulp te zoeken, verdachte kan worden aangerekend als een aan hem te wijten factor die mede tot het uiteindelijk plaatshebben van het delict heeft geleid.

De bij verdachte door de deskundigen vastgestelde stoornis is van zodanige aard dat behandeling mogelijk is en het gevaar voor herhaling, hoewel gering, kan verminderen. De deskundigen adviseren behandeling in de vorm van psychotherapie. Deze behandeling dient bij voorkeur plaats te vinden op ambulante wijze.

De Stichting Reclassering Nederland stelt in het voorlichtingsrapport dat zij mogelijkheden ziet voor begeleiding van verdachte. Ook de behandeling van verdachte kan door de reclassering worden ondersteund in de door haar te geven begeleiding. De rechtbank is van oordeel dat deze mogelijkheid benut dient te worden. De behandeling dient gepaard te gaan met een stimulans van verdachte om die behandeling te accepteren en zich te richten op zijn toekomst.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen, met daarbij een bijzondere voorwaarde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard behandeling te willen ondergaan. Een voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen straf zal als

extra stimulans kunnen dienen om verdachtes motivatie te behouden om actief aan behandeling mee te werken.

Door oplegging van een gevangenisstraf van substantiële duur, waarbij aan een voorwaardelijk gedeelte de na te noemen bijzondere voorwaarde zal worden verbonden wordt naar het oordeel van de rechtbank recht gedaan aan de belangen van de maatschappij bij bestraffing van dit ernstige delict, maar tevens aan het belang van verdachte en de maatschappij bij behandeling van verdachte. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

· de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

· de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

de veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Middelburg zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Zij verstrekt aan genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de genoemde bijzondere voorwaarde.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.J.A. van Unnik, voorzitter,

mrs. M.P. Meeuwisse en D. Verboom, rechters,

in tegenwoordigheid van J.J.J. Schols, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 november 2001.