Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD4712

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-10-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
12/006214-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 12/006214-00

Datum uitspraak: 17 oktober 2001

Tegenspraak

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum + geboorteplaats],

wonende te [adres],

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. H. van Pijkeren, advocaat te Zierikzee.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 oktober 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J.A. Groen en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 20 mei 2000 in de gemeente Schouwen-Duiveland, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, (de Zwaardweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door - na het

gebruik van alcoholhoudende drank - zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig

en/of onoplettend, een voor hem, verdachte, naar rechts lopende bocht door te

rijden,

zijnde hij, verdachte, gekomen in of nabij die voor hem naar rechts lopende

bocht in die weg - gezien zijn rijrichting -

op een zodanige wijze en/of met een zodanige snelheid naar links gekomen, dat

hij, verdachte, daar toen met zijn voertuig op het voor het tegemoetkomende

verkeer bestemde weggedeelte is terechtgekomen, over welk weggedeelte toen

juist een fietser naderde en die het punt, waar hij, verdachte, naar links

kwam, althans dat voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte

bereed, althans ging berijden, reeds had bereikt, althans op korte afstand was

genaderd,

waarbij hij, verdachte, daar toen met zijn voertuig in botsing, althans in

aanrijding is gekomen met die tegemoetkomende fietser en/of diens fiets,

waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel, te weten

een verbrijzeld onderbeen, een gebroken bovenbeen, twee gebroken armen, vijf,

in elk geval een aantel, gebroken ribben, een ingeklapte long en verdraaide

enkelbanden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,

immers bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek

(zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 onder a van de genoemde wet) 410 microgram,

in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht, te

zijn;

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

A) hij op of omstreeks 20 mei 2000 in de gemeente Schouwen-Duiveland, als

bestuurder van een motorrijtuig, ((bedrijfs)auto), dit voertuig heeft

bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef

en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 410 microgram, in elk geval hoger dan

220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

B)hij op of omstreeks 20 mei 2000 in de gemeente Schouwen-Duiveland,

als bestuurder van een motorrijtuig, (bedrijfs)auto, daarmee heeft gereden

over de weg, de Zwaardweg,

en toen,

gekomen in of nabij een voor hem naar rechts lopende bocht in die weg,

- gezien zijn rijrichting -

op een zodanige wijze en/of met een zodanige snelheid naar links is gekomen,

dat hij, verdachte, daar toen met zijn voertuig op het voor het

tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte is terechtgekomen, over welk

weggedeelte toen juist een fietser naderde en die het punt, waar hij,

verdachte, naar links kwam, althans dat voor het tegemoetkomende verkeer

bestemde weggedeelte bereed, althans ging berijden, reeds had bereikt, althans

op korte afstand was genaderd,

waarbij hij, verdachte, daar toen met zijn voertuig in botsing, althans in

aanrijding is gekomen met die tegemoetkomende fietser en/of diens fiets,

door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op de weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op de weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat::

hij op of omstreeks 20 mei 2000 in de gemeente Schouwen-Duiveland, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, (de Zwaardweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door - na het

gebruik van alcoholhoudende drank - zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig

en/of onoplettend, een voor hem, verdachte, naar rechts lopende bocht door te

rijden,

zijnde hij, verdachte, gekomen in of nabij die voor hem naar rechts lopende

bocht in die weg - gezien zijn rijrichting -

op een zodanige wijze en/of met een zodanige snelheid naar links gekomen, dat

hij, verdachte, daar toen met zijn voertuig op het voor het tegemoetkomende

verkeer bestemde weggedeelte is terechtgekomen, over welk weggedeelte toen

juist een fietser naderde en die het punt, waar hij, verdachte, naar links

kwam, althans dat voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte

bereed, althans ging berijden, reeds had bereikt, althans op korte afstand was

genaderd,

waarbij hij, verdachte, daar toen met zijn voertuig in botsing althans in

aanrijding is gekomen met die tegemoetkomende fietser en/of diens fiets,

waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel, te weten

een verbrijzeld onderbeen, een gebroken bovenbeen, twee gebroken armen, vijf

in elk geval een aantel gebroken ribben, een ingeklapte long en verdraaide

enkelbanden, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,

immers bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem bij een onderzoek

(zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 onder a van de genoemde wet) 410 microgram

in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, te

zijn.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl degene die schuldig is aan dit feit verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie(s)

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;

de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich blijkens het bewezenverklaarde schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ongeval waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, terwijl hij bijna twee maal zoveel alcoholhoudende drank tot zich had genomen als is toegestaan wanneer men een motorrijtuig bestuurt. Vast staat dat de verdachte bekend was met de bocht in de weg waarover hij reed. Blijkens verdachtes eigen verklaring ter zitting werd de betreffende bocht door hem al geruime tijd als onoverzichtelijk en vervelend ervaren. De onoverzichtelijkheid zou nog erger zijn geweest ten tijde van het ongeval, nu volgens de verdachte het zicht werd belemmerd door een bermophoging in de vorm van beplanting. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de rijvaardigheid beïnvloed wordt door

het gebruik van alcoholhoudende drank, met als gevolg onder meer een trager reactievermogen. Bovengenoemde omstandigheden in aanmerking genomen vergde de betreffende bocht extra oplettendheid van de verdachte. Hij had zijn snelheid moeten aanpassen en uiterst rechts op de weg moeten rijden. Gelet op zijn rijgedrag zoals bewezen verklaard heeft verdachte niet de benodigde voorzichtigheid betracht. De veiligheid op de weg eist dat verkeersdeelnemers voorzichtigheid betrachten. Dat verdachte zulks onvoldoende gedaan heeft rekent de rechtbank hem op grond van het voorgaande aan. In het bijzonder rekent de rechtbank het hem daarbij aan dat verdachte het risico op ongevallen vergroot heeft door na alcoholgebruik te gaan rijden.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 19 juli 2000;

hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting d.d. 4 oktober 2001 met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden is aangevoerd.

Uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld vanwege rijden onder invloed. Hiermee zal bij de strafoplegging echter geen rekening worden gehouden, aangezien dit feit langer dan vijf jaar geleden, namelijk in 1994, is gepleegd en verdachte daarna niet meer is veroordeeld wegens enig strafbaar feit.

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte inmiddels, na het ongeval en een bezoek aan het Zeeuws Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs, is gestopt met het gebruik van alcoholhoudende drank. Hiermee zal de rechtbank bij haar strafoplegging rekening houden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 8, 175 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij legt aan de verdachte op een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Zij veroordeelt de verdachte voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mrs. C. van Boven-Hartogh en M.P. Meeuwisse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Koole als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2001.