Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:1999:AA4116

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-10-1999
Datum publicatie
08-08-2003
Zaaknummer
Awb 98/315 en Awb 99/691
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2000, 74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nrs.: Awb 98/315 en Awb 99/691

Uitspraak inzake :

A en B te C, eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg, verweerder.

1. Feiten en procesverloop.

Bij besluit van 7 januari 1998 is aan eisers met ingang van 12 november 1997 -na een korte onderbreking- een uitkering krach- tens de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, waarbij een korting van 20% over twee maanden is toegepast onder de over- weging dat eisers in de laatste 11 maanden wederom niet aan- toonbaar hebben gesolliciteerd.

Bij besluit van 7 april 1998 heeft verweerder opnieuw een sanctie toegepast in de vorm van een korting van 20% over de periode van 1 maart 1998 tot en met 30 juni 1998 omdat eisers volharden in hun houding om nauwelijks of geen werk in loon- dienst te zoeken.

Bij besluit van 30 juni 1998 heeft verweerder eisers een sanctie opgelegd in de vorm van een korting van 95% over de maanden juli en augustus 1998.

Tegen laatstgenoemd besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend. Naar aanleiding van het bezwaar heeft op 24 september 1998 een hoorzitting plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij besluit van 12 oktober 1998, verzonden 10 november 1998, het bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank (reg.nr. Awb 98/691).

Bij besluit van 1 februari 1999 heeft verweerder besloten de uitkering van eisers over de maanden januari en februari 1999 te verlagen met 10%.

Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 12 februari 1999. Tevens hebben eisers de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 26 februari 1999 heeft de president dit verzoek toegewezen en verweerders besluit van 1 februari 1999 geschorst.

Bij schrijven van 2 juni 1999, ingekomen bij de rechtbank op 7 juni 1999, hebben eisers beroep ingesteld tegen het door ver- weerder niet tijdig beslissen op het bezwaar van 12 februari 1999 (reg.nr. Awb 99/315).

Beide geschillen zijn op 7 oktober 1999 behandeld ter zitting, alwaar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten nader toe te lichten. Eisers zijn in persoon verschenen, bij- gestaan door hun gemachtigde mr. F.A. van den Berg, mede- werkster bij het Buro voor Rechtshulp. Voor verweerder is verschenen de gemachtigde R.J. de Boer, ambtenaar ter secretarie.

2. Gronden.

Ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking een aantal verplichtingen, waaronder de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.

Blijkens artikel 107, tweede lid, van de Abw gelden bovenge- noemde verplichtingen niet voor de ouder met een volledig ver- zorgende taak voor een of meer ten laste komende kinderen jonger dan vijf jaar.

Ingevolge artikel 107, derde lid, van de Abw geldt ten aanzien van een ouder met een gedeeltelijk verzorgende taak of gehuw- den die de verzorgende taak gezamenlijk uitoefenen, dat de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid aan die ouder onderscheidenlijk die ouders worden opgelegd met dien verstande dat deze onderscheidenlijk ieder van beiden voor de helft van de geldende volledige arbeidstijd per week beschik- baar moet zijn voor inschakeling in de arbeid.

Verweerder heeft zijn besluit van 12 oktober 1998 gegrond op de overweging dat eisers blijven volharden in het niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, danwel niet adequaat solliciteren naar arbeid in loondienst. Daarbij stelt ver- weerder dat, terwijl beiden een arbeidsverplichting hebben, eiseres niet als werkzoekende staat ingeschreven bij het Arbeidsbureau. Ook zou in juni 1998 opnieuw zijn geconstateerd dat de sollicitatie-activiteiten beneden peil waren. Het besluit van 1 februari 1999 is onder meer gebaseerd op het verwijt dat eiseres haar inschrijving bij het Arbeidsbureau per 1 december 1998 heeft laten verlopen en zich pas weer op 22 januari 1999 heeft laten inschrijven en dat zij niet heeft gesolliciteerd terwijl zij daartoe verplicht was.

Van het gezin van eisers maakt onder meer deel uit een kind jonger dan 5 jaar, te weten X, geboren [...] 1998. Vast staat voorts dat eisers te kennen hebben gegeven dat de volledige verzorgende taak voor dat kind door eiseres wordt gedragen.

Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat het uit- gangspunt van de Abw is het bieden van een bestaansgarantie en dat het streven van beide eisers er op moet zijn gericht om uit te stromen. Dit brengt volgens verweerder met zich mee dat van hen een ruime opstelling ten opzichte van de zorgplicht mag worden verlangd. Beiden hebben een arbeidsverplichting. Indien een van hen slaagt in het vinden van arbeid, betekent dat dat op dat moment de volledige verzorgende taak voor het kind als bedoeld in artikel 107, tweede lid, van de Abw op de ander komt te rusten. Onwil van de man kan geen reden zijn om af te zien van het opleggen van de arbeidsverplichting aan de vrouw. Zulks geldt volgens verweerder temeer nu de kansen van eisers op de arbeidsmarkt gering zijn en de enige reële optie om uit de bijstand te geraken moet worden gezocht bij eiseres.

Eisers hebben aangevoerd dat gelet op artikel 107 van de Abw voor eiseres de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, niet gelden, aangezien zij de volledige zorg heeft voor een kind jonger dan 5 jaar. Verder hebben zij aangevoerd dat eiser sinds 14 april 1998 volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van een ernstig ongeval.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het systeem van artikel 107 van de Abw houdt in dat indien een van de ouders de volledige verzorgende taak heeft voor een kind jonger dan 5 jaar, die ouder volledig is vrijgesteld van de uit het eerste lid van artikel 113 van de Abw voortvloeien- de verplichtingen en dat deze voor de andere ouder volledig gelden, terwijl indien sprake is van het gezamenlijk uitoefe- nen van de verzorgende taak die verplichtingen voor ieder van beiden voor de helft van de volledige arbeidstijd per week gelden. Blijkens de wetsgeschiedenis is de wetgever er daarbij vanuit gegaan dat het aan de ouders zelf is om in onderling overleg de rolverdeling met betrekking tot de verzorgende taak te bepalen. Het staat hen daarbij vrij ervoor te kiezen één van hen met de volledige verzorgende taak te belasten. In dat geval zal de ander volledig beschikbaar dienen te zijn voor de arbeidsmarkt. Om, in geval de ouders ervoor kiezen de verzorgende taak geza- menlijk uit te oefenen, te waarborgen dat een reële kans op uitstroom uit de bijstand blijft bestaan, is in het derde lid van artikel 107 bepaald dat in dat geval ieder van beiden voor de helft van de tijd beschikbaar moet zijn voor inschakeling in arbeid.

Het voorgaande brengt met zich mee dat in onderhavig geval de verplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw voor eiseres niet gelden. Eisers hebben er immers voor gekozen dat eiseres de volledig verzorgende taak voor X draagt. Verweerder heeft dus ten onrechte aangenomen dat ook voor haar de arbeidsverplichting gold en zijn besluitvorming ten onrech- te (mede) gegrond op het door eiseres niet voldoen aan die verplichting. Reeds wegens strijd met de wet kan verweerders besluit van 12 oktober 1998 daarom niet in stand blijven. Het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 is dus gegrond.

Overigens kan in verband met dit besluit nog worden opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt van enig onderzoek naar sol- licitatie-activiteiten van eiser in de bewuste periode, ter- wijl in diezelfde periode kennelijk bovendien sprake is geweest van een hem overkomen ernstig ongeval.

Met betrekking tot het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 12 februari 1999 overweegt de rechtbank dat vast staat dat verweerder ook thans nog niet op dat bezwaar heeft beslist. De overschrijding van de beslister- mijn van artikel 7:10, eerste lid van de Awb is daarom een feit, hetgeen verweerder ook erkent.

Verweerder heeft in dit verband nog aangegeven dat de uitkomst van het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 mede bepalend is voor de op bedoeld bezwaar te nemen beslissing en dat daarom is besloten die procedure af te wachten. Gelet op de uitdrukkelijke bepaling van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb stond het verweerder echter niet vrij zo te handelen. Verder uitstel dan mogelijk op grond van het derde lid van dit artikel was gelet op het vierde lid slechts mogelijk met uit- drukkelijke toestemming van eisers.

Ook het beroep tegen de (fictieve) weigering van verweerder te beslissen op het bezwaar is daarom gegrond.

Verweerder zal alsnog op het bezwaar van eisers dienen te beslissen en de rechtbank ziet reden daaraan een termijn te verbinden. Ter zitting hebben eisers nog verzocht om aan een zodanige bepaling een dwangsom te verbinden, maar daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding om verweer- der te veroordelen in de proceskosten. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze vast op f. 2.130,- uitgaande van zaken van gemiddelde zwaarte en totaal twee punten voor de beide beroepschriften en een punt voor de behandeling ter zitting.

Dit leidt tot de volgende uitspraak.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart zowel het beroep tegen het besluit van 12 oktober 1998 als het beroep tegen de (fictieve) weigering van ver- weerder te beslissen op het bezwaarschrift van eisers gericht tegen het besluit van 1 februari 1999 gegrond en vernietigt deze besluiten;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers gericht tegen het besluit van 30 juni 1998, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

bepaalt voorts dat verweerder alsnog een besluit dient te nemen op het bezwaar van eisers gericht tegen het besluit van 1 februari 1999, eveneens met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde, en wel binnen vier weken na kennisgeving van deze uitspraak;

bepaalt dat de gemeente Oostburg aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van totaal f. 115,- (honderdvijftien gulden) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op f. 2.130,- (eenentwintighonderd- dertig gulden), te betalen door de gemeente Oostburg aan eisers.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 1999 door mr. L.J.P. Lambooij, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.