Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AB2244

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
442/1999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

d.d. 23 mei 2001

De arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer, overweegt en beslist als volgt inzake

rolnr. 442/99

rolnr. Ktr: 99-1800

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. Th.G.B.M. Leenders,

tegen:

[naam moeder], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van

[naam dochter],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. P. Buijs.

1. Het procesverloop

Bij dagvaarding van 13 maart 2000 is [appellant] in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen, door de kantonrechter te Middelburg tussen partijen gewezen op 25 oktober 1999 en 13 december 1999. Vervolgens zijn gewisseld:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Door [appellant] is het procesdossier in eerste aanleg overgelegd.

2. De grieven

Bij memorie van grieven heeft [appellant] nadrukkelijk aangegeven dat hij het door hem ingestelde hoger beroep beperkt tot de door de kantonrechter in zijn tussenvonnis en zijn eindvonnis gegeven overwegingen en beslissingen ter zake de vorderingen van [appellant] onder 1 - ter comparitie in eerste aanleg aangevuld tot 1a en 1b - en onder 2. Daartegen heeft [appellant] de navolgende grieven geformuleerd:

Grief I

Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat:

"de kantonrechter overweegt dat het onder 1a en 1b gevorderde strandt op artikel 1:164 BW. Een gedraging van een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, kan hem volgens deze wetsbepaling niet als een onrechtmatige daad worden toegerekend. De dochter is geboren op 18 mei 1982 en was derhalve bij het uiten van de bedoelde beschuldiging nog geen veertien jaar oud".

Grief II

Ten onrechter overweegt de kantonrechter dat:

"het niet intrekken van een valse beschuldiging is in het algemeen, en voorts ook in dit geval, niet op zich reeds een onrechtmatige daad. Dit klemt eens temeer nu de gestelde valse beschuldiging niet aan de dochter kan worden toegerekend in verband met haar jeugdige leeftijd. Het onder 1a en 1b gevorderde komt derhalve voor afwijzing in aanmerking".

Grief III

Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat van hetgeen ter zitting besproken is geen proces-verbaal wordt opgemaakt.

3. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1. Tussen partijen staat het navolgende vast:

- [appellant] en de moeder zijn gehuwd geweest. In hun huwelijk is bij beschikking van deze rechtbank van 13 augustus 1997, ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Vlissingen op 12 januari 1998, de echtscheiding uitgesproken;

- De dochter is op 18 mei 1982 uit voornoemd huwelijk geboren;

- In of omstreeks het najaar 1994/voorjaar 1995 heeft de - toen 12 jaar oude - dochter op school uitlatingen gedaan omtrent seksueel misbruik van haar door [appellant]. Deze uitlatingen waren onjuist; er is geen sprake geweest van dergelijk misbruik;

- Ter comparitie, voor de kantonrechter gehouden op 15 november 1999, heeft de dochter o.m. verklaard dat de beschuldigingen, door haar destijds op twaalfjarige leeftijd tegen [appellant] geuit, op onwaarheid berustten.

3.2. De eerste grief is niet gegrond. Juist is dat het uiten van een valse beschuldiging als waarover het hier gaat, ook als die wordt gedaan door een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt, als een onrechtmatige daad jegens de vals beschuldigde is aan te merken. Zulks neemt echter niet weg dat die onrechtmatige daad op grond van art. 6:164 BW aan een kind dat de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt niet is toe te rekenen, en dat er om die reden in een procedure als de onderhavige, waarin de vordering uitsluitend tegen het kind is gericht, geen plaats kan zijn voor een verklaring voor recht dat het kind onrechtmatig heeft gehandeld. Immers een verklaring voor recht kan dan niet anders worden verstaan dan dat daarmee de verantwoordelijkheid voor het handelen en de gevolgen ervan van dat kind wordt vastgesteld. Uit de stellingen van [appellant] komt een dergelijke bedoeling ook naar voren. Hij wil vastgesteld zien dat de dochter hem heeft beschuldigd, wetende dat zij onwaarheid sprak en voorts dat zij verantwoordelijk is voor de - naar [appellant] stelt - naar aanleiding van die beschuldiging direct al en ook later nog op gang gekomen geruchtenstroom. Art. 6:164 BW bepaalt juist dat een dergelijke verantwoordelijkheid niet bij een kind beneden de leeftijd van veertien jaar kan worden gelegd. Een verklaring van recht als door [appellant] in zijn vordering onder 1a gevraagd kan dan ook niet worden afgegeven.

3.3. De tweede grief is evenmin gegrond. Nu het uiten van de beschuldiging plaats vond op een moment waarop zulks aan de dochter - civielrechtelijk - niet kon worden toegerekend, kan niet van haar - op straffe van onrechtmatig handelen bij weigering - worden gevergd dat zij op een leeftijd waarop eventueel onrechtmatig handelen haar wel kan worden toegerekend die beschuldiging intrekt. Immers, niet goed denkbaar is dat bij weigering om een niet toe te rekenen uitlating in te trekken, wel toerekenbaar onrechtmatig wordt gehandeld. Overigens merkt de rechtbank op dat de gestelde weigering van de dochter zich niet lijkt voor te doen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de dochter meermalen schriftelijk naar [appellant] heeft aangegeven dat haar beschuldiging destijds onjuist was. Ter comparitie van partijen voor de kantonrechter heeft zij zulks mondeling nogmaals gedaan. Het enkele feit dat zij niet bereid is een schriftelijke verklaring als door [appellant] gevraagd - waarbij laatstgenoemde kennelijk hecht aan bepaalde bewoordingen - af te geven is naar het oordeel van de rechtbank niet als een jegens [appellant] onrechtmatig te achten weigering aan te merken.

3.4. De derde grief betreft de vraag of de kantonrechter verplicht was van de voor hem gehouden comparitie van partijen een proces-verbaal te doen opmaken. [appellant] stelt dat een proces-verbaal had moeten worden opgemaakt en bij gebreke daarvan alsnog dient te worden opgemaakt. De rechtbank oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt in zijn eindvonnis vast dat geen proces-verbaal van de comparitie is opgemaakt. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat de kantonrechter heeft beslist om een proces-verbaal niet op te maken. Die beslissing is, gelet op het bepaalde in art. 19a Rv, onjuist. Evenwel is deze beslissing een niet in een der aangevochten vonnissen genomen en voorts is niet gesteld of gebleken dat die beslissing en het verhandelde ter comparitie van enige invloed is geweest op de na die comparitie genomen eindbeslissingen. Derhalve heeft [appellant] geen rechtens te respecteren belang bij zijn grief. Daar komt nog bij dat hetgeen [appellant] blijkens de toelichting op de grief met die grief tot doel heeft - nl. dat alsnog door de ter comparitie aanwezige de griffier van het kantongerecht een proces-verbaal wordt opgemaakt - niet het gevolg kan zijn van gegrondverklaring van de grief. Bij gegrondverklaring zou de zaak dienen te worden teruggewezen naar de kan-tonrechter om te doen hetgeen had behoren te worden gedaan, dat wil zeggen partijen opnieuw ter comparitie laten verschijnen en van hetgeen zij alsdan verklaren een proces-verbaal opmaken, op basis waarvan opnieuw een eindvonnis zou moeten worden gewezen. Dit belang heeft [appellant] evenwel niet aan zijn grief ten grondslag gelegd. Ook om deze reden heeft [appellant] bij zijn grief geen belang. De grief treft derhalve geen doel.

3.5. Nu de grieven daartegen falen zullen de vonnissen van de kantonrechter, voor zover aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De rechtbank:

bekrachtigt de vonnissen, op 25 oktober 1999 en 13 december 1999 door de kantonrechter te Middelburg tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, welke aan de zijde van de moeder tot op heden worden begroot op ƒ 400,-- aan verschotten en ƒ 860,-- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. B.J.R.P. Verhoeven, S.M.J. van Dijk en N. van der Ploeg-Hogervorst en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2001.