Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY6391

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
501122 EJ VERZ 12-200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 7:685 BW, twee verzoekers, een van beide verzoekers wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek, het andere verzoek wordt toegewezen. Handelen bestuurder onvoldoende transparant, vertrouwen van RvT weg, gewichtige reden. Ontbinding arbeidsovereenkomst zonder vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-1111

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard-Geleen

zaaknr: 501122 EJ VERZ 12-200

typ: ap/mh

beschikking van 17 december 2012

in de zaak van

de stichting REVALIDATIEARTSENPRAKTIJK,

gevestigd te Heerlen,

verzoekende partij sub 1,

hierna te noemen: RAP,

gemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens, advocaat te Heerlen

en

de stichting STICHTING GEHANDICAPTENZORG LIMBURG, thans geheten STICHTING GEHANDICAPTENZORG,

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

verzoekende partij sub 2,

hierna te noemen: SGL,

gemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens, advocaat te Heerlen

tegen

[verweerder],

wonend te [woonplaats],

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. J.A.M.G. Vogels, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 25 oktober 2012 is ter griffie binnengekomen een verzoekschrift van RAP en SGL strekkend tot ontbinding van de tussen hen als werkgeefsters en [verweerder] als werknemer bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen.

Op 26 november 2012 heeft [verweerder] producties ingediend.

Op 28 november 2012 heeft [verweerder] een verweerschrift met producties ingediend ten behoeve van verweer.

Op 3 december 2012 hebben RAP en SGL aanvullende producties ingediend.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 december 2012. Namens RAP en SGL is verschenen [naam voorzitter] (voorzitter Raad van Toezicht RAP), bijgestaan door mr. Lemmens voornoemd. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Vogels voornoemd. Partijen hebben de respectieve standpunten nader toegelicht. De griffier heeft daarvan schriftelijk aantekening gehouden.

Vervolgens is de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

HET VERZOEK EN HET VERWEER

RAP en SGL verzoeken op de in het verzoekschrift gestelde gronden de arbeidsovereenkomst, voor zover bestaand, met verweerster te ontbinden met ingang van 1 november 2012 wegens gewichtige omstandigheden, bestaande uit de in het verzoekschrift beschreven gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 7:685 BW zonder toekenning van een vergoeding.

[verweerder] voert gemotiveerd verweer tegen toewijzing van het verzoek van RAP en SGL om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Voor de ingenomen stellingen en onderbouwingen verwijst de kantonrechter naar de stukken.

DE VASTSTAANDE FEITEN

Tussen SGL en [verweerder] bestaat sinds 1 mei 1983 een arbeidsovereenkomst. Laatstelijk was [verweerder] werkzaam als directeur/bestuurder van het onderdeel SGL RAP (SGL revalidatieartsenpraktijk), tegen een basisloon van € 16.048,00 bruto per maand exclusief emolumenten. [verweerder] is geboren op 25 oktober 1952.

Tot juli 2010 was [verweerder] voorzitter van de eenhoofdige Raad van Bestuur van SGL. In juli 2010 heeft de Raad van Toezicht van SGL besloten de structuur van SGL te wijzigen en op te splitsen in drie stichtingen: SGL Zorg, SGL RAP en SGL Diensten.

Daarboven is op 1 december 2010 opgericht de stichting SGL Groep, met een meerhoofdige Raad van Bestuur die als taak heeft het intern toezicht en het werkgeverschap van de Raden van Bestuur van de gelieerde stichtingen. Die gelieerde stichtingen hebben een eenhoofdige Raad van Bestuur, waarbij [verweerder] vanaf de splitsing als bestuurder van SGL Diensten en SGL RAP functioneerde en de heer [naam bestuurder] als bestuurder van SGL Zorg.

Per 1 januari 2012 is ervoor gekozen de stichtingen SGL Groep, SGL Diensten en de besloten vennootschap SGL Diensten Holding BV te ontbinden en liquideren, hetgeen vervolgens ook is gebeurd. Er resteren twee stichtingen, te weten SGL en de stichting RAP. Per die datum is [naam bestuurder] bestuurder van SGL en [verweerder] bestuurder van RAP.

DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING

Het verzoek gedaan door SGL

SGL verzoekt de kantonrechter haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van gewichtige redenen. SGL doet dit verzoek indien en voorzover er sprake is van een arbeidsovereenkomst met SGL.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat door SGL daarbij niet uitdrukkelijk is geformuleerd welk gremium dient te beoordelen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst met SGL. Nu de vraag uitdrukkelijk aan de orde is gesteld binnen de onderhavige procedure is het aan de kantonrechter om die beoordeling te maken. De vraag of er met SGL een arbeidsovereenkomst bestaat is door de kantonrechter echter al uitdrukkelijk en ontkennend beantwoord in het eerder door SGL ingediende verzoek. De in de onderhavige procedure aangevoerde argumenten leiden de kantonrechter niet tot een afwijkend oordeel, zodat SGL ook ten aanzien van dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Dit is niet anders nu er door SGL appel is ingesteld tegen dit eerdere oordeel van de kantonrechter. Te meer niet nu de vordering niet aldus is geformuleerd dat het intreden van de voorwaarde –namelijk sprake zijn van een arbeidsovereenkomst met SGL- afhankelijk is gesteld van het oordeel in appel. In het midden kan daarmee blijven hetgeen partijen hieromtrent verder hebben aangevoerd.

Het verzoek van RAP

Dit brengt de kantonrechter tot het verzoek ingediend door RAP. Bij dit verzoek is eveneens een voorwaarde gesteld, te weten het sprake zijn van een arbeidsovereenkomst tussen RAP en [verweerder]. Gelet op de overwegingen van de kantonrechter in zijn eerdere oordeel omtrent de overgang van de onderneming en mede gelet op de uitdrukkelijke stellingname door [verweerder] gaat de kantonrechter hierna uit van het ingetreden zijn van deze voorwaarde.

[verweerder] betoogt allereerst dat de besluiten die aan dit ontbindingsverzoek ten grondslag liggen (zoals daar zijn het benoemingsbesluit (of besluiten) van de RvT nietig danwel vernietigbaar zijn. Hieraan verbindt hij de conclusie dat RAP niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

De kantonrechter volgt [verweerder] hierin niet.

De gestelde rechtspersoonlijke nietigheid van besluiten van een orgaan van werkgeefster RAP maken niet anders dan dat ter zitting werkgeefster RAP op grond van artikel 7:685 BW ontbinding verzoekt van de arbeidsovereenkomst met haar werknemer [verweerder]. Tussen partijen staat vast dat [verweerder] een arbeidsovereenkomst heeft welke –gelet op zijn stellingen en het verzoek van RAP- tussen hem en RAP geldt. Gelet op de formulering van artikel 7:685 BW, inhoudende dat partijen bij een arbeidsovereenkomst zich te allen tijde tot de kantonrechter kunnen wenden met het verzoek te komen tot ontbinding is RAP daarmee in beginsel ontvankelijk in haar verzoek.

Dat [verweerder] bestuurder is van de stichting maakt dit niet anders. Het bestreden besluit van de Raad van Toezicht brengt in deze niet met zich dat reeds daarmee de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen is komen te vervallen. De lijn van de zogenoemde 15 april-arresten van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 15 april 2005, NJ 2005, 483) geldt in dit geval niet. Anders dan voor de bestuurders van een BV en een NV hebben de bepalingen 2:131 e.v. en 2:241 e.v. BW geen betrekking op de bestuurders van stichtingen en een vergelijkbare bepaling ontbreekt in titel 6 boek 2 BW. Ook is voor bestuurders van verenigingen en stichtingen geen vrijstelling verleend van de verplichting ex art. 6 lid 1 BBA. Een bestuurder kan wegens wanbeheer wel door de rechter worden ontslagen (art. 2:298 lid 1 sub a BW). Een dergelijk verzoek is echter niet gedaan, daargelaten de vraag of de beslissing daarover de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen zou raken. Een en ander impliceert dat de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen nog steeds in stand is, hetwelk ook niet anders wordt indien de redenering van [verweerder] aangaande de nietigheid van de besluiten gevolgd zou moeten worden.

Aan een inhoudelijke toetsing van de gestelde rechtspersoonlijke nietigheid van besluiten kan en behoeft in het kader van dit verzoek dan ook niet toegekomen te worden.

De gestelde rechtspersoonlijke nietigheid van de besluiten is evenmin een factor die de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd zou zijn beïnvloeden. De over en weer ingenomen standpunten in deze zaak kunnen enkel leiden tot de conclusie dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op zijn plaats is nu van vruchtbare samenwerking in de toekomst geen sprake kan zijn. Reeds op basis hiervan is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van veranderde omstandigheden die een gewichtige reden in het leven roepen als grond voor ontbinding. De kantonrechter zal de ontbinding van de arbeidsovereenkomst dan ook uitspreken.

De kantonrechter komt toe aan de vraag of er ten gunste van een van de partijen een vergoeding naar billijkheid moet worden bepaald. In dit verband is de vraag naar de verwijtbaarheid van belang. De inhoudelijk aan de ontbinding ten grondslag gelegde omstandigheden alsmede de overige relevante omstandigheden van het geval zullen hierna besproken worden.

[verweerder] heeft gewezen op gebreken in het besluitvormingsproces. De kantonrechter stelt voorop dat de litigieuze besluiten –ongeacht hun gestelde rechtspersoonlijke gebreken- telkens dezelfde boodschap in zich droegen, te weten de beëindiging van het dienstverband met [verweerder]. In zoverre kan [verweerder] door de gestelde gebreken geen andere verwachtingen hebben gekregen. Ook anderszins is de gestelde nietigheid, daargelaten of daarvan gebleken zou zijn, niet van invloed op de verschuldigdheid of hoogte van een vergoeding naar billijkheid.

De kantonrechter zal de andere omstandigheden beoordelen.

Samenvattend stelt RAP zich op het standpunt dat [verweerder] als bestuurder niet heeft gehandeld zoals van een bestuurder verwacht had mogen worden. [verweerder] betwist dat dit –op basis van de in geding zijnde stukken- is komen vast te staan.

Een directeur wordt geworven op zijn persoonlijke kwaliteiten, welke kwaliteiten in belangrijke mate de basis vormen voor de ontwikkeling en financiële zekerheid van –in dit geval- de stichting. De vergaande bevoegdheid die de bestuurder heeft om de rechtspersoon te vertegenwoordigen en binden vergen van hem een hoge mate van zorgvuldigheid en financiële hygiëne. Een bestuurder dient daarbij integer en toetsbaar te handelen, waarbij het belang van de organisatie altijd voorop dient te staan.

Dit vormt de basis van het door de Raad van Toezicht in hem gestelde vertrouwen en bij wegvallen van dat vertrouwen is er sprake van een onwerkbare situatie.

Gelegd langs deze hoge lat schiet het handelen van [verweerder] tekort.

Daargelaten de vraag of reeds nu op grond van het –bestreden- KPMG-rapport uitgegaan kan worden van daadwerkelijke fraude of zelfverrijking, volgt uit dit rapport onbetwist handelen van [verweerder] dat als financieel ondoorzichtig en onzorgvuldig gekenmerkt moet worden. Handelen waarvan [verweerder] niet op voorhand inzicht heeft verschaft en waarvan ook na het aan het licht komen ervan –zelfs staande deze procedure- een afdoende en adequate verklaring achterwege is gebleven. Dit laatste klemt te meer nu door de handelwijze [verweerder] en daarmee zowel SGL als RAP in een slecht daglicht zijn komen te staan.

De kritiek van [verweerder] op het KPMG-rapport maakt dit niet anders. Allereerst wijst de kantonrechter op de hier van toepassing zijnde vrije bewijsleer. Daarbij hanteert de kantonrechter die delen uit het rapport die door [verweerder] niet inhoudelijk en gemotiveerd betwist zijn, waarbij het niet zozeer de conclusie is van KPMG die leidend is, maar de vaststelling van gedragingen door RvT en KPMG anderzijds en het ontbreken van een afdoende betwisting of verduidelijking door [verweerder] anderzijds.

De kantonrechter wijst daarbij nadrukkelijk op de ondoorzichtige handelwijze en verslaglegging aangaande de ruilhandel met horloges. Daargelaten de vraag of dit ‘gebruikelijk’ is in de paardenwereld, is het zeker niet gebruikelijk voor een met awbz-gelden gefinancierde zorginstelling. Indien er dan al noodzaak bestaat voor een dergelijke ondoorzichtige en ongebruikelijke handelswijze, dan dient de bestuurder –ter bescherming van zichzelf maar vooral ook ter bescherming van de rechtspersoon- uiterst transparant en duidelijk daarin op te treden. Dit is niet gebeurd.

Mutatis mutandis geldt dit ook voor de niet te traceren kunstaankopen, de ontslagvergoeding van [X] en bijzondere uitgaven bij onroerend-goedprojecten.

Niet enkel heeft [verweerder] nagelaten zijn handelen op voorhand dienovereenkomstig te reguleren en inzichtelijk te maken, maar ook gedurende de veelvuldige toetsingsmomenten daarna –in overleggen, via KPMG, in de meerdere procedures- heeft [verweerder] nagelaten afdoende antwoorden te geven op door zijn handelen –intern en extern- ontstane vragen. Door aldus te handelen is hij uiteindelijk tekortgeschoten als bestuurder.

De kantonrechter is van oordeel dat een en ander, hoewel gebeurd tijdens de periode waarin [verweerder] bestuurder was van SGL, gezien de sterke verwevenheid tussen SGL en RAP alsmede nu het beeld van de integriteit van [verweerder] als bestuurder betreft, ook RAP raakt en voor RAP aanleiding kan vormen voor het ontbindingsverzoek.

Aan dit alles doet niet af of een en ander aan het licht is gekomen op initiatief van de huidige directeur van SGL. Daargelaten of dit is komen vast te staan, gaat het in deze immers om het daaraan voorafgaand handelen van [verweerder] zelf.

Dat aan de bestuurder decharge is verleend, doet aan het voorgaande niet af, nu een decharge niet verder strekt dan tot hetgeen uit de stukken blijkt of anderszins voor de vaststelling van de jaarstukken bekend is gemaakt. De kantonrechter laat in het midden in hoeverre een decharge ook een arbeidsrechtelijk verwijt tegen handelingen zou blokkeren. Niet danwel onvoldoende gedetailleerd en onderbouwd is door [verweerder] gesteld dat ten aanzien van de in geding zijnde handelswijze de Raad van Toezicht voorafgaand aan het verlenen van decharge volledig is geïnformeerd. Dit klemt te meer nu uit de door [verweerder] overgelegde stukken zijdens leden van de toenmalige RvT juist blijkt dat “de bestuurder op veel terreinen een grote vrijheid” werd gelaten en dat het een bewuste keuze was “om niet alles dicht te regelen”. Wel wordt aangegeven dat het gevoerde beleid achteraf getoetst werd, doch dat [verweerder] als bestuurder omtrent zijn handelwijze aangaande de in geding zijnde onderwerpen de (toenmalige) RvT specifiek en inzichtelijk hieromtrent heeft geïnformeerd dan wel dat anderszins overleg hierover heeft plaatsgevonden is daarmee geenszins aannemelijk geworden. In het verlengde hiervan doet een accountantscontrole van een en ander daar evenmin aan af.

De kantonrechter heeft zich rekenschap gegeven van de omstandigheid dat [verweerder] ook zeker een positieve bijdrage heeft geleverd aan de bedrijfsvoering binnen SGL en RAP, echter gezien de hiervoor geschetste omstandigheden acht de kantonrechter een vergoeding niet op zijn plaats. De kantonrechter laat daarbij uitdrukkelijk in het midden of [verweerder] in aanmerking dient te komen voor de contractueel overeengekomen vergoeding.

BESLISSING

Verklaart SGL niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2013.

Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. A.H.M.J.F. Piëtte, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.