Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2000:AA9087

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
15-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
781/1998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

d.d.15 november 2000

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MIDDELBURG

Sector Civiel Recht - Enkelvoudige Kamer

Vonnis in de zaak met nummer 19529 / HA ZA 98-781 van:

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN GOES,

kantoorhoudende te Goes,

eiser,

procureur: mr. C.H. Brinkman,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te (woonplaats), gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagden,

procureur: mr. J. Wind.

Eiser wordt hierna aangeduid als 'de ontvanger' en gedaagden als [gedaagde 1] en [gedaagde 2]en gezamenlijk als [gedaagden].

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de conclusie van eis met producties, waaronder het exploot van dagvaarding d.d. 9 oktober 1999;

- de conclusie van antwoord met productie;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek;

- de nadere conclusie van de ontvanger;

- de nadere antwoordconclusie van Kraal c.s..

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De feiten

1.1. Op 29 december 1988 is de besloten vennootschap Kraal International Engineering Services B.V. (verder te noemen Kraal Engineering) opgericht. Aan Kraal Engineering is op 6 juni 1994 een naheffingsaanslag opgelegd terzake van de omzetbelasting over het tijdvak 1989 en 1990. Kraal Engineering heeft van deze aanslag een bedrag van ƒ 21.366,31 onbetaald gelaten.

1.2. Op 1 juni 1984 is de besloten vennootschap Beheermaatschappij N. Kraal B.V. (verder te noemen: Beheermaatschappij Kraal) opgericht. Aan Beheermaatschappij Kraal zijn op 6 juni 1994 naheffingsaanslagen opgelegd terzake van de omzetbelasting over 1990 en 1991 en de omzetbelasting over 1992. Van het totaalbedrag van deze aanslagen heeft Beheermaatschappij Kraal een bedrag van ƒ 187.359,- onbetaald gelaten.

1.3. Op 3 mei 1989 is de besloten vennootschap International Maritime Offshore Services B.V. (verder te noemen: IMOS) opgericht. Aan IMOS is op 6 juni 1994 een naheffingsaanslag opgelegd terzake van de omzetbelasting over 1989 en 1990 en zijn op 27 januari 1995, 28 februari 1995 en 10 oktober 1995 naheffingsaanslagen opgelegd terzake van de loonbelasting/premieheffing volksverzekeringen over 1994. Van het totaalbedrag van deze aanslagen heeft IMOS een bedrag ad ƒ 400.644,- onbetaald gelaten.

1.4. In de tijdvakken waarover de hiervoor genoemde aanslagen zijn opgelegd was [gedaagde 1], eerst via Kraal International Management B.V. en vanaf 22 mei 1995 via Kraal International Maritime Off-Shore Services B.V., bestuurder van Kraal Engineering en waren [gedaagden] beiden bestuurders van Beheermaatschappij Kraal en IMOS.

1.5. Kraal Engineering, Beheermaatschappij Kraal en IMOS (hierna gezamenlijk te noemen: de vennootschappen) hebben op 13 juni 1996 aan de ontvanger mededeling van betalingsonmacht gedaan, volgens de ontvanger niet tijdig.

1.6. Ultimo 1997 heeft de ontvanger een boekenonderzoek bij Kraal Engineering, Beheermaatschappij Kraal en IMOS laten uitvoeren. Hiervan is op 9 oktober 1998 een rapport opgemaakt.

1.7. Bij kennisgeving d.d. 30 juli 1998 heeft de ontvanger [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden van Kraal Engineering, Beheermaatschappij [gedaagde 1] en IMOS tot een bedrag van ƒ 634.290,01 en [gedaagde 2] voor de belastingschulden van Beheermaatschappij Kraal en IMOS tot een bedrag van ƒ 612.923,70.

1.8. [gedaagden] hebben hun aansprakelijkheid tijdig en gemotiveerd betwist.

1.9. Op 30 juli 1998 heeft de ontvanger conservatoir beslag doen leggen op het woonhuis van [gedaagden] te (woonplaats).

2. Het geschil

2.1. De ontvanger vordert [gedaagde 1] te veroordelen aan hem een bedrag van ƒ 634.290,01 te betalen en [gedaagde 2] te veroordelen aan hem een bedrag van ƒ 612.923,70 te betalen, beide bedragen te vermeerderen met de invorderingsrente vanaf de vervaldag van elk der desbetreffende naheffingsaanslagen en met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, de kosten van het beslag daaronder begrepen.

2.2. De ontvanger stelt hiertoe dat de vennootschappen hebben nagelaten tijdig mededeling van betalingsonmacht te doen, waardoor wordt vermoed dat de niet-betaling van de naheffingsaanslagen aan [gedaagden] te wijten is als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De ontvanger stelt zich dan ook op het standpunt dat [gedaagde 1] op grond van artikel 36 lid 4 Inv aansprakelijk is voor de genoemde belastingschulden van de vennootschappen en dat [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de belastingschulden van Beheermaatschappij Kraal en IMOS. Subsidiair stelt de ontvanger zich op het standpunt dat de vennootschappen onbehoorlijk zijn bestuurd en dat het niet betalen van de belastingschulden het gevolg daarvan is, zodat [gedaagde 1] op grond van artikel 36 lid 3 Inv aansprakelijk is voor de genoemde belastingschulden van de vennootschappen en [gedaagde 2] aansprakelijk is voor de belastingschulden van Beheermaatschappij Kraal en IMOS. Hiernaast zijn [gedaagden] volgens de ontvanger op grond van artikel 32 lid 2 Inv aansprakelijk voor de in de naheffingsaanslagen begrepen verhogingen en heffingsrente, alsmede voor de verschuldigde kosten en invorderingsrente, met dien verstande dat [gedaagde 2] niet aansprakelijk wordt gehouden voor de invorderingsrente ter zake van de naheffingsaanslag die aan Kraal Engineering is opgelegd. De ontvanger stelt daartoe dat het belopen van deze verhogingen te wijten is aan het kennelijk onbehoorlijke bestuur van [gedaagden].

2.3. [gedaagden] hebben de vorderingen van de ontvanger met de navolgende argumenten bestreden:

- de ontvanger vordert ten onrechte dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afzonderlijk worden veroordeeld voor de belastingschulden;

- de ontvanger is niet ontvankelijk, nu hij zijn vorderingen niet binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) aanhangig heeft gemaakt, althans nu ten aanzien van de verhogingen in strijd is gehandeld met artikel 6 EVRM;

- de ontvanger was op de hoogte van de betalingsonmacht, zodat de betalingsonmacht niet gemeld hoefde te worden althans de ontvanger had [gedaagden] erop moeten wijzen dat zij de betalingsonmacht moesten melden;

- er is geen sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. In het hiernavolgende zal de rechtbank de onder 2.3. vermelde verweren van [gedaagden] - voor zover vereist - afzonderlijk behandelen.

3.2. [gedaagden] hebben tegen de vorderingen van de ontvanger allereerst aangevoerd dat de ontvanger ten onrechte betaling van ieder van hen afzonderlijk vordert, nu de ontvanger bij toewijzing van zijn vorderingen, voor zover het de belastingschulden van Beheermaatschappij Kraal en IMOS betreft, het dubbele zou ontvangen. Dit verweer faalt. De rechtbank begrijpt de stellingen van de ontvanger aldus dat hij [gedaagden] aansprakelijk houdt voor het lagere bedrag van ƒ 612.923,70 en dat hij voorts [gedaagde 1] aansprakelijk houdt voor het restantbedrag ad ƒ 21.366,31. Dit betekent dat de ontvanger bij toewijzing van zijn vorderingen niet een hoger bedrag ontvangt dan waarop hij recht heeft.

Artikel 6 EVRM

3.3. Voorts stellen [gedaagden] dat de ontvanger in strijd met artikel 6 EVRM heeft gehandeld, doordat hij de onderhavige vorderingen niet binnen een redelijke termijn - volgens [gedaagden] maximaal 24 maanden na de dagtekening van de onderhavige aanslagen - aanhangig heeft gemaakt. Indien dit artikel niet geldt voor de door de vennootschappen verschuldigde belastingen, dan geldt dit artikel volgens [gedaagden] wel voor de in de vorderingen begrepen verhogingen. [gedaagden] stellen hiertoe dat die verhogingen als het instellen van strafvervolging jegens hen moeten worden gezien.

3.4. Met de ontvanger is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige geschil voor wat betreft de enkelvoudige belasting niet door het bepaalde in artikel 6 EVRM wordt beheerst. De rechtbank overweegt daartoe dat het vaststellen van een aanslag ten opzichte van de vennootschappen een financiële verplichting van fiscaalrechtelijke en derhalve van publiekrechtelijke aard betreft en dat dit karakter ook behouden blijft indien [gedaagden] voor de voldoening daarvan aansprakelijk zijn gesteld, zodat de beslissing daaromtrent niet is aan te merken als een "determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him" als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagden] zich ten aanzien van de enkelvoudige belasting ten onrechte op overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM beroepen.

3.5. Met betrekking tot de aan de vennootschappen opgelegde verhoging staat tussen partijen vast dat die oplegging wel wordt beheerst door de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen, zodat de vraag dient te worden beantwoord of in de onderhavige procedure de redelijke termijn van

dit artikel is overschreden. In dit kader heeft de ontvanger terecht opgemerkt dat dit aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld.

3.6. Met de ontvanger is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM op 30 juli 1998 is aangevangen. De rechtbank overweegt op dit punt dat de kennisgevingen van aansprakelijkstelling op 30 juli 1998 zijn uitgebracht en dat [gedaagden] eerst hieraan de verwachting konden ontlenen dat tegen hen een strafvervolging in de zin van een vordering tot betaling van een fiscale verhoging zou worden ingesteld. Hieraan doet niet af dat de onderhavige verhogingen geruime tijd vóór 30 juli 1998 zijn opgelegd, nu deze verhogingen destijds aan de vennootschappen waren opgelegd. Gelet hierop alsmede gelet op het feit dat de ontvanger [gedaagden] op 9 oktober 1998 heeft gedagvaard, is de rechtbank van oordeel dat het tijdsverloop niet van dien aard is dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden.

Melding betalingsonmacht

3.7. In de onderhavige procedure stellen [gedaagden] zich verder op het standpunt dat de ontvanger ten tijde van het vaststellen van de onderhavige naheffingsaanslagen reeds op de hoogte was van de betalingsonmacht van de vennootschappen, zodat het niet nodig was om een melding van betalingsonmacht te doen, althans dat zij op grond van de contacten die zij in de loop der jaren met de ontvanger hebben gehad, erop mochten vertrouwen dat de ontvanger van de betalingsonmacht van de vennootschappen op de hoogte was. Hiernaast stellen [gedaagden] dat de ontvanger geen invorderingsmaatregelen jegens de vennootschappen heeft genomen, omdat hij op de hoogte was van de betalingsonmacht van de vennootschappen en dat het de ontvanger bekend was dat Beheermaatschappij Kraal en IMOS hun activiteiten respectievelijk in 1994 en in het eerste kwartaal van 1995 hebben gestaakt. Voor zover dit niet het geval mocht zijn, stellen [gedaagden] zich op het standpunt dat de ontvanger hen erop had moeten wijzen dat zij de betalingsonmacht moesten melden, gelet op hetgeen de ontvanger bekend was of kon zijn.

3.8. Dit verweer slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe dat de ontvanger onvoldoende heeft betwist dat hij ten tijde van het vaststellen van de onderhavige naheffingsaanslagen van de betalingsonmacht van de vennootschappen op de hoogte was. Bovendien blijkt uit de door de ontvanger overgelegde producties niet dat [gedaagden] tijdens hun contacten met de ontvanger door (externe) deskundigen werden bijgestaan. De rechtbank moet het er dus voor houden dat de ontvanger [gedaagden] op de meldingplicht had moeten wijzen, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is om [gedaagden] aansprakelijk te houden op grond van het enkele feit dat tijdige melding van betalingsonmacht achterwege is gebleven.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur

3.9. De ontvanger heeft zijn vordering subsidiair gebaseerd op de stelling dat [gedaagden] de vennootschappen in de referentieperiode van drie jaren onbehoorlijk hebben bestuurd. De ontvanger stelt daartoe het volgende:

- In 1992 heeft Kraal Engineering bewust een bedrag van ƒ 407.461,80 inzake

het "project N.E.M. B.V." om onduidelijke redenen doorgeschoven naar Globe Oil Fields Services Ltd. (verder te noemen: Globe). Volgens de ontvanger valt [gedaagde 1] te verwijten dat hij Globe bij de (financiële) afwikkeling van het project heeft betrokken, zonder daarbij voldoende zekerheid voor betaling van de vordering op N.E.M. B.V. te verkrijgen en heeft [gedaagde 1] geen pogingen ondernomen om dit bedrag van Globe te incasseren.

- De administratie van Kraal Engineering over de periode 1992 tot en met 1996 voldoet niet aan de wettelijk gestelde eisen. Over die periode is geen kasadministratie (meer) aanwezig.

- De administratie van Beheermaatschappij Kraal over de periode 1992 tot en met 1996 is gebrekkig. Over die periode is geen kasadministratie (meer) aanwezig.

- In 1993 hebben [gedaagden] een bedrag van ƒ 260.000,- aan Beheermaatschappij Kraal onttrokken in verband met een poging om bankbiljetten van ƒ 1.000,- te (re)produceren. Volgens de ontvanger is het gehele bedrag van ƒ 260.000,- daarbij verloren gegaan.

- In 1993 hebben [gedaagden] een bedrag van ƒ 97.910,76 aan Beheermaatschappij Kraal onttrokken, waarmee zij contante betalingen aan niet in de loonadministratie opgenomen schoonmakers hebben gedaan.

- De administratie van IMOS over de periode 1992 tot en met 1996 voldoet niet aan de wettelijk gestelde eisen. Over die periode is geen kasadministratie (meer) aanwezig.

- [gedaagde 1] is als bestuurder van IMOS veroordeeld in verband met het wederrechtelijk onttrekken van zaken aan een fiscaal beslag.

- In 1993 hebben [gedaagden] een bedrag van ƒ 330.000,- aan IMOS onttrokken in verband met een poging om bankbiljetten van ƒ 1.000,- te (re)produceren. Volgens de ontvanger is het gehele bedrag van ƒ 330.000,- daarbij verloren gegaan.

3.10. [gedaagden] hebben hiertegen het volgende aangevoerd:

- [gedaagde 1] heeft wel incassomaatregelen genomen, doch deze hebben niet tot betaling geleid.

- [gedaagden] betwisten dat de administratie van de vennootschappen niet aan de gestelde eisen voldoet of dat deze gebrekkig is. Volgens [gedaagden] heeft de heer [gedaagde 1] verklaard dat er slechts één kasadministratie werd bijgehouden en dat die is zoekgeraakt. Hoewel [gedaagden] erkennen dat het zoekraken van de administratie voor een klein gedeelte aan de heer [gedaagde 1] kan worden verweten, stellen [gedaagden] zich op het standpunt dat dit niet zo ernstig is dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

- [gedaagde 1] erkent de onttrekking van zaken aan het fiscale beslag, doch stelt zich op het standpunt dat dit op een verkeerde inschatting van de consequenties van het gelegde beslag berustte. Volgens [gedaagde 1] is er geen sprake geweest van morele opzet en was de omvang van de onttrekking marginaal.

- [gedaagden] betwisten dat zij genoemde bedragen aan Beheermaatschappij Kraal en IMOS hebben onttrokken. Volgens [gedaagden] zijn zij het slachtoffer geworden van oplichting, waardoor genoemde bedragen uit de vennootschappen zijn verdwenen.

3.11. De rechtbank overweegt het volgende.

3.12. Met betrekking tot Kraal Engineering staat als niet of onvoldoende weersproken vast dat Kraal Engineering in 1992 bewust een bedrag van ƒ 407.461,80 inzake het "project N.E.M. B.V." heeft doorgeschoven naar Globe, zonder daarbij voldoende zekerheid voor betaling van de vordering op N.E.M. B.V. te verkrijgen. Hiernaast staat vast dat [gedaagde 1] onvoldoende maatregelen heeft genomen om dit bedrag te incasseren. De rechtbank stelt op dit punt vast dat de ontvanger onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde 1] geen aanmaningen heeft verstuurd en geen andere maatregelen heeft genomen om tot invordering te geraken, zoals het in de arm nemen van een incassobureau. Tenslotte staat ten aanzien van Kraal Engineering vast dat er over de periode 1992 tot en met 1996 geen kasadministratie was.

3.13. Met betrekking tot Beheermaatschappij staat eveneens vast dat er over de periode 1992 tot en met 1996 geen kasadministratie was. Hiernaast staat vast dat [gedaagden] in 1993 een bedrag van ƒ 97.910,76 aan Beheermaatschappij Kraal hebben onttrokken, waarmee zij contante betalingen aan niet in de loonadministratie opgenomen schoonmakers hebben gedaan. [gedaagden] hebben deze stelling van de ontvanger niet betwist. Tenslotte staat op grond van de gedingstukken vast dat [gedaagden] geld aan Beheermaatschappij Kraal hebben onttrokken om bankbiljetten te (re)produceren. De stelling van [gedaagden] dat zij het slachtoffer zijn geweest van oplichting doet hier niet aan af, nu [gedaagden] door hun handelwijze welbewust het risico hebben genomen dat het aan Beheermaatschappij Kraal onttrokken bedrag verloren kon gaan.

3.14. Het voorgaande geldt eveneens voor het bedrag ad ƒ 330.000,- dat [gedaagden] aan IMOS hebben onttrokken. Hiernaast staat met betrekking tot IMOS vast dat er over de periode 1992 tot en met 1996 geen kasadministratie was en dat [gedaagde 1] als bestuurder van IMOS is veroordeeld in verband met het wederrechtelijk onttrekken van zaken aan een fiscaal beslag.

3.15. Met de ontvanger is de rechtbank van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden geen redelijk denkend ondernemer zo zou hebben gehandeld als [gedaagden] hebben gedaan. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat aannemelijk is dat het niet betalen van de onderhavige belastingschulden door de vennootschappen het gevolg is van aan [gedaagden] te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, zodat [gedaagden] op grond van artikel 36 lid 3 Inv hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de belastingschulden van de vennootschappen waarvan zij destijds bestuurder waren. De vorderingen van de ontvanger zullen dan ook worden toegewezen.

3.16. Met betrekking tot de in de onderhavige naheffingsaanslagen begrepen verhogingen en de gevorderde invorderingsrente is de rechtbank van oordeel dat de ontvanger voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het belopen hiervan aan [gedaagden] is te wijten. De rechtbank overweegt hiertoe dat [gedaagden] geen feiten of omstandigheden hebben gesteld waaruit het tegendeel kan blijken. De in de aanslagen begrepen verhogingen en de gevorderde invorderingsrente komen dan ook voor toewijzing in aanmerking.

3.17. [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

DE BESLISSING

De rechtbank:

- veroordeelt [gedaagden] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de ontvanger een bedrag van ƒ 612.923,70 te betalen, vermeerderd met de invorderingsrente over de bedragen van de onder 1.2. en 1.3. genoemde naheffingsaanslagen vanaf de in punt 11 van de dagvaarding genoemde data;

- veroordeelt [gedaagde 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de ontvanger het restantbedrag van ƒ 21.366,31 te betalen, vermeerderd met de invorderingsrente over het bedrag van de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag vanaf de in punt 11 van de dagvaarding genoemde datum;

- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de ontvanger begroot op ƒ 7.600,- aan salaris voor de procureur en ƒ 7.007,20 aan verschotten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Westenberg, rechter-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2000 in tegenwoordigheid van de griffier