Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:1999:AA5609

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
rolnr. 249/1997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

d.d. 29 december 1999

De arrondissementsrechtbank te Middelburg, enkelvoudige kamer, overweegt en beslist als

volgt inzake:

rolno. 249/97

[opposant],

wonende te [buurman van woonplaats], gemeente [gemeente],

opposant,

procureur: mr. C.H. Brinkman,

tegen:

de Gemeente Goes,

zetelende te [woonplaats],

geopposeerde,

procureur: mr. U.T. Hoekstra.

1. Het procesverloop

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 11 februari 1998. Nadien hebben partij-en elk een akte genomen.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Bij uitspraak van 6 maart 1998 heeft (de Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschil-len van) deze rechtbank het beroep van [opposant] tegen het besluit van het college van 12 december 1996 ongegrond verklaard. Het tegen die uitspraak door [opposant] ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) bij uit-spraak van 21 januari 1999 ongegrond verklaard.

Ter uitvoering van het onder 1. genoemd tussen-von-nis van de rechtbank zijn deze uit-spraken door de gemeente bij akte overgelegd.

2.2 De gemeente heeft zich in haar akte op het standpunt gesteld dat mede gelet op de onder 2.1 genoemde uitspraken van de rechtbank en de Afdeling rechtens is komen vast te staan, dat [opposant], door het in onderhavig geschil centraal staande uitrij-den van mest op 19 november 1996, de met het dwangbevel van 3 januari 1997 gevorder-de dwang-som van

f. 10.000,-- heeft verbeurd. [opposant] heeft zulks in zijn antwoordakte bestreden.

2.3 De rechtbank stelt vast dat noch in de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 1998, noch in de uitspraak van de Afde-ling van 21 januari 1999 een uitspraak is gedaan omtrent de in onder-ha-vig geschil cen-traal staande vraag of het op 19 novem-ber 1996 uitrijden van mest vanuit het mestbas-sin naar perceel U349 - waar-van vast staat dat de maatschap Van Stee dit toen niet in eigen-dom of in (teelt)pacht had, maar waarop de maatschap, volgens [opposant], op grond van een huurovereenkomst een gebruiksrecht had - een over-tre-ding ople-vert van het bij besluit van 12 de-cember 1996 ge-handhaafde dwang-som-besluit.

2.4 De rechtbank deelt derhalve niet het standpunt van de gemeente dat rechtens is komen vast te staan dat de in geding zijnde dwangsom is verbeurd, omdat het besluit van 12 decem-ber 1996 forme-le rechtskracht heeft verkregen en in dat besluit het bezwaar van [opposant] tegen het dwang-sombesluit ongegrond is verklaard mede op grond van de over-we-ging dat voor grond-ge-bon-den- gebruik noodzakelijk is dat sprake is van grond in eigendom of in (teelt)pacht. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat in de uitspraak van 6 maart 1998 uitdrukkelijk is overwogen dat voorbij wordt gegaan aan de vraag naar de toelaat-baar-heid van het uitrijden van mest naar gehuurd land.

Evenmin deelt de rechtbank het standpunt van [opposant] dat de Afdeling de in de bedoel-de -over-weging van de gemeente vervatte eis dat de grond in eigendom of in (teelt)pacht moet zijn, zou hebben verworpen. De Afde-ling heeft in de door [opposant] aangehaalde rechts-over-weging s-lechts overwogen dat gebruik van het mestbassin door de maat-schap Van Stee ten be-hoeve van haar onder-neming niet verbo-den is. De vraag wat onder gebruik ten behoeve van de onderne-ming moet worden ver-staan heeft de Afdeling niet beant-woord.

2.5 De recht-bank ziet zich dus gesteld voor de vraag of op 19 november 1996 sprake is geweest van grond-ge-bon-den gebruik van het mestbassin in de door partijen bedoelde zin, hetgeen, zoals overwogen in het tussenvonnis van 11 februari 1998, de uitleg betreft van de toepas-selijke be-stem-mings-planbepalingen.

2.6 Die uitleg is deels reeds gegeven in de uitspraak van de rechtbank van 6 maart 1998. Daarin is onder meer het volgende overwogen:

"Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het in geding zijnde perceel de bestemming "agrarische doeleinden", klasse B.

Artikel 13, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften bepaalt

-voor zover hier van belang- dat de als zodanig aangewezen gronden uitsluitend zijn bestemd voor akkerbouw, veeteelt, tuinbouw, fruitteelt, bloemkwekerij, boomkwekerij en bosbouw met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

(..........)

Naar het oordeel van de rechtbank moet (....) de (....) in artikel 13, eerste lid, gegeven doelomschrijving aldus worden begrepen dat met "daarbij behorende" werken wordt gedoeld op werken die tot de feitelijk geïntegreerde exploitatie-eenheid van een bepaald bedrijf behoren.".

Dat leidt in de bedoelde uitspraak vervolgens tot de volgende conclusie:

"Het gebruik van een mestbassin is derhalve toegestaan voor zover dit bassin behoort bij een bepaald agrarisch bedrijf en dat gebruik plaatsvindt in het kader van de exploitatie van dat bedrijf.".

De Afdeling kan zich hiermee blijkens haar uitspraak van 21 januari 1999 verenigen.

Het sluit bovendien aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling. In een uitspraak van 10 februari 1998 (zaaknr. H01.96.1216) heeft de Afdeling met betrekking tot een vergelijkba-re bestemmingsplanbepaling overwogen dat een redelijke uitleg van die bepaling zich er tegen verzet om een bedrijf als een agrarisch bedrijf in de zin van die bepaling aan te merken, indien niet sprake is van één feitelijk geïntegreerd bedrijf. Voorts heeft de Afde-ling in die uitspraak overwogen -dat een juridi-sche constructie daar los van staat.

De rechtbank ziet daarom aanleiding vorenstaande uitleg ook in het onderhavige geschil tot uit-gangs-punt te nemen.

2.7 Mede op grond van het onder 2.6 overwogene beantwoordt de rechtbank de onder 2.5 geformuleerde vraag ontkennend. Zij is van oordeel dat in het licht van het boven-staande een rede-lijke uitleg met zich meebrengt dat van gebruik van het mestbassin in het kader van de exploi-ta-tie van het bedrijf van de maatschap Van Stee slechts sprake is, indien en voor zover de uit het bassin afkomstige mest wordt uitgereden naar land dat feitelijk een geïntegreerd onderdeel uitmaakt van het bedrijf van de maatschap.

Daarvan is geen sprake in geval het gaat om land waarop slechts ingevolge een huurover-een-komst (eenmalig) een gebruiksrecht rust. Dat betekent dat, daargelaten de vraag of ten tijde hier van belang daadwerkelijk sprake was van huur door de maatschap Van Stee van het perceel U 349, met het op 19 november 1996 vanuit het mestbassin uitrijden van mest naar dat perceel sprake is geweest van overtreding van het dwangsombesluit.

Het primaire verweer van [opposant] moet daarom worden verworpen.

2.8 Het subsidiaire standpunt van [opposant] dient eveneens te worden verworpen, nu het tot hem gerichte dwangsombesluit formele rechtskracht heeft verkregen en hij derhalve ook in dit geval als overtreder dient te worden aangemerkt.

2.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [opposant] moet worden afgewezen en dat [opposant] als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroor-deeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van [opposant] af;

- veroordeelt [opposant] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op f. 370,- voor ver-schot-ten en f. 2.150,- voor procu-reurssala-ris.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van woensdag 29 december 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.