Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD5546

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
Awb 00/515
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nr.: Awb 00/515

Uitspraak inzake:

Het algemeen bestuur van de van het Openbaar lichaam Arbeidsreïntegratiebedrijf (voorheen: Werkplaatsen) Walcheren, gevestigd te Middelburg, eiser,

gemachtigde: mr. A.H. de Wilde,

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder aan de (rechtsvoorganger van) eiser de rijksvergoeding voor de uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) over het jaar 1997 geweigerd tot een bedrag van f 75.000,-.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser is tegen dit besluit in beroep bij de rechtbank gegaan.

Het geschil is op 30 maart 2001 behandeld ter zitting. Daarbij waren aanwezig mr. A.H. de Wilde voornoemd alsmede mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, gemachtigden van verweerder.

2. Overwegingen.

Artikel 40 van de WSW, zoals die bepaling luidde ten tijde van de hier in geding zijnde periode, bepaalt dat het Rijk jaarlijks aan de gemeente een vooraf door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) vastgestelde vergoeding toekent voor door de gemeente te maken kosten ter uitvoering van die wet.

Ingevolge artikel 44, aanhef en sub e WSW kan de minister na afloop van het jaar waarop de vergoeding betrekking heeft een vergoeding als bedoeld in artikel 40, eerste lid geheel of gedeeltelijk terugvorderen dan wel verrekenen indien naar zijn oordeel sprake is van een ondoeltreffende uitvoering van deze wet.

Het door verweerder gevoerde beleid met betrekking tot de beoordeling of al dan niet sprake is van ondoeltreffende uitvoering van de WSW, zoals bedoeld in artikel 44 aanhef en onder e, is neergelegd in de nota "De toetsing van de uitvoering door gemeenten van de WSW " van 9 juli 1993, die op 16 juli 1993 is aangeboden aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer en bij brief van 16 augustus 1993 is toegezonden aan de gemeentebesturen en aan de bestuurlijke eenheden van de sociale werkvoorziening. Blijkens deze nota zijn de doelstellingen van het rijk ten aanzien van de uitvoering van de WSW geëxpliciteerd en geoperationaliseerd aan de hand van de vijf fasen die in het "primaire proces" van de sociale werkvoorziening kunnen worden onderscheiden. Tot deze fasen behoort onder andere de plaatsing van kandidaatwerknemers binnen de sociale werkvoorziening. Daarover is, voorzover hier van belang, in de nota het volgende opgemerkt:

"Ten aanzien van de feitelijke plaatsing van werknemers is de doelstelling dat deze op een zorgvuldige en evenwichtige wijze geschiedt, zodanig dat het principe van gelijke kansen wordt verwezenlijkt, ongeacht de aard van de handicap of de verwachte mate van productiviteit. Dit betekent dat kandidaatwerknemers in principe in volgorde van hun plaatsing op de wachtlijst ook een arbeidsplaats aangeboden moeten krijgen. Slechts in een beperkt aantal gevallen ligt afwijking van dit principe in de rede. Zo kan het gewenst zijn bepaalde personen eerder te laten instromen in verband met dreigend verlies aan vaardigheden of om een sleutelfunctie binnen een werkeenheid te vervullen waarvan anderen voor hun werkgelegenheid afhankelijk zijn.

(...).

De toetsing of bestuurlijke eenheden bij de plaatsing van nieuwe werknemers inderdaad zorgvuldig en evenwichtig plaatsen, geschiedt aan de hand van een indeling in jaarcohorten van de personen die op de wachtlijst geplaatst zijn, en die niet tussentijds zijn uitgestroomd (wachttijd aan het begin van het begrotingsjaar > 3 jaar, wachttijd 2-3 jaar, wachttijd 1-2 jaar, wachttijd 0-1 jaar en in de loop van het jaar op een wachtlijst geplaatsten). Daarmee wordt reeds een zekere mate van flexibiliteit aan bestuurlijke eenheden geboden. Van het totaal aantal in de loop van het jaar door de bestuurlijke eenheid gerealiseerde plaatsingen wordt vervolgens nagegaan of deze inderdaad zijn geschied uit het cohort of de cohorten met de langste wachttijd. Is dat binnen een zekere marge niet het geval, dan is sprake van een op dit punt ondoeltreffende uitvoering van de wet en wordt een nader onderzoek ingesteld naar de verwijtbaarheid. De bij de toetsing te hanteren marge wordt, gezien de inspanningen die in eerste instantie van de bestuurlijke eenheden worden gevraagd, voor het begrotingsjaar 1994 gesteld op 75%. Dat wil zeggen dat in dat jaar nog in een kwart van de plaatsingen van de volgorde van de wachtlijst (in jaarcohorten) mag worden afgeweken. Afhankelijk van de bereikte resultaten zal voor de latere jaren de geboden marge geleidelijk worden verminderd."

Verweerder heeft van zijn bevoegdheid ex artikel 44 aanhef en sub e WSW gebruik gemaakt door de rijksvergoeding WSW over het jaar 1997 te weigeren tot een bedrag van f 75.000,- en dit bedrag te verrekenen met de reguliere budgetbetalingen. Hij heeft hiertoe overwogen dat bij eiser in 1997 sprake is geweest van verwijtbare ondoeltreffende uitvoering van de WSW omdat eiser ten aanzien van 15 personen niet heeft voldaan aan het hiervoor aangehaalde beleid van zorgvuldige en evenwichtige plaatsing, ook wel het "zeepbeleid" genoemd. Verweerder is er daarbij vanuit gegaan dat eiser in 1997 42 kandidaten heeft geplaatst en dat, conform de 25% norm, daarvan in 31 gevallen aan het zeepbeleid dient te worden voldaan. Er was dus slechts een afwijking van 11 plaatsingen toegestaan.

Volgens verweerder heeft eiser echter in 1997 slechts 9 personen uit het cohort met een wacht-tijd van 1-2 jaar geplaatst, terwijl dit er minimaal 24 hadden moeten zijn om de norm van 31 zeepplaatsingen te halen. Er is derhalve volgens verweerder een afwijking van 15, hetgeen een overschrijding van de toegestane norm inhoudt. Per verwijtbare niet-zeepplaatsing heeft verweerder de forfaitaire norm beperkt tot f 5.000,-, zodat de budgetweigering op een bedrag van f 75.000,- uitkomt.

Eiser meent dat verweerder een andere rekenmethode had moeten toepassen. Volgens eiser kunnen er niet meer dan 18 afwijkingen zijn, omdat ultimo 1997 uit de jaarcohort van 1996 nog slechts 18 personen resteerden, terwijl uit de jaarcohort van 1997 alle personen waren geplaatst. Van deze 18 zijn er 11 toegestaan, zodat er slechts 7 niet zijn toegestaan. Hierop had de correctie gebaseerd moeten worden. Verweerder gaat ten onrechte uit van 26 afwijkingen in plaats van 18. Deze methode is temeer onredelijk omdat geen rekening is gehouden met deze bijzondere omstandigheid en het feit dat eiser in 1997 10,2 Fte's boven de taakstelling, waarvoor subsidie wordt ontvangen, heeft geplaatst.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Verweerder heeft op grond van de WSW de vrijheid om te beoordelen of sprake is van ondoel-treffende wetsuitvoering, zodat slechts ruimte is voor een marginale toetsing van het bestreden besluit. Het beleid zoals verweerder dat heeft geformuleerd, acht de rechtbank op zichzelf niet onredelijk.

In geschil is de te hanteren rekenmethode, in het bijzonder die waarmee de overschrijding van de 25%-norm dient te worden bepaald. Verweerder hanteert de volgende berekening:

1997: beschikbaar waren: geplaatst: geplaatst hadden afwijking moeten worden:

wachttijd 2-3 jaar 7 7 7 -

wachttijd 1-2 jaar 27 9 24 (minimaal) 15

wachttijd 0-1 jaar 77 26 - -

--- --- ----

111 42 31 (= 75% van 42)

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder redelijkerwijs kunnen oordelen dat bij eiser geen sprake was van een doeltreffende uitvoering van de wet door deze berekening te hanteren.

De hierboven aangehaalde nota gaat er immers van uit dat van het totaal aantal in de loop van het jaar door de bestuurlijke eenheid gerealiseerde plaatsingen wordt nagegaan of deze inderdaad zijn geschied uit het cohort of de cohorten met de langste wachttijd. Hieruit kan worden afgeleid dat, zoals verweerder gedaan heeft, in eerste instantie de groep met de kortste wachttijd buiten beschouwing wordt gelaten bij de beoordeling of aan de 75%-norm is voldaan. Deze methode volgt ook uit het rekenvoorbeeld, zoals dat is opgenomen in de door verweerder overgelegde Nieuwswijzer (informatiebulletin WSW) van september 1993, waarvan eiser ter zitting heeft aangegeven deze te hebben ontvangen en begrepen. Aangenomen kan derhalve worden dat ook de uitleg van het door verweerder gehanteerde beleid bij eiser genoegzaam bekend was.

Dat deze berekeningswijze tot gevolg heeft dat de betrokken bestuurlijke eenheid een beperktere afwijkingsmogelijkheid heeft naarmate er minder kandidaten in de oudste cohorten beschikbaar zijn, acht de rechtbank gelet op de ratio van het beleid niet onredelijk. De berekeningswijze zoals eiser die voorstaat zou tot gevolg hebben dat de 25% afwijkingsbevoegdheid naar willekeur over de cohorten verdeeld zou kunnen worden en dus ook volledig in het cohort met de jongste wachttijd geplaatst kan worden. Hierdoor zou het doel van het beleid, het bevorderen van plaatsing in de volgorde van de wachtlijst, echter niet optimaal bereikt kunnen worden.

Ook acht de rechtbank het niet onredelijk dat verweerder bij de bepaling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiser 10,2 Fte's boven de taakstelling heeft geplaatst. Deze omstandigheid neemt niet weg dat eiser volgens de volgorde van de wachtlijst dient te plaatsen teneinde te komen tot een doeltreffende wetsuitvoering.

Uit het voorgaande volgt dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten het bedrag van f 75.000,- terug te vorderen, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2001

door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. J. de Graaf, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.