Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY8108

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-10-2012
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
175045/HA RK 12-119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat een rechter in een geschil vonnis heeft gewezen en vervolgens vonnis in de bodemprocedure wijst brengt niet een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid mee.

Het enkele feit dat het vonnis van de voorzieningenrechter mogelijk niet in lijn is met de jurisprudentie levert evenmin een omstandigheid op die objectief gezien kan leiden tot vrees voor partijdigheid.

Ook in de gebruikte bewoordingen kan de kamer geen overwegingen vinden waarbij de rechter vooruit loopt op enige beslissing inhoudelijk te nemen beslissing in het bodemgeschil.

Ook de derde grondslag, de vrees dat de rechter met de wetenschap van het hoger beroep onwillekeurig anders zal oordelen is feitelijk ongegrond nu de rechter niet wist van het tegen het vonnis in kort geding ingestelde hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 22 oktober 2012

Zaaknummer : 175045 / HA RK 12-119

De meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak

[[VERZOEKER]],

wonend te Changmai (Thailand) (hierna: verzoeker),

advocaat mr. H.C. Ingelse,

door welke laatste een verzoek is ingediend dat strekt tot wraking van:

mr. W.J.J. Beurskens, rechter in deze rechtbank (hierna: de rechter).

1.Het verloop van de procedure

Bij brief van 27 september 2012 heeft mr. Ingelse namens verzoeker verzocht om wraking van mr. W.J.J. Beurskens in de zaak met procedurenummer 152838 HA ZA 10-777 tussen de partijen [[XX]] (wederpartij) enerzijds en verzoeker anderzijds.

Op 2 oktober 2012 heeft de rechter de wrakingskamer meegedeeld dat hij niet in het verzoek tot wraking wenst te berusten. De rechter heeft een schriftelijke reactie op het verzoek ingediend en heeft te kennen gegeven de zitting van de wrakingskamer bij te zullen wonen.

Ter zitting van de wrakingskamer op 8 oktober 2012 zijn de raadsman van verzoeker en de rechter verschenen.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2.Standpunt van verzoeker

De rechter heeft als voorzieningenrechter in het executiegeschil tussen [[verzoeker]] en [[XX]] op 20 juni 2012 vonnis gewezen. Zeer recent heeft verzoeker vernomen dat dezelfde rechter uitspraak zal gaan doen in het bodemgeschil tussen genoemde partijen. Het betreft dezelfde zaak.

Daarop heeft verzoeker besloten een wrakingsverzoek in te dienen omdat het ongewenst is dat een rechter die eerder uitspraak deed in een zaak ook uitspraak zal gaan doen in een volgende zaak waarbij dezelfde partijen zijn betrokken en waarin dezelfde feiten en omstandigheden en hetzelfde geschil, al dan niet direct speelt.

Op de tweede plaats stelt de raadsman van verzoeker onder verwijzing naar overweging 3.4 van het vonnis in kort geding van 20 juni 2012 dat de rechter als voorzieningenrechter in het executiegeschil al een zodanig oordeel heeft gegeven dat vooruit wordt gelopen op een uitspraak in de bodemprocedure.

Ten derde is er sprake van schijn van partijdigheid omdat de rechter belang zou kunnen hebben bij de uitslag en/of het al dan niet voortzetten van het appel tegen het vonnis van de rechter in kort geding hetgeen voor de rechter - misschien onwillekeurig – reden is anders naar de bodemzaak te kijken.

3.Standpunt van de rechter

De rechter wenst niet in de wraking te berusten omdat hij van mening is dat de aangevoerde gronden geen doel treffen. Omdat het verzoek de rechterlijke betrokkenheid bij de afdoening van korte gedingen en daarmee op een of andere manier verband houdende bodemzaken betreft – een situatie die in de praktijk redelijk vaak voorkomt - is het volgens de rechter van belang een oordeel van de wrakingskamer te vernemen.

Het concentreren van de afdoening van (qua partijen en/of inhoud) samenhangende zaken bij één rechter of bij één kamer heeft grote voordelen, onder meer met het oog op de rechtseenheid. Op grond van de jurisprudentie, zowel internationaal als nationaal, is het naar de mening van de rechter ook niet nodig om daarvoor steeds een nieuwe rechter/kamer aan te wijzen. Uitgangspunt is dat de rechter in staat wordt geacht om iedere opvolgende zaak op zijn eigen merites te beoordelen. De eerste grond miskent dit uitgangspunt en kan daarom niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.

De rechter vindt dat ook de tweede grond voornoemd uitgangspunt miskent. Niet wordt duidelijk gemaakt waarom dit uitgangspunt in het onderhavige geval niet van toepassing is. Het kort geding betrof in de kern een andere kwestie dan de onderhavige bodemzaak, bovendien raakte het kort geding slechts aan één aspect van het grote aantal punten dat partijen verdeeld houdt. Daar bij is het debat in het kort geding uit de aard der zaak zeer beperkt en is de beslissingsruimte eveneens zeer beperkt. De door verzoeker aangehaalde overweging uit het vonnis van het kort geding bevat twee voor een kort geding typerende overwegingen, één overweging die alle ruimte laat om in de bodemzaak meer te stellen en alsnog bewijs te leveren en één waarin aan de orde wordt gesteld of er voldoende reden bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Hiervan uitgaande is er geen sprake van dat in het vonnis in kort geding vooruit gelopen wordt op het oordeel in de onderhavige bodemzaak zodat ook de tweede grond niet kan leiden tot een toewijzing van het wrakingsverzoek.

Ten aanzien van de derde grond voegt de rechter ter zitting nog toe dat hij, nog daargelaten dat hij zich bij deze grond niets kan voorstellen, helemaal geen kennis droeg van het tegen zijn kort geding vonnis ingestelde appel.

4.De beoordeling

Wraking is het middel dat partijen ten dienste staat om het hen – onder meer – ingevolge artikel 6, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) toekomende recht op behandeling van hun zaak door (een) onpartijdige rechter(s) af te dwingen. Gelet op het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is wraking mogelijk op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling en overtuiging van de rechter (partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij enige vooringenomenheid koestert, althans dat de - objectief gerechtvaardigde - vrees bestaat dat de rechter niet onpartijdig is.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (partijdigheid in objectieve zin).

In dat verband zijn de schijn van partijdigheid en de overtuiging van verzoeker weliswaar relevant, maar doorslaggevend is

of de twijfel over de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

Uit het verzoekschrift en de daarop door de advocaat van verzoeker gegeven toelichting blijkt dat het wrakingsverzoek ondermeer is gegrond op de stelling dat de voorzieningenrechter die een vonnis in kort geding heeft gewezen, niet meer de rechter kan zijn die in die zaak het vonnis in de bodemprocedure wijst.

Die grondslag kan het verzoek niet dragen. De enkele omstandigheid dat een rechter in een geschil tussen partijen in een kort geding een vonnis heeft gewezen, brengt niet een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid mee indien die rechter vervolgens in de bodemprocedure vonnis wijst.

Dit kan anders zijn indien in het vonnis in kort geding door de rechter zodanige inhoudelijke beslissingen zijn genomen dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat de uitkomst van het vonnis in de bodemzaak op die punten niet wezenlijk anders zal uitvallen. De vraag is of daarvan in dit geval sprake is.

In dit verband stelt verzoeker bij wijze van tweede grondslag voor het wrakingsverzoek dat het kort geding vonnis zeer uitzonderlijk is en niet strookt met de jurisprudentie in vergelijkbare zaken. Daaruit volgt volgens verzoeker dat de rechter zich kennelijk al een oordeel over de bodemzaak heeft gevormd.

Zoals de wrakingskamer hiervoor al heeft overwogen is voor gegrondverklaring van een wrakingsverzoek vereist dat de vrees voor partijdigheid objectief gezien gerechtvaardigd is. Het enkele feit dat het vonnis van de voorzieningenrechter mogelijk – de wrakingskamer onthoudt zich daarover van een standpunt - niet in lijn is met de jurisprudentie levert niet een omstandigheid op die objectief gezien kan leiden tot vrees voor partijdigheid.

De wrakingskamer heeft nog acht geslagen op de bewoordingen van het vonnis in kort geding. In de gebruikte bewoordingen kan de wrakingskamer geen overwegingen vinden waarbij de rechter vooruit loopt op enige inhoudelijk te nemen beslissing in het bodemgeschil. Anders gezegd, na dit vonnis heeft de rechter nog volledig “de handen vrij” om in het bodemgeschil zowel in het voordeel van de ene partij als in het voordeel van de andere partij te beslissen.

Ook de derde grondslag kan het wrakingsverzoek niet dragen. De wrakingskamer gaat er vanuit dat de rechter inderdaad niet wist van het tegen het vonnis in kort geding ingestelde hoger beroep, en de vrees van verzoeker dat de rechter “misschien onwillekeurig” met de wetenschap van dat hoger beroep anders zal oordelen, is dus feitelijk ongegrond. Ook overigens heeft verzoeker wat betreft deze grond geen feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel aan de rechterlijke onpartijdigheid en een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM rechtvaardigen.

Nu de wrakingskamer tot dit oordeel komt dient het verzoek tot wraking van de rechter te worden afgewezen.

5.De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking van mr. W.J.J. Beurskens af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. P. Hoekstra, rechter en mr. J.H. Klifman, rechter, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MJ