Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2000:AA6260

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
12/000048-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 12/000048-99

Datum uitspraak: 21 juni 2000

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 25 december 1999

Datum voorlopige hechtenis: 28 december 1999

Opheffing/schorsing voorlopige hechtenis/invrijheidstelling: n.v.t.

------------------------------------------------

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1948 te [geboorteplaats]

wonende Middelburg,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting De Torentijd te Middelburg, Torentijdweg 1.

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. M.C. van der Want, advocaat te Zierikzee.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2000.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J.A. Groen en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van moord en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Namens verdachte is gesteld dat verdachte van het hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken aangezien de opzet van verdachtes handelen niet op de dood van het slachtoffer gericht is geweest. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het sectierapport van 28 januari 2000 vermeldt als conclusie dat het overlijden van het slachtoffer zonder meer kan worden verklaard door de zeer uitgebreide letsels (zeer vele ribbreuken, zeer uitgebreide verbrijzeling van het leverweefsel met uitgebreid inwendig bloedverlies) die het gevolg zijn van de inwerking van uitwendig mechanisch botsend en samendrukkend geweld. Gelet op deze conclusie heeft verdachte kennelijk zeer fors geweld op het slachtoffer uitgeoefend en hij heeft door aldus te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer aan de gevolgen van dat geweld zou overlijden.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

- Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachtes geestvermogens ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde is gerapporteerd door twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines.

Het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 4 juni 2000 van dr.drs. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog/orthopedagoog en vast gerechtelijk deskundige, bevat als beschouwing en conclusie van die deskundige onder meer -zakelijk samengevat-:

Ten aanzien van de persoon van betrokkene komt een beeld naar voren van ernstige stoornissen in het passief-agressieve domein. Gezien de instabiliteit in relaties, werk, verblijfplaats, impulsiviteit naast de in het onderzoek in gedrag en woord geuite ‘leegheid’ is er sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis, waarschijnlijk van het borderline-type.

Verdachte leed tijdens het begaan van de hem tenlastegelegde feiten niet aan een gebrekkige ontwikkeling, doch wel aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens, zijnde een borderline persoonlijkheidsstoornis, met sterk passief-agressieve tendensen.

Indien de hem tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden geacht, kunnen deze hem niet geheel worden toegerekend. Er is sprake van een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport d.d. 29 februari 2000 van dr. J. van Borssum Waalkes, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, bevat als beschouwing en conclusie van die deskundige onder meer -zakelijk samengevat-:

Bij betrokkene is er sprake van een alcoholprobleem in de zin van afhankelijkheid en abusis op grond waarvan hij mogelijk een alcoholroes en black-out heeft gehad. Evidente persoonlijkheidspathologie wordt bij betrokkene niet waargenomen.

Betrokkene kent de gevaren van alcohol en had dus kunnen weten dat een overvloedige hoeveelheid drank wel eens zou kunnen betekenen dat situaties uit de hand lopen. Ik vind hem dan ook verantwoordelijk te stellen voor het feit dat hij zich in deze toestand heeft gebracht met alle gevolgen van dien. Gezien het feit dat er verder geen pathologie bij betrokkene naar voren komt acht ik de man dan ook volledig toerekeningsvatbaar voor hetgeen hij gedaan heeft (zichzelf in een alcoholroes brengen). Bij betrokkene is geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling des geestvermogens en geen ziekelijke stoornis.

Gelet op bovengenoemde adviezen, waarbij de rechtbank in haar overweging betrekt dat dr. L.E.E. Ligthart meerdere malen zelf aangeeft geen goed oordeel over de persoon van de verdachte te hebben kunnen vormen, neemt de rechtbank het deskundig oordeel van dr. J. van Borssum Waalkes over en maakt het tot het hare en wel in zoverre dat haars inziens de feiten aan de verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

Verweer inzake de strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft het verweer gevoerd dat het tenlastegelegde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend aangezien verdachte ten tijde van het plegen van het feit ‘stomdronken’ was.

De rechtbank acht niet zonder meer aannemelijk dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit zo dronken was dat hij niet meer wist wat hij deed. Zo de door verdachte gegeven voorstelling van zaken echter al als juist zou moeten worden aanvaard, dan kan verdachte zich daar naar het oordeel van de rechtbank niet tot zijn verontschuldiging op beroepen. Vast staat immers dat verdachte zich zelf dan in die toestand heeft gebracht terwijl dit alcoholgebruik vrijwillig is geweest.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;

de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft zijn 72-jarige huisgenoot, zonder directe aanleiding, op zeer gewelddadige wijze, te weten door het slachtoffer veelvuldig ernstig inwendig en uitwendig letsel toe te brengen, om het leven gebracht. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig delict en onherstelbaar leed berokkend aan de nabestaanden van het slachtoffer. Voorts wordt door een dergelijke daad de samenleving zeer ernstig geschokt.

Uit het oogpunt van een juiste normhandhaving kan op een dergelijk ernstig feit niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 2 maart 2000;

het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 28 december 1999 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg;

het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 16 februari 2000 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg;

het voornoemde over verdachte uitgebrachte rapport d.d. 29 februari 2000 van dr. J. van Borssum Waalkes, psychiater;

het voornoemde over verdachte uitgebrachte rapport d.d. 4 juni 2000 van dr. Drs. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog/orthopedagoog.

De door de officier van justitie gevorderde straf (te weten een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren) doet, gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de ernst van het feit is overwogen, onvoldoende recht aan de door de rechtbank in ogenschouw genomen omstandigheden. In dit kader weegt voor de rechtbank ook zwaar dat verdachte tot zijn handelen is gekomen zonder dat daartoe enige aanleiding is gebleken.

Het is op deze grond dat de rechtbank een zwaardere straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

verklaart niet bewezen dat de verdachte primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders te laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het subsidiair bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.T. Begheyn, voorzitter,

mrs. A. van Wamel en G.H. Nomes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Oosterveld als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2000.