Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:1998:AA3405

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-11-1998
Datum publicatie
08-07-2005
Zaaknummer
96/1194 WET
Formele relaties
Op verzet tegen : ECLI:NL:RBMID:1998:ZF3452
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen heeft beroep ingesteld tegen (een gedeelte) van een besluit van 5 november 1996 van de indiener van het verzetschrift (verder: OCW) over de subsidie voor de restauratie van de molen Eben Haëzer te Terneuzen.

Bij uitspraak van 28 april 1998 heeft deze rechtbank zich kennelijk onbevoegd verklaard en het beroepschrift doorgezonden naar OCW voor behandeling als bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nr.: Awb 96/1194 WET

Uitspraak op het verzet van:

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indiener van het verzetschrift.

1. Feiten en procesverloop.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen heeft beroep ingesteld tegen (een gedeelte) van een besluit van 5 november 1996 van de indiener van het verzetschrift (verder: OCW) over de subsidie voor de restauratie van de molen Eben Haëzer te Terneuzen.

Bij uitspraak van 28 april 1998 heeft deze rechtbank zich kennelijk onbevoegd verklaard en het beroepschrift doorgezonden naar OCW voor behandeling als bezwaarschrift.

Tegen deze uitspraak heeft OCW verzet gedaan.

De rechtbank heeft OCW op 7 oktober 1998 ter zitting gehoord.

2. Gronden.

Artikel 11, eerste lid van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten (hierna: Brrm) bepaalt dat de aanvraag om subsidie, vergezeld van een restauratieplan en een begroting van de restauratiekosten, wordt ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het desbetreffende beschermde monument is gelegen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid Brrm stellen burgemeester en wethouders de subsidiabele restauratiekosten zo spoedig mogelijk vast onder voorbehoud van goedkeuring door Onze minister. Artikel 15, eerste lid Brrm bepaalt dat Onze minister de beslissing op de aanvraag zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de eigenaar mededeelt.

Artikel 27, eerste lid Brrm bepaalt dat burgemeester en wethouders na beëindiging van de restauratie het subsidie zo spoedig mogelijk vaststellen onder het voorbehoud van goedkeuring door Onze minister. Ingevolge het tweede lid blijven bij de vaststelling van het subsidie kosten die niet reeds in de toezegging als subsidiabele restauratiekosten zijn goedgekeurd buiten beschouwing.

De beslissingsbevoegdheid voor wat betreft het Brrm is door de minister gedelegeerd aan OCW.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder c Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die goedkeuring inhoudt. In de uitspraak waarvan verzet heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op artikel 11, eerste lid, artikel 12, eerste lid en artikel 15 Brrm, de vaststelling van subsidiabele kosten door burgemeester en wethouders niet kan worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gericht besluit. De beslissing wordt genomen door de minister en er is dan ook geen sprake van een goedkeuringsbesluit. Daarom had tegen het besluit van 5 november 1996 bezwaar moeten worden gemaakt alvorens beroep in te stellen, aldus de rechtbank in bedoelde uitspraak.

OCW stelt zich op het standpunt dat zowel de vaststelling van de subsidiabele restauratiekosten als de vaststelling van het subsidie aan goedkeuring onderhevig zijn zodat, gelet op artikel 7:1 Awb, tegen deze besluiten geen bezwaar kan worden gemaakt alvorens beroep wordt ingesteld. Deze uitleg is bevestigd in de uitspraak van 22 mei 1997 van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: ABRvS) en wordt ook door andere rechtbanken gehanteerd. In het nieuwe Brrm (Brrm 1997) is het rechtsmiddelprobleem opgelost. Er wordt niet meer gesproken van goedkeuring. De subsidiebeslissing ligt bij de minister; burgemeester en wethouders berekenen de subsidiabele kosten. Op basis van het "oude" Brrm zijn echter nog veel subsidiebeschikkingen genomen. Voor die zaken is het van praktisch belang dat eenduidigheid bestaat over het openstaande rechtsmiddel, zo meent OCW.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 19 augustus 1991 heeft OCW de subsidiabele restauratiekosten voor de restauratie van de molen Eben Haëzer te Terneuzen vastgesteld op fl. 234.195,-. Dit is de vaststelling, bedoeld in artikel 11 en 15 Brrm. In titel 4.2 van de Awb wordt hiervoor de term "subsidieverlening" gebruikt.

Volgens de gebruikelijke procedure van het Brrm (artikel 15, tweede lid) wordt bij deze vaststelling tevens het bedrag vermeld dat ten hoogste als subsidie kan worden verleend. Dat is hier niet gebeurd, volgens OCW omdat de gemeente Terneuzen de restauratie zelf heeft voorgefinancierd.

In oktober 1995 is de restauratie van de molen officieel voltooid.

Bij brief van 21 december 1995 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: B &W) de financiële verantwoording van de restauratie ingediend bij OCW en verzocht om definitieve vaststelling van de subsidiabele kosten en beschikbaarstelling van het subsidie. Het besluit van 5 november 1996 is genomen in reactie op dit verzoek.

Gelet op de systematiek van het Brrm moet het besluit van 5 november 1996 naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als de goedkeuring van de vaststelling van het subsidie zoals bedoeld in artikel 27 Brrm en niet als de goedkeuring van de vaststelling van subsidiabele kosten, zoals in de aangevallen uitspraak wordt aangenomen. In de terminologie van titel 4.2 Awb is in het besluit van 5 november 1996 sprake van subsidievaststelling.

Evenals de ABRvS in haar uitspraak van 22 mei 1997, overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel de goedkeuring van Onze minister, vereist op grond van artikel 27, eerste lid Brrm, moet worden aangemerkt als de goedkeuring van een ander besluit, zoals bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder c Awb, waartegen geen bezwaarschrift bij het bestuursorgaan tegen wiens besluit het bezwaar is gericht kan wordeningediend.

Dit heeft tot gevolg dat de uitspraak van de rechtbank waarvan verzet niet in stand kan blijven. Het beroepschrift van B & W is ten onrechte naar OCW doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Het verzet is daarom gegrond.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

- verklaart het verzet gegrond,

- bepaalt dat het onderzoek in deze zaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich op 28 april 1998 bevond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 2 november 1998 door mr. W.M.P. van Alphen,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Dooren, griffier.

Afschrift verzonden op: