Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY7901

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
175235 / OT RK 12-1578
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing wordt afgewezen. Onder de gegeven omstandigheden had de gezinsvoogd redelijkerwijs kunnen beslissen tot de gegeven aanwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 20 december 2012

Zaaknummer: 175235 / OT RK 12-1578

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[Naam vader],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. B.M.A. Jegers,

en:

STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG (locatie Kerkrade)

wederpartij, verder te noemen: bureau jeugdzorg,

gevestigd te Roermond,

met betrekking tot de minderjarige:

[Naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2002],

als belanghebbende in deze procedure wordt tevens aangemerkt:

- [Naam moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

verder te noemen: de moeder;

- [Naam grootouders], wonende te [woonplaats], [adres],

de grootouders, tevens pleegouders van de minderjarige, verder te noemen de grootouders.

1. Verloop van de procedure

[de minderjarige] staat onder toezicht van bureau jeugdzorg voornoemd.

De vader heeft bij verzoekschrift van 4 oktober 2012 verzocht om een schriftelijke aanwijzing van bureau jeugdzorg vervallen te verklaren.

Bureau jeugdzorg heeft bij brief van 30 oktober 2012 een brief van de grootouders overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 november 2012, waarna de zaak is aangehouden.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 18 december 2012.

2. Verzoek

De vader heeft verzocht te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van bureau jeugdzorg van 28 september 2012 vervalt, alsmede om een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige], rekeninghoudend met haar belangen.

De vader voert daartoe het volgende aan. Bureau jeugdzorg is volgens de vader van mening dat zij het recht op omgang eenzijdig mag en in het belang van [de minderjarige] moet beperken, maar de vader is het daar niet mee eens. Bureau jeugdzorg mag dat niet, gelet op de rechterlijke beslissing met een omgangsregeling van 21 december 2009. De vader vindt de aanwijzing van bureau jeugdzorg bovendien onzorgvuldig

De vader gelooft niet dat [de minderjarige] hem daadwerkelijk niet meer zou willen zien, omdat na een onverwachte ontmoeting in de supermarkt [de minderjarige] de vader graag wilde zien. Er heeft daaropvolgend eenmalig een contactmoment plaatsgevonden op 26 januari 2012, maar daarna gaf [de minderjarige] ineens aan de vader niet meer te willen zien. Volgens bureau jeugdzorg zou er sprake zijn van een loyaliteitsconflict. De vader ging er vanuit dat bureau jeugdzorg met de gezinsvoogd zou werken aan stimulatie van contact, maar dat is volgens de vader niet gebeurd en nu stelt bureau jeugdzorg zich op het standpunt dat de wens van [de minderjarige] gevolgd moet worden. De advocaat van de vader heeft verzocht om een schriftelijke aanwijzing, welke op 28 september is afgegeven.

Ter zitting heeft de vader aangevuld dat de omgangsregeling zoals deze in 2009 werd vastgesteld maximaal een half jaar heeft gelopen totdat de moeder zonder voorafgaand bericht naar [X] was vertrokken.

Bureau jeugdzorg heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. Bureau jeugdzorg heeft verklaard dat [de minderjarige] enorm klem is komen te zitten omdat er aan haar wordt getrokken. [de minderjarige] is namelijk op de hoogte van de onderhavige procedure waarin de vader contact met haar wenst. Tevens doet de moeder belastende uitspraken in de zin dat ze wil dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen. [de minderjarige] heeft nu eerst rust nodig. De gezinsvoogd is voornemens om nog voor de kerst met alle partijen te praten over de contactmomenten tussen [de minderjarige] en beide ouders. De moeder heeft op dit moment een onbegeleide omgangsregeling eenmaal per twee weken op zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur. Het is voor bureau jeugdzorg van belang dat [de minderjarige] een positief vader- en moederbeeld heeft en dat de contactmomenten onbelast plaats kunnen vinden. Het laatste contact tussen [de minderjarige] en de vader was positief verlopen en ze gaf aan de begeleidster aan dat ze na zes weken weer contact zou willen. De volgende dag kwam echter een briefje van [de minderjarige] met een tegenovergestelde mening. Bureau jeugdzorg heeft een pleegzorgmedewerker ingezet om de grootouders te helpen met wat zij wel of niet met [de minderjarige] moeten delen. Voor de vader is het van belang dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid gaat nemen door consequent kaartjes naar [de minderjarige] te blijven sturen.

De oma, nader te noemen de pleegmoeder, stelt dat uit de - door bureau jeugdzorg overgelegde - brief blijkt dat zij [de minderjarige] wel probeert te stimuleren, maar dat [de minderjarige] erg angstig reageert op alles wat met vader te maken heeft. De grootouders hebben haar geprobeerd te stimuleren voor het eenmalige bezoekcontact, maar [de minderjarige] poepte in haar broek, had buikpijn en probeerde eronder uit te komen. Desalniettemin bleven de grootouders stimuleren en hebben ze haar naar dat eenmalige bezoekcontact gebracht. De pleegmoeder geeft in de brief tevens aan dat bij de moeder borderline is vastgesteld en dat beide ouders in het verleden drugs hebben gebruikt en huiselijk geweld hebben gepleegd.

De pleegmoeder heeft namens de grootouders ter zitting verder aangevuld hoe [de minderjarige] bij de grootouders terecht is gekomen. De pleegmoeder heeft verklaard dat zij aan [de minderjarige] gewoon de waarheid vertellen waarom de vader [de minderjarige] niet meer wilde zien. [de minderjarige] heeft na de paar keren contact die ze met de vader heeft gehad last van broekpoepen, omdat ze aan de vader moet denken. [de minderjarige] is door de grootouders op de hoogte gebracht van de procedures en de afspraken die eerder met de vader zijn gemaakt over het sturen van kaartjes, omdat zij open tegen haar willen zijn. De pleegmoeder heeft de EMDR-therapie in overleg met bureau jeugdzorg stopgezet, omdat [de minderjarige] er opstandig van werd. De moeder is inmiddels in de buurt gaan wonen en belt regelmatig of komt langs, maar daar zijn de grootouders en [de minderjarige] niet van gediend.

De moeder, opgroepen conform de wettelijke voorschriften, is niet ter zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

3. Beoordeling

De gezinsvoogd heeft bij schriftelijke aanwijzing d.d. 28 september 2012 bepaald dat er voorlopig geen omgang zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] omdat [de minderjarige] daaraan geen medewerking wil verlenen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:263a BW kan de gezinsvoogd met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige de contacten tussen die minderjarige en de ouders beperken. Dat er in 2009, dus nog voor de uithuisplaatsing een omgangsregeling door de kinderrechter is vastgesteld - welke omgangsregeling overigens al meer dan twee jaar niet meer wordt nageleefd - is derhalve niet relevant nu de gezinsvoogd in het kader van de uithuisplaatsing tijdelijk de contacten met ouders mag beperken.

De vraag die zich vervolgens voordoet is of de gezinsvoogd onder de gegeven omstandigheden deze schriftelijke aanwijzing had mogen geven. Een schriftelijke aanwijzing kan door de kinderrechter vervallen verklaard worden als de gezinsvoogd in redelijkheid niet zo had kunnen beslissen of als de zorgvuldigheidseisen dan wel motiveringseisen niet in acht zijn genomen. Deze beoordeling dient ex nunc plaats te vinden waarbij de kinderrechter de beslissing van de gezinsvoogd vol dient te toetsen.

In het licht van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard is de kinderrechter van oordeel dat er onvoldoende grond is om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. De kinderrechter kan de gezinsvoogd volgen in de stelling dat aan [de minderjarige] enorm wordt getrokken. De kinderrechter neemt daarbij het volgende mee in haar overwegingen.

Ter zitting is onweersproken gesteld dat de moeder van [de minderjarige] een enorme druk op haar uitoefent door de wens te uiten dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen. Ter zitting is verder gebleken dat de pleegmoeder [de minderjarige] onnodig belast door haar te informeren over lopende procedures waarbij de pleegmoeder [de minderjarige] zelfs de brieven heeft laten lezen van gezinsvoogd en kinderrechter waarin de vader afstand van haar zou hebben gedaan. Het is verwonderlijk dat [de minderjarige] na een eerst, goed verlopen contact met vader, daags erna een brief zou hebben geschreven met volwassen taalgebruik dat zij geen omgang meer wenst zonder dat voor deze ommezwaai een goede verklaring is gegeven. Ter zitting is verder onweersproken gesteld dat school constateert dat [de minderjarige] enorm wordt belast door het gevecht over haar, dat de EMDR therapie zonder resultaat is stopgezet en dat de vader ondanks afspraken slechts eenmaal een kaartje heeft gestuurd aan [de minderjarige].

Onder de gegeven omstandigheden is het goed voorstelbaar dat [de minderjarige] zich- wellicht uit loyaliteit naar grootouders- verzet tegen omgang. Om op een veilige en ontspannen wijze tot omgang te komen zal het nodig zijn om eerst te investeren in een aantal basisvoorwaarden waarbij het nodig zal zijn dat grootouders [de minderjarige] niet langer belasten met voor haar ongeschikte informatie of met hun persoonlijke oordeel over vader. De vader zal moeten investeren in het op afstand houden van contact door kaartjes of briefjes en de moeder dient

[de minderjarige] niet meer te belasten met haar eigen wensen. In het licht van het bovenstaande kan de kinderrechter de gezinsvoogd volgen in de stelling dat omgang met de vader thans niet is af te dwingen zodat de kinderrechter het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing zal afwijzen.

4. Beslissing

De kinderrechter:

Wijst af de verzoeken van de vader.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. van Blaricum, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar op 20 december 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

BG

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.