Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2000:AA6330

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
12/006031-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer(s): 12/006031-98

Datum uitspraak: 21 juni 2000

Tegenspraak

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen de verdachte:

(verdachte),

geboren op (geboortedatum) te Middelburg,

wonende te (adres),

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. E.G.M. Smit, advocaat te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2000, na verwijzing door de politierechter in deze rechtbank op de terechtzitting van 29 maart 2000.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Flikweert en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft meegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben indien de rechtbank in plaats van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf de straf van het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte zal opleggen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting van de politierechter van 29 maart 2000 op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit vonnis gevoegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde

bijlage die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Voorwaardelijk opzet

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op korte afstand met een houten klomp met kracht in de richting van het slachtoffer heeft gegooid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer met die klomp in het gezicht zou raken en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie(s)

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;

de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

De verdachte heeft tijdens een avond stappen, onder invloed van alcohol, op korte afstand

een houten klomp in de richting van een hem onbekende jongen gegooid, waardoor die jongen in het gezicht is getroffen en aan één oog geheel blind is geworden, zonder uitzicht

op herstel. Dit gebeurde op het terras van een café, na afloop van de door Nederland verloren voetbalwedstrijd tegen Brazilië tijdens het wereldkampioenschap voetbal in 1998. De verdachte had in verband met die wedstrijd die klompen aangetrokken.

De verdachte, die een vervelende opmerking had gemaakt tegen een derde, werd door het slachtoffer tot kalmte gemaand waarbij het slachtoffer zijn hand in de richting van de verdachte uitstak. De verdachte heeft daarop één van zijn klompen gepakt en heeft daarmee onmiddellijk in de richting van het slachtoffer gegooid. Ook al zou dat - zoals verdachte heeft aangevoerd - zijn gebeurd in reactie op een hand- of armgebaar van het slachtoffer, dan nog is deze reactie te vergaand geweest.

Een dergelijk agressief handelen van de verdachte is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Op dergelijk handelen past uit het oogpunt van generale en speciale preventie - ook na het tijdsverloop in deze zaak - in beginsel slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 5 juni 2000 waaruit blijkt dat de verdachte in 1991 een transactie van f. 250,00 heeft betaald wegens mishandeling;

het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 23 mei 2000 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg.

Uit bovengenoemde stukken blijkt dat de verdachte behoudens ter zake van voormeld feit niet met justitie in aanraking is gekomen, dat de verdachte zijn excuses aan het slachtoffer heeft aangeboden en dat de schade die het slachtoffer wegens het bewezenverklaarde feit heeft geleden inmiddels geheel is vergoed.

Verder is uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de verdachte

oprecht spijt heeft van hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan, dat hij wroeging heeft

van zijn daad - niet in de laatste plaats vanwege de ernstige gevolgen van zijn gedrag - en

dat hij door de tijd die inmiddels sinds het plegen van het feit is verstreken (bijna twee jaren) heeft geleden onder de onzekerheid over de afloop van deze strafzaak.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat de strafzaak

door het Openbaar Ministerie eerst is aangebracht bij de politierechter -die een gevangenisstraf van maximaal zes maanden kan opleggen- en dat de politierechter ambtshalve tot verwijzing naar de meervoudige strafkamer heeft beslist.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, gerechtvaardigd is.

De rechtbank zal de verdachte echter in plaats van het onvoorwaardelijk gedeelte van de overwogen gevangenisstraf overeenkomstig zijn aanbod en met zijn instemming het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren opleggen.

De onbetaalde arbeid zal moeten worden verricht in het kader van onderhouds- of andere werkzaamheden, nader vast te stellen in overleg met de betreffende dienstverleningscoördinator en afgestemd op de mogelijkheden van de verdachte en de beschikbaar staande projecten. Het is de rechtbank bekend dat de verdachte die arbeid binnen na te noemen termijn kan verrichten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders te laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Legt de verdachte op in de plaats van het onvoorwaardelijk deel, te weten vier maanden, van de overwogen gevangenisstraf: het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren, te weten onderhouds- of andere werkzaamheden bij één van de projecten, vermeld op de bij de Reclassering Middelburg, Vrijlandstraat 33 te Middelburg of Nieuwstraat 2-4 te Terneuzen, beschikbare lijst van door deze rechtbank en het openbaar ministerie goedgekeurde werkstrafprojecten.

Bepaalt dat de arbeid dient te worden aangevangen binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis en dient te worden verricht binnen twaalf maanden na aanvang van de arbeid.

Veroordeelt verdachte tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Begheyn, voorzitter, mrs. A. van Wamel en G.H. Nomes, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Francke als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2000.