Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:1990:BO4326

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-10-1990
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
I 6591/90
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontuchtige handelingen met minderjarigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Parketnummer : I 6591/90

Datum uitspraak : 26 oktober 1990

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres], verblijvende te [verblijfadres],

ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 1990.

Telastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, hetgeen is weergegeven in de aan dit vonnis gehechte fotokopie van de dagvaarding. De inhoud van de dagvaarding dient als hier herhaald en overgenomen te worden beschouwd.

Vrijspraak.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte onder IV ten laste is gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring_

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de volgende feiten heeft begaan, met dien verstande:

I. dat hij de periode van 1 juli 1987 tot 1 mei 1990, in de gemeente Terneuzen, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoff[slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande in het telkens opzettelijk zich door die [slachtoffer] doen aftrekken en het door hen, verdachte, aftrekken van die [slachtoffer];

II. dat hij in de periode van 1 augustus 1989 tot 1 mei 1990, in de gemeente Terneuzen, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2], meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het telkens opzettelijk ontuchtig wrijven over de blote penis van die [slachtoffer 2] door hem, verdachte;

III. dat hij in de periode van 1 juli 1987 tot 1 februari 1990, in de gemeente Terneuzen, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3], meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd bestaande in het telkens opzettelijk zich door die [slachtoffer 3] doen aftrekken en het door hem, verdachte,

aftrekken van die [slachtoffer 3].

Wat onder I, II en III meer of anders is ten laste gelegd, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van de feiten.

De bewezen verklaarde feiten leveren de volgende misdrijven op:

I, II en III:

'Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte.

Over de persoonlijkheid van de verdachte is door de districts¬psychiater te Middelburg dr. J. van Borssum Waalkes een rapport uitgebracht.

Dit rapport omtrent verdachte, gedateerd 19 juli 1990, houdt als conclusie van de deskundige -zakelijk weergegeven- onder meer in:

- er is sprake van een karakterneurotische man, dat wil zeggen dat we te

maken hebben met een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens.

- de persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van een karakterneurose staat op

de voorgrond. Ook zijn depressieve perioden die overigens eenmaal duidelijk

vitaal zijn geworden, kunnen het best gezien worden in het licht van zijn

neurotische problematiek.

- met name het ernstige conflict tussen zijn celibatair leven en zijn sexuele

drang is voor betrokkene een moeilijk te verwerken probleem.

Deze feiten geven naar zijn oordeel steun aan de opvatting dat verdachte in

licht verminderde mate ontoerékeningsvatbaar is, dat wil zeggen de ten laste

gelegde feiten kunnen hem voor het grootste gedeelte worden toegerekend.

De rechtbank neemt het oordeel van de gedragsdeskundige over en maakt het tot het hare.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke opstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte heeft met diverse jongens gedurende een vrij lange periode sexuele handelingen verricht. Hij betaalde hen daarvoor en aldus heeft hij een aantal jongens reeds op jeugdige leeftijd gecorrumpeerd. Daar komt bij dat door deze gang van zaken bij tenminste één van de jongens ernstige psychische problemen zijn ontstaan. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat ook andere jongens dergelijke problemen zullen krijgen. Mede in aanmerking genomen de maatschappelijke positie van verdachte is de rechtsorde door deze feiten ernstig geschokt.

Gelet op bovenstaande en vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving overweegt de rechtbank een gevangenisstraf op te leggen van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Gelet echter op het psychiatrisch rapport, alsmede op de omtrent verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapporten d.d. 4 mei 1990 en 23 juli 1990 van de Reclassering Zeeland en gelet op het feit dat verdachte thans samen met een des~ ge werkt aan de oplossing van de oorzaak, geeft het door verdachte gedane aanbod tot dienstverlening de rechtbank aanleiding het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf te vervangen door de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor een na te melden aantal uren. De verdachte heeft aangeboden deze arbeid te verrichten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING.

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder IV ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de order I, II en III ten laste gelegde feiten, zoals hierboven afschreven, heeft begaan.

Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte onder I, II en III meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het onder 1, II en III bewezen verklaarde levert de hierboven vermelde strafbare feiten op.

Zij verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier maanden.

Zij beveelt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzonder voorwaarde niet naleeft;

- Zij stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, die hem zullen worden gegeven door de Stichting Reclassering Utrecht zolang deze Stichting dit noodzakelijk oordeelt.

Zij verstrekt aan de genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Zij stelt de proeftijd op twee jaar.

Zij veroordeelt verdachte tevens tot:

- het verrichten van honderd en zestig uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, te verrichten in een door de stichting Reclassering te Utrecht aan te wijden instelling, binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Zij bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de ten uitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde dienstverlening in mindering wordt gebracht, in dier voege, dat voor iedere dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, twee uren in mindering zullen worden gebracht op het aantal uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, tot het verrichten waarvan verachte is veroordeeld.

Dit vonnis is aldus gewezen door

mr. R.A. Fibbe Voorzitter,

mrs. M.J.M. Klarenbeek en B. Doorewaard Boekhout, Rechters,

in tegenwoordigheid van

J. Buijze, Waarnemend-griffier,

rechtbank van 26 oktober 1990.