Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD4031

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
08-10-2001
Zaaknummer
01/302, 01/324 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen verschoonbare termijnoverschrijding bij te laat beroep tegen niet gepubliceerde verlening van bouwvergunning, nu geen sprake is van publicatieplicht.

Bezwaar tegen verleende bouwvergunning door verweerder ongegrond verklaard.

Anders dan verweerder heeft overwogen, is de president van oordeel dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van art. 6:11 Awb. Voor verweerder bestaat op grond van art. 41 Woningwet de verplichting de aanvraag voor een bouwvergunning te publiceren. Hieraan heeft verweerder middels een publicatie in het Zeeuwsch-Vlaams Advertentieblad voldaan. Verzoekster was bekend met deze publicatie, zodat het op haar weg had gelegen tijdig bij verweerder te informeren naar de vergunningverlening. Nu zij dit niet tijdig heeft gedaan, dient deze termijnoverschrijding voor haar eigen risico te komen.

Het feit dat verweerder de verleende bouwvergunning niet afzonderlijk heeft gepubliceerd, doet hieraan niet af. Een verplichting tot het publiceren van verleende vergunningen bestaat voor verweerder niet, zodat verweerder ten onrechte om die reden het bezwaarschrift ontvankelijk heeft verklaard.

Het beroep is gegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg, verweerder.

mr. T. Damsteegt (president)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Woningwet 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

President, rechtsprekend in Bestuursgeschillen

Reg.nrs.: 01/302, 01/324 VV

Uitspraak, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitpsraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81van die wet, inzake:

A, wonende te B, verzoekster,

gemachtigde: de heer L.H. Kodde,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oostburg, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 30 november 2000 heeft verweerder aan X (hierna: de vergun-ninghouder) een bouwvergunning verleend voor uitbreiding van zijn woning aan de […] 329 te B.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 17 februari 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 april 2001 heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft tevens de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het geschil is op 28 juni 2001 behandeld ter zitting. Daarbij was namens eiseres aanwezig L.H. Kodde. Namens verweerder was aanwezig M.L. de Paauw. Tevens was de vergunninghouder aanwezig.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de recht-bank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de president onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil.

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is de president van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen de toepassing van artikel 8:86 van de Awb zouden verzetten.

Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en daartoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen zes weken, na de dag waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijzen is bekend gemaakt.

Uit de in de rubriek procesverloop genoemde feiten volgt dat verzoekster de termijn voor het instellen van bezwaar heeft overschreden.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bezwaar van verzoekster ondanks de termijnoverschrijding ontvankelijk is, omdat zij pas op 14 februari 2001 van het verlenen van de bouwvergunning heeft gehoord en omdat het verlenen van de bouwvergunning door verweerder niet afzonderlijk is gepubliceerd.

De president overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan verweerder heeft overwogen, is de president van oordeel dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Voor verweerder bestaat op grond van artikel 41 van de Woningwet de verplichting de aanvraag voor een bouwvergunning te publiceren. Hieraan heeft verweerder middels een publicatie in het Zeeuwsch-Vlaams Advertentieblad voldaan. Gebleken is dat verzoekster bekend was met deze publicatie, zodat het naar het oordeel van de president op haar weg had gelegen tijdig bij verweerder te informeren naar de vergunningverlening. Nu zij dit niet tijdig heeft gedaan, dient deze termijnoverschrijding voor haar eigen risico te komen. Het feit dat verweerder de verleende bouwvergunning niet afzonderlijk heeft gepubliceerd, doet hieraan niet af. Een verplichting tot het publiceren van verleende vergunningen bestaat voor verweerder niet, zodat verweerder ten onrechte om die reden het bezwaarschrift ontvankelijk heeft verklaard.

Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verzoekster redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Het beroep is gegrond in die zin dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd omdat verweerder verzoekster ten onrechte in haar bezwaren heeft ontvangen.

Nu uit het bovenstaande volgt dat het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk is, bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond meer. Het verzoek hiertoe dient dan ook te worden afgewezen.

De president ziet aanleiding tot toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb.

3. Uitspraak.

De president van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

bepaalt dat de gemeente Oostburg aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van f. 450,- (vierhonderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2001 door mr. T. Damsteegt als president, in tegenwoordigheid van mr. W.J. de Veld als griffier.

Griffier, President,

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan, voor zover er op het beroep is beslist, een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.