Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2000:AA9818

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
194/1999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

d.d. 20 december 2000

De arrondissementsrechtbank te Middelburc" enkelvoudige kamer, overweegt en beslist als volgt, inzake:

rolnr. 194/99

[eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

en

[eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur: mr. I.P. de Groot,

tegen:

[gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

en

de naamloze vennootschap Interpolis Schade N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,

gedaagden,

procureur: mr. C.H. Brinkman,

advocaat: mr. M.A.L. Verhoeven.

1. Het procesverloop

De volgende processtukken zijn gewisseld:

- conclusie van eis, overeenkomstig de dagvaarding

- conclusie van antwoord,

- conclusie van repliek, houdende vermeerdering van eis,

- conclusie van dupliek,

- akte houdende producties.

Beide partijen hebben producties in het geding, gebracht.

Op 25 oktober 2000 is pleidooi gehouden. De pleitnotities maken deel uit van het procesdossier.

2. De feiten

2.l. Eisers, zijn broers van elkaar.

2.2. Op 10 februari 1998 heeft zich op de Spanjaardsweg te Philippine, gemeente Sas van Gent, een ernstig, verkeersongeval voltrokken, waarbij de [eisers sub 1 en 2], de heer [betrokkene 1], en gedaagde sub 1.

2.3. De Spanjaardsweg is een openbare weg, die buiten de bebouwde kom ligt. De weg is 3,10 meter breed en bestaat uit één rijbaan, die niet in stroken is onderverdeeld. Aan beide zijden van de rijbaan bevindt zich een onverharde berm.

2.4. Op 10 februari 1998 omstreeks 15.15 uur fietsten [betrokkene 1] en [eisers sub 1 en 2] met z'n drieën achter elkaar op de hiervoor genoemde Spanjaardsweg. De fietsers reden in de richting van Philippine. [gedaagde sub 1] kwam hen uit tegengestelde richting met zijn landbouwvoertuig tegemoet gereden. Het betrof een driewielig landbouwvoertuig met een drijfmesttank. De breedte van het voertuig bedroeg 3.13 meter en de lengte 9. 10 meter. Om met een dergelijk landbouwvoertuig over de openbare weg te rijden is een ontheffing nodig krachtens het Voertuigreglement. Deze ontheffing ontbrak.

2.5. Bij het passeren van het landbouwvoertuig, van [gedaagde sub 1] is [betrokkene 1] ten val gekomen en onder een van de wielen van het landbouwvoertuig terechtgekomen. [betrokkene 1] is als gevolg hiervan zwaar gewond geraakt. 's Avonds is hij in het Ziekenhuis te Gent aan zijn verwondingen overleden.

2.6. [gedaagde sub 1] is in verband met de aanrijding bij onherroepelijk vonnis van de

kantonrechter te Terneuzen d.d. 7 december 1999 veroordeeld tot betaling van geldboetes van totaal f.2.000,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

3. Het geschil en de beoordeling

3.1. Eisers vorderen van gedaagden betaling, van f.50.000,-- aan ieder van hen met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure. Volgens hen is gedaagde [gedaagde sub 1] aansprakelijk voor de door hen geleden schade als gevolg van het ongeval dat hun vader is overkomen in hun aanwezigheid. De schade bestaat uit een aanzienlijk geestelijk letsel in de vorm van angsten, depressiviteit, slaapstoornissen en ernstige concentratiestoornissen.

Zo stellen zij dat [gedaagde sub 1] bij het passeren van de zonen en de [betrokkene 1] met het door hem bestuurde landbouwvoertuig niet of onvoldoende is uitgeweken, althans heeft hij verzuimd zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. Daarnaast stellen zij dat ook zij zelf fysiek in gevaar hebben verkeerd door het rijgedrag van [gedaagde sub 1]. Volgens de [eisers sub 1 en 2] reden zij tezamen met hun vader in een rechte lijn achter elkaar en heeft het landbouwvoertuig van [gedaagde sub 1] hen slechts op een haar na gemist.

De vorderingen zijn door gedaagden bestreden.

3.2.1. Eisers stellen dat Interpolis aansprakelijkheid heeft erkend. Zij hebben daarbij verwezen naar de brief van Interpolis aan DVV Verzekeringen (productie 1, conclusie van repliek) waarin het volgende is opgenomen: "met deze brief bevestig ik u dat wij inderdaad een schademelding ontvingen van onze verzekerde Maatschap R & M [gedaagde sub 1] uit Philippine over dit tragische ongeval.

Naar aanleiding van die melding en na inzage van het procesverbaal kan ik u berichten dat wij de aansprakelijkheid van onze verzekerde volledig kunnen erkennen. Ik verzoek u dan ook mij in het bezit te willen stellen van een gespecificeerde schadeopgave. U wilt daarbij naar ik aanneem wel rekening, houden met de toepassing van art. 6: 108 lid 2 BW en de daarmee verband houdende beperkte kring van gerechtigden. Het Nederlands recht kent immers niet de uitgebreide regeling voor nabestaanden zoals die in België bekend is .... enz."

3.2.2. Gedaagden stellen dat Interpolis met die brief alleen aansprakelijkheid heeft erkend voor de schade die is geleden als gevolg van het overlijden van [betrokkene 1].

3.2.3. Voor een beroep op erkenning van de aansprakelijkheid voor de gevorderde schade doen eisers uitsluitend een beroep op de hierboven geciteerde brief, gesteld noch gebleken is dat eisers toen reeds een eigen vordering bij Interpolis of [gedaagde sub 1] hadden ingediend

Gebaseerd op onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] jegens hen. Uit de brief van Interpolis kan, mede (gelet op de laatste 2 zinnen van het citaat, dan ook niet meer worden gelezen dan een erkenning van aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het overlijden van [betrokkene 1].

Deze grondslag kan dus niet dienen voor toewijzing van de vordering van eisers.

3.3.1. Eisers stellen dat [gedaagde sub 1] geen ontheffing had voor het rijden met zijn landbouwvoertuig, terwijl zo'n ontheffing wel vereist was. Hij heeft daarmee ook jegens eisers een zorgvuldigheidsnorm overtreden. Indien hij de ontheffing wel zou hebben aangevraagd dan zou hij gewezen zijn op zijn verplichting bij het tegenkomen van andere voertuigen of weggebruikers zoveel mogelijk aan de rechterzijde van de rijbaan te gaan rijden en indien nodig het voertuig tot stilstand te brengen.

3.3.2. Gedaagden erkennen dat [gedaagde sub 1] geen ontheffing had gevraagd. Zij stellen echter dat indien hij die ontheffing wel zou hebben gevraagd, deze ook zonder meer afgegeven zou zijn. Het enkele feit dat er geen ontheffing was gevraagd en verleend, maakt nog niet dat [gedaagde sub 1] ook onrechtmatig jegens eisers zou hebben gehandeld.

3.3.3. Onbetwist is dat [gedaagde sub 1], indien hij de ontheffing zou hebben aangevraagd, deze ook verleend zou zijn. Hij mocht dus in beginsel -zij het met ontheffing- op de weg waar het ongeval plaatsvond rijden en eisers dienden ook rekening te houden met de aanwezigheid van een dergelijk voertuig op de weg. Het enkele ontbreken van de ontheffing, een formeel vereiste, maakt het rijgedrag ten opzichte van eisers niet onzorgvuldig.

3.4.1. Eisers stellen verder dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door met het door hem bestuurde landbouwvoertuig niet, althans onvoldoende naar rechts te zijn uitgeweken althans zijn landbouwvoertuig bij het naderen van de fietsers niet tot stilstand te hebben gebracht. Hij heeft daarmee niet alleen hun vader maar ook henzelf in gevaar gebracht. Ter onderbouwing van hun stelling, verwijzen eisers naar de overgelegde processen verbaal van politie. Tevens verwijzen zij naar de veroordeling van [gedaagde sub 1] door de kantonrechter.

3.4.2. Gedaagden stellen dat [gedaagde sub 1] wel is uitgeweken voor de fietsers. Zij verwijzen naar hetzelfde proces-verbaal van politie waarin wordt vermeld dat er sporen zijn gevonden in de berm tot 85 cm van de rand van de weg. Ook verwijzen zij naar de conclusie in het proces-verbaal waarin staat dat zowel [gedaagde sub 1] als eisers en hun vader het ongeval hadden kunnen voorkomen.

3.4.3. De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van het vonnis van de kantonrechter van 7 december 1999 uitgesproken in de strafzaak tegen [gedaagde sub 1]. Het vonnis bevond zich niet bij de stukken in het procesdossier maar beide partijen spreken erover en daarom is de rechtbank vrij van dat vonnis kennis te nemen en het in haar beoordeling te betrekken. [gedaagde sub 1] is door de kantonrechter veroordeeld voor overtreding van art. 5 van de Wegenverkeerswet 1994, voor overtreding van art. 5.7.6. lid 2 Voertuigenreglement (rijden zonder ontheffing) en voor overtreding van het bepaalde bij artikel 30 eerste lid van het RVV 1990. Dit vonnis is onherroepelijk. Hiermee staat vast dat [gedaagde sub 1] zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.

Naast deze strafrechtelijke veroordeling is het volgende van belang.

[gedaagde sub 1] heeft de die fietsers tijdig waargenomen. Hij verklaart zelf voor de fietsers uitgeweken te zijn. Hoewel dit door eisers wordt betwist zal de rechtbank daar veronderstellenderwijs van uit gaan. Hij heeft niet verklaard en evenmin is het gebleken dat hij bij de nadering van de fietsers zijn snelheid heeft verminderd. De rechtbank gaat er ook vanuit dat die snelheid niet verminderd is. [gedaagde sub 1] heeft zelf verklaard dat hij reed met een snelheid van ongeveer 20 km per uur en hij heeft verklaard dat hij het landbouwvoertuig nadat het ongeval had plaatsgevonden heeft laten uitrijden. Omdat, zoals uit het proces-verbaal blijkt, hij eerst 100 tot 150 meter na de plaats van het ongeval tot stilstand kwam moet zijn snelheid dan ook mede gelet op de omvang van het voertuig waarmee hij reed, aanzienlijk zijn geweest. Ook al zou hij dus zijn uitgeweken, dan heeft hij door daar op de smalle weg met onverminderde snelheid door te rijden alledrie de fietsers in groot gevaar gebracht. Daarbij is van belang dat zijn voertuig 3 cm breder is dan de weg ter plaatse van het ongeval ( 3. 10 meter en 3.13 meter). Verder is van belang dat hij blijkens de foto's met een omvangrijk voertuig reed met hoge en brede banden, zeker ten opzichte van fietsers. Daarnaast is het zo dat al zou [gedaagde sub 1] zijn uitgeweken zoals door hem verklaard, er dan nog maar 83 cm resteerde tussen zijn landbouwvoertuig en de voor de fietsers rechterberm. Gelet op de breedte van het stuur van de fiets (42 cm) en de fietser (schouderbreedte) is dat een dermate smalle strook die voor de fietser overblijft dat die niet als voldoende veilig kan worden gekwalificeerd. Hierbij speelt de omvang van het landbouwvoertuig van [gedaagde sub 1] en de onverminderde snelheid waarmee hij heeft gereden uiteraard een grote rol.

Door met een dergelijk voertuig met onverminderde snelheid zo dicht langs een groep fietsers te rijden heeft hij zeer onzorgvuldig gehandeld ten opzichte van alledrie de fietsers. Daarmee staat de onrechtmatigheid jegens eisers vast.

Gedaagden doen nog een beroep op het proces-verbaal van politie waarin als mening van de politie te kennen wordt gegeven dat ook de fietsers hadden moeten uitwijken.

In de eerste plaats stellen eisers dat zij ook zijn uitgeweken. Uit de overgelegde verklaringen blijkt in leder geval dat de voorste fietser [eiser sub 2] de berm in is gereden. Ook wordt in het proces-verbaal melding gemaakt van de sporen van de fiets van [betrokkene 1] in de berm. Uit de verklaring van eisers blijkt dat zij in ieder geval snelheid hebben geminderd.

Uiteraard zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden indien de drie fietsers in de berm waren gaan stilstaan en de weg geheel hadden vrijgemaakt. Dit kon [gedaagde sub 1] redelijkerwijs niet verwachten. In leder geval valt een eventueel verwijt in dit opzicht in het niet ten opzichte van het verkeersgedrag van [gedaagde sub 1]. Er is dan ook geen sprake van eigen schuld.

3.5.l. Eisers stellen dat zij shockschade hebben opgelopen, omdat zij hun vader voor hun ogen hebben zien verongelukken en geconfronteerd zijn met zijn zwaar verminkte lichaam.

Zij zijn nog steeds in behandeling bij een psychiater. Deze aan hen toegebrachte schade was voor [gedaagde sub 1] voorzienbaar. Dat er sprake is van psychische schade hebben de eisers onderbouwd met behulp van een rapport van psychiater [naam psychiater].

3.5.2. Gedaagden betwisten dat er sprake is van shockschade. Zij stellen dat [eiser sub 2], de fietser die voorop reed, het ongeluk niet heeft zien gebeuren. Alleen [eiser sub 1], die als laatste fietser daar reed heeft het ongeluk zien gebeuren. Verder hebben gedaagden betwist dat [betrokkene 1] uiterlijk een zwaar verminkt lichaam had. Uit de verklaringen blijkt alleen van een bloedende hoofdwond. Verder wijzen zij erop dat het slachtoffer niet onmiddellijk dood was maar pas later op de dag in het ziekenhuis is

overleden.

Ook stellen gedaagden dat onvoldoende onderbouwd is dat er sprake is van psychische schade. Het overgelegde rapport is daartoe onvoldoende.

De gevorderde schade van f.50.000,-- voor ieder van de eisers vinden gedaagden bovenmatig naar Nederlandse maatstaven. Gedaagden stellen dat de lagere Belgische normen moeten worden toegepast omdat eisers Belgen zijn.

3.5.3. Het verweer dat [eiser sub 2] het ongeval niet heeft zien gebeuren omdat hij voorop reed en dat er dus geen sprake van shockschade kan zijn, gaat niet op. [eiser sub 2] heeft kort na het ongeval ten overstaan van de politie verklaard dat hij zelf de berm is ingereden omdat het landbouwvoertuig geen vaart minderde, dat hij achteromkeek en toen zijn vader zag vallen en tegen het wiel van het landbouwvoertuig zag komen. Voorts heeft hij gezien dat het wiel over zijn vader heenreed. Door gedaagden is niets gesteld op grond waarvan aan deze verklaring zou moeten worden getwijfeld. De rechtbank gaat dan ook

uit van de juistheid ervan. Ook [eiser sub 1], die achter zijn vader reed, heeft het ongeval zien gebeuren. Beide broers zijn dus op gelijke wijze geconfronteerd met het ongeval van hun vader.

Ten gevolge van het ongeval heeft [betrokkene 1] ernstig letsel opgelopen. Uit het procesverbaal blijkt dat het gaat om diverse fracturen: een bekkenbreuk, enkele gebroken ruggenwervels en een aantal inwendige bloedingen. Verder had hij een grote wond aan het achterhoofd. Onbetwist is dat het slachtoffer ten gevolge van dit letstel nog dezelfde dag is overleden.

[eiser sub 2] heeft hulp proberen te verlenen en werd dus direct geconfronteerd met zijn zwaargewonde vader. Ook [eiser sub 1] was zich kennelijk bewust van de ernst van het ongeval. Hij is blijkens zijn verklaring in het proces-verbaal van de politie achter het landbouwvoertuig aangelopen na het ongeval en heeft tegen [gedaagde sub 1] geroepen: "Je hebt iemand doodgereden". Deze omstandigheden zijn op zich voldoende basis voor een vordering op grond van zogenaamde shockschade. Dat het slachtoffer niet direct is overleden maar in de loop van de dag doet hieraan niet af omdat er ook in de tijd een rechtstreeks verband is tussen het ongeval en het overlijden van het slachtoffer.

Gelet op de betwisting van gedaagden dat er sprake is van shockschade zullen eisers hiervan nader bewijs dienen te leveren. De verklaringen van dokter [naam psychiater] onderbouwen wel hun stelling maar kunnen gelet op de betwisting door gedaagden, niet als bewijs worden gebruikt. [naam psychiater] is kennelijk de psychiater van eisers. Gedaagden mogen de mening van een onafhankelijke deskundige verlangen.

De deskundige zal worden gevraagd antwoord te geven op de vraag of sprake

is van psychisch letsel bij de eisers en of dit letstel een gevolg is van de confrontatie met de directe gevolgen van de aanrijding zoals die op 10 februari 1998 heeft plaatsgevonden.

Partijen wordt gevraagd aan te geven of zij 1 of 3 deskundigen benoemd willen zien. Ook kunnen zij suggesties doen voor de te stellen vragen.

3.6 Indien zou komen vast te staan dat er sprake is van shockschade zal de rechtbank ter bepaling van de immateriële schade de in Nederland geldende normen hanteren. Het ongeval heeft in Nederland plaatsgevonden en dient zowel voor wat betreft de aansprakelijkheid als de daaruit voortvloeiende gevolgen naar Nederlands recht beoordeeld te worden. Het enkele feit dat eisers de Belgische nationaliteit hebben verandert daaraan niets.

4. De beslissing

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de rol van 14 februari 2001 voor het nemen van een akte als bedoeld in 3.5.3. (deskundigenbericht) zowel aan de zijde van eisers als de zijde van gedaagden;

bepaalt dat geen verder uitstel zal worden verleend;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.