Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2000:AA6331

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
12/010921-99 en 12/011153-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSPOLITIERECHTER TE MIDDELBURG

politierechter

Parketnummer(s): 12/010921-99 en 12/011153-99 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 13 juni 2000

Tegenspraak

V O N N I S

van de politierechter te Middelburg in de strafzaken tegen:

(verdachte),

geboren op (geboortedatum) te Rotterdam,

wonende te (adres),

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M.J.F. Sul, advocaat te Goes.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 mei 2000.

De politierechter heeft ter terechtzitting de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De politierechter heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Hij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Kappeyne van de Coppello en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake het bij parketnummer 12/010921-99 onder feit 2 en bij parketnummer 12/011153-99 onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van in totaal ƒ 5.000,00 subsidiair 50 dagen hechtenis en ter zake het bij parketnummer 12/010921-99 onder feit 1 en bij parketnummer 12/011153-99 onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen

(1 prijslijst, geld Nederlands, 10 bankbiljetten a ƒ 10,=, 1 weegschaal, Tanita 1479 max. 100g, 1 beker, hash maker, 1 gripzakje) zullen worden verbeurd verklaard.

Ter zitting is voorts behandeld de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Op deze vordering doet de politierechter heden afzonderlijk uitspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit vonnis zijn gevoegd.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Standpunt verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging. Dat verweer is als volgt onderbouwd.

In het verleden kende Goes diverse coffeeshops. Verdachte exploiteerde een van deze shops. Tegen geen van deze shops werd bestuurlijk of strafrechtelijk opgetreden. In 1997 heeft de gemeente Goes een gedoogbeleid ontwikkeld voor coffeeshops. Ter uitvoering van dat beleid is aan twee coffeeshops een exploitatievergunning verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf. Verkoop van softdrugs wordt in die coffeeshops door gemeente en openbaar ministerie gedoogd. Verdachte heeft verzocht als derde coffeeshop een exploitatievergunning voor een alcoholvrij horecabedrijf te verkrijgen en/of het gedoogbeleid uit te breiden tot haar coffeeshop. Dat verzoek is door de gemeente Goes niet gehonoreerd. Tegen die beslissing is verdachte in rechte opgekomen. De bestuursrechter heeft de gemeente in het gelijk gesteld, maar tegen die beslissing is thans nog aanhangig een beroep van verdachte bij de Raad van State. De verwachting is gerechtvaardigd dat dit beroep wordt gehonoreerd. Gevolg daarvan is dat ook de coffeeshop van verdachte alsnog gedoogd zal moeten worden door de gemeente en -nu dit het gemeentelijk beleid in zoverre volgt- door het openbaar ministerie. Vervolging is in strijd met de door het openbaar ministerie zelf gehanteerde richtlijn nu door de gemeente gedoogde coffeeshops niet worden vervolgd tenzij in de richtlijn genoemde voorwaarden worden overtreden. Van een dergelijke overtreding is geen sprake.

Vervolging is bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de coffeeshop van verdachte uiteindelijk ook gedoogd zal moeten worden en zij dus aanspraak mag maken op een behandeling die vergelijkbaar is met die van de twee thans reeds gedoogde coffeeshops, te weten: geen strafrechtelijke vervolging.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft op dit verweer als volgt gereageerd.

Het is juist dat in het verleden tegen de coffeeshops in Goes -waaronder die van verdachte- niet strafrechtelijk is opgetreden. Na de invoering van het gemeentelijk beleid dat uitgaat van 2 gedoogde coffeeshops heeft het Openbaar Ministerie, conform de eigen richtlijn, besloten in beginsel die coffeeshops niet te vervolgen. De coffeeshop van verdachte werd na invoering door de gemeente (niet langer) gedoogd. Om die reden is aan verdachte aangezegd, dat per 1

juli 1998 strafrechtelijk zou worden opgetreden. Dat is vervolgens gebeurd. Van handelen in strijd met de eigen vervolgingsrichtlijn is geen sprake. Daarbij komt, dat verdachte in haar coffeeshop verkocht heeft aan minderjarigen. Ingevolge de vervolgingsrichtlijn van het openbaar ministerie is dat een reden om, ook al zou verdachte bestuurlijk gedoogd zijn, toch strafrechtelijk op te treden.

Van handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake omdat de situatie van verdachte niet vergelijkbaar is met die van de twee gedoogde coffeeshops nu verdachte (bestuurlijk) niet (langer) gedoogd wordt.

Beoordeling

In de door het College van procureurs-generaal uitgevaardigde Richtlijn opsporings- en strafvorderingsbeleid strafbare feiten Opiumwet (verder: de richtlijn) van 10 september 1996 treedt het openbaar ministerie in beginsel niet op tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd. In deze zaak kan tot feitelijk uitgangspunt worden genomen dat de coffeeshop van verdachte niet wordt gedoogd door het lokale driehoeksoverleg Voorts geldt dat het openbaar ministerie zich -terecht- gebonden acht aan voormelde richtlijn.

Reeds omdat de coffeeshop van verdachte niet voldoet aan de voorwaarde dat deze gedoogd wordt door het lokale driehoeksoverleg geldt dat vervolging niet in strijd is met die richtlijn. Het feit, dat verdachte in bestuursrechtelijke procedures gedaan poogt te krijgen dat ook haar coffeeshop onder het bereik van het gemeentelijk gedoogbeleid valt doet aan het voorgaande niet af. De feitelijke situatie is nu eenmaal dat die coffeeshop in de tenlastegelegde periode niet werd gedoogd door het lokale driehoeksoverleg (waarin de gemeente partner, maar niet de enige partner is).

Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is evenmin sprake. Verdachte trekt een vergelijking met de wel gedoogde coffeeshops. Die vergelijking gaat echter niet op omdat het wezenlijke verschil tussen die coffeeshops en die van verdachte nu juist is het feit dat het eerstgenoemde duo wel maar verdachte door het lokale driehoeksoverleg niet wordt gedoogd. Waar de richtlijn dat onderscheid tot uitgangspunt neemt mocht het openbaar ministerie op basis van dat onderscheid beslissen tegen verdachte wel en tegen de twee gedoogde coffeeshops niet op te treden.

Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op of omstreeks 26 augustus 1999, in de gemeente Goes,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad:

-ongeveer 142,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van

een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd (hashish) en/of

-ongeveer 94,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van

een materiaal bevattende hennep,

zijnde hashish en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 26 augustus 1999,

in de gemeente Goes,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans éénmaal, heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

en/of vervoerd een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van niet meer dan 30 gram

van (een) materia(a)l(en) bevattende een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd (hashish) en/of bevattende hennep,

zijnde hashish en/of hennep (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

3.

zij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 augustus

1999 tot en met 9 november 1999, in de gemeente Goes, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig

heeft gehad, (een) (handels-) hoeveelheden van niet meer dan 30 gram, van een

materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd (hashish) en/of van een materiaal bevattende hennep, zijnde hashish

en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II;

4.

zij op of omstreeks 9 november 1999, in de gemeente Goes, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 252,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30

gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd (hashish) en/of ongeveer 277,2 gram, in elk geval

een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hashish en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II;

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De politierechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1. De voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. De voortgezette handeling van medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3. De voortgezette handeling van medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4. De voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie(s)

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de politierechter rekening gehouden met het volgende:

de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de politierechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft grote hoeveelheden softdrugs voorhanden gehad om te verkopen. Verdachte heeft ook op grote schaal verkocht, waaronder aan minderjarigen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat hashish en hennep de gezondheid van gebruikers ernstig schaden. Het algemeen belang vergt daarom naar huidig inzicht dat beleid gericht op beperking van het gebruik ook strafrechtelijk ondersteund wordt.

Verdachte heeft dat beleid niet willen respecteren, aldus meewerkend aan een -gemeten naar huidig inzicht- te grote verbreiding van soft drugs. Daarbij komt, dat zij ook aan minderjarigen heeft verkocht. Dat is ernstig omdat minderjarigen aldus de bescherming missen die de regelgeving inzake coffeeshops hen beoogt te bieden.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de politierechter in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 21 december 1999.

Blijkens dit uittreksel heeft verdachte zich reeds eerder schuldig gemaakt aan soortgelijke Opiumwetdelicten. Klaarblijkelijk hebben eerdere veroordelingen verdachte er niet van kunnen weerhouden opnieuw tot het plegen van strafbare feiten over te gaan.

Op grond van het bovenstaande acht de politierechter een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Bij het opleggen van de vermogensstraf heeft de politierechter rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De politierechter heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 56 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De politierechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders te laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 4 tot een gevangenisstraf voor de duur van

2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voor feit 2 en feit 3 tot een geldboete van in totaal ƒ 5.000,00 (vijfduizend gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 (vijftig) dagen.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen:

1 prijslijst, geld Nederlands 10 bankbiljetten a ƒ 10,00, 1 weegschaal Tanita 1479 max. 100g, 1 beker hash maker en 1 gripzakje.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, politierechter, in tegenwoordigheid van A.J. Polderdijk als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juni 2000.