Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY9672

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
AWB 11/1928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aan eiser verleende uitkering ingevolge de Wet participatiebudget (Wpb) gedeeltelijk teruggevorderd.

De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat verweerder zich wat de rechtmatigheid van de uitgaven van eiser betreft niet hoefde te beperken tot het door de accountant als onzekerheid aangemerkte bedrag.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat in het licht van het doel van de Wpb-regeling vervoersvoorzieningen op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor burgers ouder dan 65 jaar niet meer gericht (kunnen) zijn op arbeidsinschakeling. Voor burgers tussen 18 en 65 jaar kunnen Wmo-vervoersvoorzieningen niet zonder meer worden gezien als Wpb-voorzieningen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1928

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2012 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, te Landgraaf, eiser

(gemachtigde: mr. A. van de Schraaff),

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigden: mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallati).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het door eiser ten laste van het Participatiebudget gebrachte bedrag van € 852.139 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 4 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2012. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aan eiser verleende uitkering ingevolge de Wet participatiebudget (Wpb) voor 2009 bijgesteld ten gevolge waarvan € 852.139 van eiser wordt teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser, voor zover het betreft een bedrag van

€ 654.000, bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat vervoersvoorzieningen ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet als een participatievoorziening kunnen worden aangemerkt. Voorts is gebleken (op de hoorzitting) dat eiser deze vervoersvoorzieningen bij individueel besluit heeft toegekend, waarbij uitsluitend wordt gerefereerd aan de Wmo en niet aan de Wbp (of de Wet werk en bijstand

(Wbb)). Dit betekent, volgens verweerder, dat vanuit de Wpb geen afweging is gemaakt om tot het toekennen van een re-integratievoorziening over te gaan.

Eiser voert in beroep aan -kort samengevat- dat verweerder zich bij de terugvordering heeft gebaseerd op onjuiste feiten. De accountant heeft immers in zijn rapport van bevindingen een bedrag van € 507.864 als onzekerheid opgenomen en niet een bedrag van € 654.000. Voorts heeft de accountant, volgens eiser, het bedrag van € 196.000 niet als onzekerheid aangemerkt, maar als rechtmatig verantwoorde participatie-uitgave.

Verder stelt eiser dat een Wmo-vervoersvoorziening gezien kan worden als re-integratievoorziening, hetgeen ook wordt onderschreven door de accountant die, volgens eiser, de vervoersvoorzieningen voor de doelgroep 18-65 jarigen als rechtmatig bestede participatievoorziening heeft beoordeeld.

Ook vervoersvoorzieningen voor burgers ouder dan 65 jaar kunnen, volgens eiser, als participatievoorziening worden gezien, gelet op de omschrijving van het begrip doelgroep in de Wpb.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1 van de Wpb wordt verstaan onder:

participatievoorziening: opleiding educatie, inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening of re-integratievoorziening;

re-integratievoorziening: voorziening, waaronder begrepen sociale activering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand, gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, juncto tweede lid, van de Wet werk en bijstand.

doelgroep: iedere in Nederland woonachtige Nederlander van achttien jaar of ouder.

Ingevolge artikel 2 van de Wpb verstrekt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan het college een uitkering ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, voor de doelgroep alsmede voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Ingevolge artikel 3 van de Wpb kan het college aan personen uit de doelgroep opleidingen educatie, inburgeringsvoorzieningen, taalkennisvoorzieningen of re-integratievoorzieningen aanbieden respectievelijk ten behoeve van personen uit de doelgroep inburgeringsvoorzieningen of taalkennisvoorzieningen vaststellen. Daarbij geldt dat opleidingen educatie alleen kunnen worden aangeboden aan personen van achttien jaar of ouder.

Artikel 4 van de Wpb luidt als volgt:

1. Het college legt verantwoording af aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

2. Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teruggevorderd. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college.

Artikel 6 van de Wwb luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

b. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 4, tweede lid, van de Wpb is dwingendrechtelijk geformuleerd. Dit betekent dat indien de omstandigheden als bedoeld in deze bepaling zich voordoen, verweerder is gehouden over te gaan tot terugvordering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel (vgl. uitspraak Rechtbank Alkmaar van 27 september 2012, LJN: BY1794).

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de grieven van eiser inhoudelijk beoordeeld en heeft verweerder niet volstaan met de vaststelling dat sprake is van door de accountant geconstateerde onzekerheden.

1. de hoogte van de terugvordering.

Blijkens het verslag van bevindingen van de accountant is in 2009 een collegebesluit genomen dat alle beschikkingen in het kader van de Wmo-vervoersvoorzieningen tevens gezien dienen te worden als beschikkingen in het kader van het Participatiefonds. In totaal is hiermee een bedrag gemoeid van afgerond € 654.000, waarvan € 196.000 betrekking heeft op burgers ouder dan 18 jaar, maar jonger dan 65 jaar. € 458.000 heeft betrekking op burgers ouder dan 65 jaar. De relatie van deze groep met het verhogen van de participatiegraad, heeft de accountant, niet eenduidig kunnen vaststellen. Echter gezien het feit dat de wetgeving in dit kader nog zeer nieuw is en er nog geen jurisprudentie bestaat, heeft de accountant de post van € 458.000 als onzekerheid aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich bij de terugvordering heeft gebaseerd op voormelde feiten. Dit betekent dat verweerder zich bij het vaststellen van de hoogte van de terugvordering naar het oordeel van de rechtbank niet had hoeven te beperken tot het bedrag dat door de accountant expliciet als onzekerheid is aangemerkt maar daarbij ook de rechtmatigheid van het overige gedeelte dat betrekking heeft op Wmo-voorzieningen heeft mogen betrekken. Deze beroepsgrond moet dan ook worden verworpen.

2. participatievoorziening.

Met betrekking tot de vraag of de Wmo-vervoersvoorzieningen als re-integratievoor-zieningen kunnen worden aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is wat betreft de groep burgers ouder dan 65 jaar van oordeel dat een vervoersvoorziening niet kan worden aangemerkt als re-integratievoorziening.

Gelet op de definitie van re-integratievoorziening in de Wpb moet de voorziening immers (uiteindelijk) gericht zijn op arbeidsinschakeling. De rechtbank is van oordeel dat een vervoersvoorziening voor de groep burgers ouder dan 65 jaar niet (meer) gericht kan zijn op arbeidsinschakeling van deze groep personen. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Voor de groep burgers ouder dan 18 jaar, maar jonger dan 65 jaar heeft verweerder (ter zitting) erkend dat een vervoersvoorzienig voor deze groep in principe en onder bepaalde voorwaarden zou kunnen worden aangemerkt als re-integratievoorziening.

De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat een Wmo-vervoersvoorziening slechts als re-integratievoorziening ingevolge de Wpb kan worden aangemerkt, indien dit vanuit de Wpb c.q. Wwb is gemotiveerd, aangezien vanuit die wetten een afweging moet worden gemaakt ten aanzien van de vervoersvoorziening en niet uitsluitend vanuit de Wmo. De rechtbank stelt vast dat eiser onderhavige vervoersvoorzieningen uitsluitend heeft gemotiveerd vanuit de Wmo. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het verslag van de hoorzitting van 13 september 2011 blijkt dat de gemachtigde van eiser, desgevraagd, heeft verklaard dat een vervoersvoorziening wordt toegekend op grond van de bepalingen van de Wmo en dat niet blijkt dat die voorziening wordt gefinancierd uit het Participatiebudget.

Voorts blijkt uit de zich onder de gedingstukken bevindende voorbeelden van toekenningsbesluiten vervoersvoorziening van eiser dat daarin uitsluitend is getoetst aan de Wmo. Dit betekent dat verweerder ook de vervoersvoorzieningen voor deze groep personen terecht niet heeft aangemerkt als re-integratievoorziening. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten € 852.139 van eiser terug te vorderen.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, en mr. E.V.L. Heuts en

mr. J.N.F. Sleddens, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.

w.g. E. Seylhouwer w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.