Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:1997:ZF0238

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-01-1997
Datum publicatie
06-08-2001
Zaaknummer
Awb 96/442
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2001:AB1775
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij onderbreking dienstverband werkt een niet-toegekende periodieke salarisverhoging niet door in het dagloon dat ten grondslag ligt aan een loondervingsuitkering op grond van het BWOO.

Bij toepassing van de desbetreffende dagloonregelen tellen uitsluitend feitelijke toegekende salarisverhogingen c.q. algemene salarisverhogingen. Een niet-toegekende periodiek is geen van beide. De uitvoeringspraktijk van de WW is (nog) niet relevant voor het onderwijspersoneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Enkelvoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nr.: Awb 96/442

Uitspraak inzake :

A, e/v B, wonende te C, eiseres, gemachtigde:

mevrouw D.A.M. Schilperoord van de ABOP,

tegen

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, ver-weerder.

1. Feiten en procesverloop.

Bij besluit van 8 november 1995 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 1 augustus 1995 een werkloosheidsuitkering toegekend, gebaseerd op een dagloon van f 65,18.

Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 26 maart 1996 ongegrond verklaard.

Van dit besluit is eiseres bij de rechtbank in beroep gekomen.

Het geschil is behandeld ter zitting van 3 december 1996, waar voor eiseres is verschenen haar gemachtigde voornoemd en waar verweerder zich, zoals tevoren was meegedeeld, niet heeft laten vertegenwoordigen.

2. Gronden.

In geschil is de hoogte van het dagloon.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de berekening van het dagloon ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat eiseres op grond van artikel I-P13, eerste lid, van het RpbO op 1 augustus 1995 een periodieke verhoging zou hebben gekregen indien zij met ingang van die datum niet ontslagen zou zijn.

Naar de opvatting van eiseres is bepalend het dagloon zoals dat zou hebben gegolden op de eerste werkloosheidsdag.

Daartoe beroept eiseres zich op het loonbegrip en de loon- bepalingen uit de Co├Ârdinatiewet Sociale Verzekering, de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de nieuwe Werkloosheidswet en voorts verwijst zij naar de uitvoerings praktijk van het GAK en de Detam.

Verweerder is van mening dat het dagloon van eiseres op correcte wijze is berekend overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 6 van de Dagloonregelen, de nadere regels die ingevolge artikel 27 van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onder-zoekpersoneel (BWOO) zijn gegeven. De in artikel IP13 RpbO bedoelde periodieke verhoging is feitelijk niet toegekend en kan derhalve niet in het dagloon worden betrokken, gelet op de formulering "is gewijzigd" van artikel 4 BWOO. Deze bepaling ziet bovendien uitsluitend op generieke salarisaanpassingen en niet op individuele wijzigingen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Voorop staat dat de Werkloosheidswet (nog) niet van toepassing is op het onderwijzend personeel. Dit is eerst voorzien per 1 januari 1998.

Eiseres beroept zich dan ook ten onrechte op de uitvoeringspraktijk van de WW.

De rechtbank zal moeten toetsen of verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de wettelijke bepalingen die thans voor het onderwijzend personeel gelden.

Van toepassing is het vorengenoemde BWOO (Besluit van 4 fe-bruari 1994, Stb. 100). Artikel 26 van het BWOO bepaalt dat de hoogte van de loondervingsuitkering wordt berekend naar het dagloon.

Op grond van artikel 27 BWOO is de minister bevoegd regels te stellen met betrekking tot de vaststelling van het dagloon.

Van die bevoegdheid is gebruik gemaakt door vaststelling van de Dagloonregelen, in werking getreden met ingang van 1 maart 1994.

Artikel 3 van deze Dagloonregelen bepaalt, voorzover hier van belang, dat voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de belanghebbende in de 26 weken voor aanvang van de werkloosheid heeft genoten.

Artikel 4 van de Dagloonregelen bepaalt dat, indien het loon van de belanghebbende na de aanvang van de in artikel 3 be- doelde periode, doch uiterlijk op de eerste dag van de werkloosheid krachtens een voor hem geldende regeling is gewijzigd, de uitkomst van de berekening ingevolge artikel 3 - voor zoveel nodig - wordt herzien, alsof die wijziging reeds was ingegaan op de eerste dag waarop hij zijn betrekking uit- oefende in bedoelde periode.

Artikel I-P13 RpbO, eerste lid, bepaalt dat het salaris van de betrokkene van wie het dienstverband niet wordt onderbroken, binnen het begintrajekt of de schaal jaarlijks op 1 augustus wordt verhoogd tot het naasthogere bedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het bepaalde in de artikelen 3 en 4 Dagloonregelen in samenhang met het bepaalde in artikel I-P13 RpbO, dat uitsluitend het feitelijk toege-kende salaris bepalend kan zijn voor de berekening van het dagloon en niet het salaris dat betrokkene zou hebben kunnen verdienen ware hij in dienst gebleven.

De uitleg die eiseres voorstaat acht de rechtbank ook niet goed in overeenstemming te brengen met de toelichting op artikel 4 Dagloonregelen, waarin is gesteld dat dit artikel ziet op algemene salarisstijgingen.

De rechtbank is van oordeel dat het specifieke en gedetailleerde systeem van salarisinpassing van onderwijzend personeel niet onder de noemer van algemene salarisstijgingen kan worden begrepen.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat verweerder het dagloon van eiseres op juiste wijze heeft vastgesteld.

Het beroep is daarom ongegrond.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 1997 door mr R.C.M.

Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.