Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2000:AA9303

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-11-2000
Datum publicatie
09-01-2003
Zaaknummer
Awb 99/702
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomenssuppletie ingevolge Wet REA moet naar haar aard beschouwd worden als een toeslag en niet als een loondervingsuitkering in de zin van de Toeslagenwet.

Vraag of inkomenssuppletie op basis van de Wet REA voor toepassing van de TW al dan niet is te beschouwen als een loondervingsuitkering of een uitkering die daarmede naar aard en strekking overeenkomt.

Rechtbank: gelet op artikelen 15 en 16 van de Wet REA is de suppletie een tijdelijke aanvulling op het inkomen boven de (theoretische) verdiencapaciteit. Suppletie moet naar haar aard dan ook beschouwd worden als een toeslag en niet als een loondervingsuitkering of daarmee naar aard of strekking overeenkomende uitkering. Ten onrechte suppletie voor vaststelling van het voor de TW in aanmerking te nemen inkomen meegerekend.

Beroep gegrond.

Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Mr. R.C.M. Reinarz

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet 1
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 15
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 16
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nr.: Awb 99/702

Uitspraak inzake :

A, wonende te B, eiser,

tegen

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Gak Nederland BV), verweerder.

1. Feiten en procesverloop.

Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: Wao) en daarnaast een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (hierna: Tw).

Met ingang van 1 april 1998 exploiteert eiser als zelfstandig ondernemer een tabaks-speciaalzaak.

Op zijn aanvraag daartoe heeft verweerder eiser bij besluit van 17 mei 1999 met ingang van 1 april 1998 inkomenssuppletie toegekend op grond van artikel 29 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea).

Bij besluit van 18 mei 1999 heeft verweerder de hoogte van de toeslag ingevolge de Tw van verweerder per 1 april 1998 verlaagd omdat zijn totale inkomen als gevolg van de toekenning van de inkomenssuppletie is gewijzigd.

Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 9 maart 1999 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het geschil is op 10 oktober 2000 behandeld ter zitting. Voor eiser is daar als gemachtigde verschenen zijn zuster Z-A. Verweerder heeft zich doen vertegen-woordigen door mr. H. Slabbekoorn-van >t Westeinde.

2. Gronden.

Ingevolge artikel 2, derde lid van de Tw heeft recht op toeslag een ongehuwde, die recht heeft op loondervingsuitkering, en per dag een inkomen heeft dat lager is dan 70% van het minimumloon.

Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tw bepaalt dat als inkomen wordt aangemerkt voor een ongehuwde: zijn inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroeps-leven.

Het Inkomensbesluit Toeslagenwet (KB van 24 december 1986, Stb. 1986, 659, hierna: het besluit) geeft nadere regels met betrekking tot het inkomen als bedoeld in artikel 6 Tw.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder a van het besluit - voorzover van belang - wordt voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verstaan: een loondervingsuitkering in de zin van de wet alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmede overeenkomt.

Verweerder heeft zijn besluit doen steunen op de volgende overwegingen. Eiser ontvangt met ingang van 1 april 1998 naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering een inkomenssuppletie ingevolge artikel 29 van de Wet Rea. Deze inkomenssuppletie wordt aangemerkt als een loondervingsuitkering danwel een uitkering die naar aard en strekking daarmede overeenkomt en moet daarom voor de vaststelling van het voor de toepassing van de Tw in aanmerking te nemen inkomen worden meegerekend.

Eiser voert aan dat het bestreden besluit de inkomenssuppletie op grond van de Wet Rea volledig teniet doet. Zijn inkomen, bestaande uit Wao-uitkering, toeslag op grond van de Tw en inkomenssuppletie ingevolge de Wet Rea, bestaat nu per 1 april 1998 weer uit hetzelfde bedrag, te weten het sociale minimum, als voorheen vóórdat hij die inkomenssuppletie ontving.

Eiser meent dat dit gevolg van het bestreden besluit in strijd is met de intentie van de Wet Rea om arbeidsgehandicapten, die door middel van een zelfstandig bedrijf of beroep een inkomen willen vergaren, de eerste 5 jaar financieel te ondersteunen.

Hij wijst er daarbij op dat personen die overigens in de dezelfde omstandigheden verkeren als hij, maar een inkomen hebben boven of gelijk aan het sociale minimum wel een inkomens-suppletie kunnen ontvangen op grond van de Wet Rea.

De rechtbank stelt vast dat dit geschil moet worden beantwoord aan de hand van de vraag of de uitkering ingevolge de Wet Rea voor de toepassing van de Tw al dan niet is te beschouwen als een loondervingsuitkering of een uitkering die daarmede naar aard en strekking overeenkomt.

In artikel 1 van de Tw, eerste lid onder f, is aangegeven wat onder een loondervingsuitkering in de zin van die wet wordt verstaan: een uitkering krachtens de verplichte verzekering inge-volge de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzeke-ring en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen alsmede een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Wet arbeids-ongeschiktheidsvoorziening militairen.

In deze expliciete en limitatieve opsomming ontbreekt de Wet Rea. Op grond van dit artikel is de uitkering ingevolge de Wet Rea niet als een loondervingsuitkering te beschouwen.

In de Nota van toelichting op het Inkomensbesluit Tw is nader omschreven wat als inkomen in verband met arbeid als bedoeld in artikel 7 van dat besluit moet worden verstaan, namelijk al het inkomen dat wordt genoten uit die dienstbetrekking nadat de dienstbetrekking is geëindigd.

Blijkens die toelichting wordt daarbij gedacht aan loondervingsuitkeringen en daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkeringen.

Een loondervingsuitkering moet aldus worden beschouwd als een uitkering die wordt genoten uit een dienstbetrekking nadat die dienstbetrekking is beëindigd. De in artikel 1 Tw genoemde uitkeringen bevestigen, gelet op de aard van die uitkeringen, dat uitgangspunt.

De inkomenssuppletie ingevolge de Wet Rea is echter van een andere aard. Gelet op de artikelen 15 en 16 van die wet is de suppletie een tijdelijke aanvulling op het inkomen boven de (theoretische) verdiencapaciteit. Naar het oordeel van de rechtbank moet de inkomens-suppletie ingevolge de Wet Rea naar haar aard dan ook worden beschouwd als een toeslag en niet als een loondervingsuitkering of daarmee naar aard of strekking overeenkomende uitkering in de hierboven bedoelde zin.

Dat leidt tot de conclusie dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers uitkering op grond van de Wet Rea voor de vaststelling van het voor de toepassing van de Tw in aanmerking te nemen inkomen moet worden meegerekend.

Gelet op het vorenstaande moet het bestreden besluit wegens strijd met de wet worden vernietigd. Het beroep is derhalve gegrond.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

bepaalt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van f 60,- (zestig gulden) vergoedt.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2000

door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.