Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:1999:AA4120

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-10-1999
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
97/296
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nr.: Awb 97/296

Uitspraak inzake :

A., wonende te B, eiser,

tegen

de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

1. Feiten en procesverloop.

Bij besluit van 27 maart 1996 (Stcrt. 1996, nr. 68) heeft verweerder artikel 8 van de Beschikking visserij, visserijzone, zeegebied en kustwateren (hierna: de Beschikking) gewijzigd met de bedoeling om, behoudens een mogelijkheid tot verlening van vrijstelling, een verbod in te stellen op het rapen van schelpdieren in de gebieden bedoeld in bijlage 1 en bijlage 2 van de Beschikking, alsmede in ander gebieden die door de Minister kunnen worden aangewezen. Deze wijziging is op 6 april 1996 van kracht geworden.

Naar aanleiding van deze wijziging heeft eiser bij brief van 13 mei 1996 verzocht om een vergunning op grond van artikel 11, dan wel een vrijstelling of ontheffing op grond van artikel 12 van de Beschikking.

Bij besluit van 10 juni 1996 heeft verweerder hierop afwijzend beslist.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 31 januari 1997, kenmerk B176/4/HS, verzonden 3 februari 1997, heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld.

Het geschil is op 27 november 1999 behandeld ter zitting, alwaar voor eiser het woord is gevoerd door mr. H. van Pijkeren, advocaat te Zierikzee, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. H.G.J. Bouquet, ambtenaar ten departemente.

2. Gronden.

Artikel 8, eerste lid van de Beschikking visserij, visserijzone, zeegebied en kustwateren (hierna: de Beschikking) luidt sinds de wijziging van 27 maart 1996: "1. Het is verboden schelpdieren te rapen in de gebieden, bedoeld in bijlage 1 en bijlage 2, alsmede in andere gesloten gebieden die als zodanig door de Minister in de Staatscourant bekend zijn gemaakt, voor de duur dat de desbetreffende gebieden door hem gesloten zijn verklaard."

Eiser is primair van mening dat het bestreden besluit geen stand kan houden, omdat het daaraan ten grondslag liggende artikel 8, eerste lid van de Beschikking geen verbod inhoudt van het rapen van schelpdieren in de gebieden van de bijlagen 1 en 2. Eiser baseert dit op zijn interpretatie van de ver bodsbepaling dat slechts sprake is van een verbod voorzover de minister een gebied expliciet gesloten heeft verklaard. Vaststaat dat dat niet is geschied met betrekking tot die gebieden van bijlagen 1 en 2. Eiser beroept zich voor deze interpretatie van artikel 8 mede op een vonnis van de Economische Politierechter te Leeuwarden van 7 mei 1997.

Subsidiair meent eiser dat voor zover wel sprake is van een verbod, artikel 8 van de Beschikking onverbindend is. Eiser voert daartoe aan dat het rapen van schelpdieren niet kan worden aangemerkt als vissen in de zin van de Visserijwet, zodat die wet niet de juridische basis kan vormen voor een raapverbod. 'Vissen' moet naar de mening van eiser worden begrepen als het pogen om vis uit het water (in de zin van vloeistof) te bemachtigen. Aangezien eiser raapt op het droge, is er geen sprake van vissen, zo stelt hij. Indien 'water' zou moeten worden opgevat als het viswater, dan is eiser van mening dat in casu niet kan worden volgehouden dat de droogvallende gronden in de Waddenzee waarop eiser raapt behoren tot het viswater van de Waddenzee. Eiser verwijst daarvoor naar artikel 5:25 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede naar de Wet Grenzen Nederlandse Territoriale Zee en artikel 2 van de Machtigingswet Instelling Visserijzone.

Eiser is tenslotte de mening toegedaan dat het bestreden besluit, indien het verbod op zich wel rechtmatig moet worden geacht, desondanks niet in stand kan blijven, omdat in eisers geval nadeelcompensatie achterwege is gebleven.

Aangezien het bestreden besluit in eisers visie op een van voornoemde gronden moet worden vernietigd en daarom onrechtmatig is, dient verweerder naar de mening van eiser de schade te vergoeden die voortvloeit uit het bestreden besluit, welke schade zou bestaan uit door eiser gederfd inkomen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een juiste taalkundige lezing van artikel 8, gelet ook op de toelichtingen bij de wijzigingen van 9 oktober 1995 en 27 maart 1996, met zich brengt dat dit artikel een verbod inhoudt op het rapen van schelpdieren in de gebieden van bijlagen 1 en 2 van de Beschikking. Een andersluidende opvatting is gegeven de beide toelichtingen ondenkbaar, aldus verweerder. Verweerder verwijst voor de uitleg van het begrip vissen naar Van Dale's Woordenboek der Nederlandse taal, naar artikel 641 BW (oud) juncto artikel 575 BW (oud) en de artikelen 25, eerste en tweede lid, en 63, eerste lid van de Visserijwet.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij met verweerder van oordeel is dat artikel 8 van de Beschikking een verbod op het rapen van schelpdieren in de gebieden van bijlagen 1 en 2 van de Beschikking inhoudt en dat deze bepaling niet onverbindend is.

Verweerders uitleg van deze bepaling is taalkundig correct. Eisers uitleg daarentegen niet en bovendien rijmt deze uitleg niet met de toelichting bij artikel 8, waarin verwezen wordt naar de wijziging van 9 oktober 1995 en de uitspraak van de president van deze rechtbank. Dat de economische politierechter te Leeuwarden in zijn vonnis van 7 mei 1997 hierover anders heeft geoordeeld, doet daaraan niet af. Dat oordeel heeft uitsluitend betrekking op het strafwaardige karakter van het raapverbod. De beoordeling daarvan is niet (per definitie) dezelfde als de beoordeling van de rechtskracht van de desbetreffende bepaling door de bestuursrechter. De rechtbank acht zich dan ook niet gebonden aan bedoeld vonnis.

De rechtbank kan eiser voorts niet volgen in zijn interpretatie van het begrip "rapen". Ingevolge artikel 1, onder e. van de Beschikking wordt voor de toepassing van de Beschikking verstaan onder "rapen": het vergaren, niet zijnde het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van schelpdieren. Hier wordt naar het oordeel van de rechtbank slechts het vissen met enig vistuig uitgesloten van de definitie en niet het vissen als zodanig, zoals eiser betoogt. Het rapen dient daarnaast naar zijn aard verwant te worden geacht aan de visserij in enge zin. Het valt daarom niet in te zien dat de in de visserijwetgeving opgenomen regulerende en beperkende maatregelen niet tevens betrekking zouden kunnen hebben op rapen. Een dergelijke conclusie zou te zeer afbreuk doen aan de doelstelling van die visserijwetgeving. Voor eisers beperkte uitleg van "water", bedoeld in artikel 1 van de Visserijwet, als de vloeistof en niet het viswater heeft de rechtbank geen steun kunnen vinden in enige van de door eiser genoemde bepalingen.

Nu ook overigens niet is gebleken van redenen om de onverbindendheid van de onderhavige verbodsbepaling aan te nemen, moet vervolgens in het kader van de toepassing van het raapverbod worden beoordeeld of er voor verweerder aanleiding had moeten zijn om voor eiser een uitzondering te maken.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8 van de Beschikking wordt van het verbod, bedoeld in het eerste lid, vrijstelling verleend aan bepaalde categorieën rapers. Vaststaat echter dat eiser onder geen van deze categorieën is te rangschikken en dus geen aanspraak kan maken op een dergelijke vrijstelling.

Artikel 11 van de Beschikking bepaalt vervolgens onder meer dat het in artikel 8 gestelde verbod niet geldt voor degene, die voorzien is van een vergunning van de minister. Tenslotte kan de minister op grond van artikel 12 vrijstelling of ontheffing verlenen van het bepaalde in de beschikking.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gebieden bedoeld in bijlage 1 en 2 zijn gesloten op grond van zijn beleid om in die gebieden het lokale herstel van bodembiotopen, zoals oude mosselkokkelbanken en zeegrasvelden, mogelijk te maken, welk beleid mede wordt gedragen door de visserijsector. Ten tijde van het bestreden besluit diende dat beleid nog geëvalueerd te worden. Vrijstelling of ontheffing van het raapverbod in die gesloten gebieden werd daarom niet wenselijk geacht. Dit standpunt komt de rechtbank niet onredelijk voor. Nu eiser, afgezien van het voorgaande, terzake niets heeft aangevoerd, moet worden gezegd dat verweerder in redelijkheid vergunning, vrijstelling en ontheffing als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van de Beschikking heeft kunnen weigeren.

De rechtbank ziet voorts geen grond voor het oordeel dat aan eiser vanwege de sluiting van bepaalde gebieden enige vorm van nadeelcompensatie had moeten worden toegekend. De omstandigheid dat niet overal kan worden gevist is nu eenmaal inherent aan de visserij en betreft een voor eiser voorzienbaar risico, gelet ook op de Structuurnota Zeeen Kustvisserij. Niet aannemelijk is geworden dat eiser door het bestreden besluit onevenredig zwaar wordt getroffen, in die zin dat het rapen van schelpdieren hem daardoor (nagenoeg) volledig onmogelijk wordt gemaakt.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Eisers verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb is derhalve niet aan de orde.

Dit leidt tot de volgende uitspraak.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 1999 door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. J.F.I. Sinack als griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.