Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY5771

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
03/703274-12, 03/700395-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens een poging tot zware mishandeling en het vernielen van ruiten.

Verdachte heeft een zware stuk gereedschap naar zijn ex-vriendin gegooid, dat haar tegen het achterhoofd heeft geraakt. Na de klap zakte zij als een pudding in elkaar en raakte bewusteloos. Zij kwam bij in het ziekenhuis.

Hoewel het slachtoffer aanzienlijk letsel heeft opgelopen door de handelingen van verdachte, kan dit letsel juridisch gezien niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Dat dergelijk letsel wel had kúnnen ontstaan door een worp met een moersleutel of een vergelijkbaar zwaar voorwerp tegen iemands achterhoofd maakt, dat de handeling van verdachte als poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/703274-12, 03/700395-09 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 december 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

ingeschreven te [adresgegevens verdachte].

Raadsman ter zitting is mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, waarnemend voor mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 november 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel haar heeft mishandeld.

Feit 2: een of meer ruiten van een woning heeft vernield.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij het onder 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht, nu er gezien de aard van het letsel en de herstelperiode juridisch gezien geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde acht zij wel wettig en overtuigend bewezen. Het gooien van een zwaar voorwerp op een afstand van vijf tot tien meter naar het slachtoffer, zoals verdachte volgens de officier van justitie heeft gedaan, kan immers zwaar lichamelijk letsel veroorzaken.

Ook feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte dit feit heeft bekend en er aangifte is gedaan wegens vernieling van twee ruiten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte iets naar het vermeende slachtoffer [slachtoffer] heeft gegooid, danwel - indien komt vast te staan dat hij wel iets naar haar heeft gegooid - dat hij haar heeft geraakt. Volgens de raadsman is het letsel van [slachtoffer] dan ook niet veroorzaakt door verdachte, maar doordat zij is gestruikeld. De raadsman heeft verder aangevoerd dat niet blijkt dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een breuk in het jukbeen en de oogkas. Een dergelijk letsel is overigens niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Bovendien kan verdachte het slachtoffer niet in het gezicht hebben geraakt, omdat het slachtoffer van hem wegrende. Voor zover al kan worden vastgesteld dat verdachte met een moersleutel heeft gegooid, kan uit het dossier in ieder geval niet worden vastgesteld dat het om een zware moersleutel ging en evenmin met welke kracht de sleutel is gegooid.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel “door deze (in het gezicht) te slaan”, nu daarvoor naar zijn mening geen bewijs in het dossier aanwezig is.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadman aangevoerd dat dit volgens hem bewezen kan worden verklaard.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 27 juni 2012 een woordenwisseling met verdachte kreeg, waarna zij naar de woning van [getuige 1] is gegaan, gelegen aan de [W.weg] te Brunssum.

Toen aangeefster op 28 juni 2012, rond 10.30 uur in de woning van [getuige 1] wakker werd, zag zij verdachte in de deuropening van de slaapkamer staan. Na enige schermutselingen wendde verdachte zich tot aangeefster, die naar buiten is gerend. Zij zag dat verdachte naar buiten kwam en dat hij uit de kofferbak van zijn auto een moersleutel pakte, waarmee hij vervolgens de ruiten van de woning van [getuige 1] heeft ingeslagen. Ondertussen had verdachte tegen aangeefster gezegd dat zij met hem terug moest gaan. Aangeefster gaf aan dat zij niet meewilde met verdachte en liep daarop weg van de auto van verdachte. Wat daarna is gebeurd, weet zij niet meer. Zij werd wakker in het ziekenhuis te Heerlen.

In het dossier bevindt zich een medische verklaring betreffende aangeefster, inhoudende het letsel dat door de behandelend artsen is geconstateerd. Aangeefster had een “hematoom rechter orbita”(de rechtbank begrijpt: blauwe oogkas rechts), een “buil rechts occipitaal” (de rechtbank begrijpt: een buil aan het rechter achterhoofd), een “orbitafractuur rechts” (de rechtbank begrijpt: een oogkasfractuur rechts) en een “zygomafractuur rechts” (de rechtbank begrijpt: een breuk aan het rechter jukbeen. Zij heeft twee dagen in het ziekenhuis doorgebracht en is blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring een maand arbeidsongeschikt geweest.

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 28 juni 2012 in haar woonkamer aan de [W.weg] te Brunssum was en dat verdachte plotseling in haar woning naar binnen kwam. Hij was op zoek naar [slachtoffer], die bij [getuige 1] in huis was. Nadat verdachte enige agressie had vertoond, is [slachtoffer] met verdachte meegelopen naar de auto van verdachte. Zij riep dat zij niet wilde instappen en liep van de auto weg. [getuige 1] zag dat verdachte de grote ijzeren ringsleutel of iets dergelijks, die zij hem eerder uit de auto had zien pakken, met volle kracht in de richting van [slachtoffer] gooide. [slachtoffer] was toen ongeveer vijf meter bij hem vandaan. [getuige 1] zag dat de sleutel het achterhoofd van [slachtoffer] raakte en dat zij “als een plumpudding” in elkaar zakte.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2012 vanaf het balkon van zijn woning aan de [W.weg] te Brunssum een persoon een grote steeksleutel uit de kofferbak van een paarse Volkswagen zag halen en in de richting van de flat van zijn buurvrouw zag gaan. Enige later zag hij dezelfde man richting auto lopen. Vervolgens kwamen twee vrouwen naar buiten, die in de richting van de parkeerplaats liepen. Hij hoorde dat de man tegen een van de vrouwen zei dat ze moest instappen. Hij zag dat de vrouw wegliep van de man. Hij zag vervolgens dat de man de grote sleutel in de richting van de vrouw gooide en dat zij aan haar hoofd werd geraakt. De vrouw stond op dat moment ongeveer 5 meter van de man af. De man gooide de sleutel met grote kracht naar het hoofd van de vrouw. De vrouw zakte als een pudding in elkaar.

Verdachte heeft verklaard dat hij een paarse Volkswagen Vento heeft.

Zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij [slachtoffer] met een sleutel heeft geraakt.

Ter terechtzitting heeft verdachte voorts verklaard dat hij een steeksleutel in zijn auto had liggen, deze even heeft vastgepakt nadat hij uit het huis van [getuige 1] kwam, maar zich toen bedacht en de sleutel in de auto heeft teruggelegd. Hij heeft verder ter zitting gezegd dat hij met een lichte sleutelbos met een aantal sleutels in de richting van [slachtoffer] heeft gegooid vanaf een afstand van vijf tot vijftien meter. Deze sleutelbos heeft haar niet geraakt, omdat zij was gestruikeld en al op de grond lag toen hij gooide. Verder heeft hij verklaard dat hij, nadat hij met de sleutelbos heeft gegooid, is weggereden. Op een later tijdstip ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met de sleutelbos naar [slachtoffer] heeft gegooid toen zij nog rende en dat zij is gevallen nadat hij had gegooid, dat hij toen naar haar is toegelopen, haar heeft omgedraaid en zag dat zij haar ogen open had. Toen hij zag dat [getuige 1] met een kussen kwam is hij weggereden.

Op basis van de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het door artsen geconstateerde letsel stelt de rechtbank vast dat verdachte met kracht een grote moersleutel of een vergelijkbare sleutel naar [slachtoffer] heeft gegooid en dat zij daarmee tegen het achterhoofd is geraakt. Het door haar opgelopen letsel bestond immers onder meer uit een buil op het achterhoofd. Nadat zij was geraakt, is zij terstond neergevallen. Dit wijst erop dat de klap tegen haar achterhoofd krachtig was en er, mede gezien de afstand tussen verdachte en [slachtoffer], met kracht met een zwaar voorwerp moet zijn gegooid.

Ten gevolge van de val heeft [slachtoffer] aanzienlijk letsel opgelopen in het gezicht. Dit wijst erop dat zij hard op haar gezicht is terechtgekomen bij haar val. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zodanig hard heeft gegooid dat hij in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hierdoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel kon worden toegebracht.

Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer] onder meer een breuk had in het jukbeen en in haar oogkas. Zij heeft naar aanleiding van het opgelopen letsel twee dagen in het ziekenhuis doorgebracht. Zij is niet geopereerd. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake is van aanzienlijk letsel, maar dat dit juridisch niet te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel, nu [slachtoffer] binnen zes weken is hersteld en er geen nader medisch ingrijpen nodig is geweest. Dat het in deze zaak wel een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel betreft, is gelegen in de omstandigheid dat er een grote kans is dat een worp met een grote moersleutel of een vergelijkbaar zwaar voorwerp tegen iemands achterhoofd zwaar lichamelijk letsel oplevert.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de steeksleutel die hij in de auto had liggen, nadat hij deze even heeft vastgepakt, weer heeft teruggelegd in de kofferbak en dat hij slechts met een kleine sleutelbos in de richting van [slachtoffer] heeft gegooid volstrekt ongeloofwaardig, gezien de getuigenverklaringen, het letsel van [slachtoffer] en de tegenstrijdigheid in de door hem ter terechtzitting afgelegde verklaring.

Ten aanzien van feit 2:

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting;

- de aangifte van [getuige 1].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

op 28 juni 2012 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (moer)sleutel met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 28 juni 2012 in de gemeente Brunssum opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een woning aan de [W.weg], toebehorende aan Wonen Zuid, heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van agressieregulatietherapie en een behandelverplichting.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat hij, nu hij minder bewezen acht dan de officier van justitie, de geëiste straf te hoog vindt. Ook in het geval de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht, acht hij de geëiste straf te hoog.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, mede in verhouding tot andere strafbare feiten, op het belang van een juiste normhandhaving, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voorts heeft de rechtbank gelet op de omstandigheid dat verdachte reeds veelvuldig ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld tot gevangenisstraffen en op het gewelddadige karakter van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde.

Verdachte heeft zijn toenmalige vriendin [slachtoffer] tijdens een ruzie vanaf een korte afstand een zwaar stuk gereedschap naar het hoofd gegooid, waardoor zij in elkaar is gezakt en buiten bewustzijn is geraakt. Zij is wakker geworden in het ziekenhuis en had aanzienlijke pijnklachten, een gebroken jukbeen en een gebroken oogkas. Zij heeft twee dagen in het ziekenhuis moeten doorbrengen en is een maand arbeidsongeschikt geweest. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen zeer kwalijk.

Daarnaast neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij, hoewel hij heeft gezien dat [slachtoffer] is gevallen en niet opstond, zich op dat moment niet om haar heeft bekommerd maar in zijn auto is gestapt en is weggereden. De uiteindelijk afgelegde verklaring van verdachte dat hij naar het slachtoffer is gegaan en dat hij weg is gegaan toen hij [getuige 1] met een kussen zag komen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat hij het letsel van [slachtoffer] eigenlijk wel “mee vindt vallen”. Ook overigens heeft verdachte op geen enkel moment aangegeven verantwoordelijkheid te nemen voor wat hij [slachtoffer] heeft aangedaan, dan wel haar - blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring nog altijd bestaande – angst en psychische problemen als gevolg van de mishandeling serieus te nemen. Tekenend is naar het oordeel van de rechtbank in dit verband de reactie van verdachte op de verklaring van [slachtoffer] dat zij nog altijd bang is om verdachte tegen te komen met de woorden “dan moet ze maar in Maastricht blijven”.

Met dit alles zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden.

De agressie van verdachte heeft zich op de betreffende dag niet alleen gericht op [slachtoffer], maar verdachte heeft ook nog een tweetal ruiten van de woning van [getuige 1] vernield. Ook dit levert een strafbaar feit op, waarmee de rechtbank bij de strafoplegging rekening zal houden.

Ten slotte zal de rechtbank er rekening mee houden dat verdachte reeds veelvuldig is veroordeeld wegens soortgelijke feiten en dat hij het onderhavige feit heeft gepleegd gedurende een aan hem bij vonnis van 13 april 2010 opgelegde proeftijd ter zake van gewelddelicten. De eerder opgelegde voorwaardelijke straf heeft hem er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten met een gewelddadig karakter te plegen. De rechtbank vindt dit verontrustend.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte onder andere een agressietraining op te leggen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven hulp van de reclassering aangaande zijn agressieproblematiek op prijs te stellen. De rechtbank is het eens met het advies van de reclassering. Om deze reden zal de rechtbank aan de op te leggen straf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht koppelen, ook indien dat inhoudt dat hij zich moet houden aan een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie (zoals een agressieregulatietraining) en een behandelverplichting.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.522,- ter zake van

feit 1, bestaande uit € 272,- aan materiële schade en € 1.250,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de schadevordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu de vordering voldoende is onderbouwd.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat hij zich kan voorstellen dat de rechtbank de materiële schade zal toewijzen, hoewel hij de kosten betreffende de opname in het Atriumziekenhuis niet voldoende onderbouwd acht.

Ten aanzien van de immateriële schade is hij van mening dat deze door de rechtbank in redelijkheid dient te worden vastgesteld. Het gevorderde bedrag komt hem te hoog voor, met name nu [slachtoffer] bij de eerste hulp niet wilde meewerken aan de medische behandeling. Indien zij wel zou hebben meegewerkt, was het letsel mogelijk beperkter geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade dient te worden toegewezen, nu deze posten niet genoegzaam zijn betwist. De rechtbank zal de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,-. Bij het bepalen van dit bedrag heeft zij aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken. Het overige deel van de immateriële schadevordering wordt door de rechtbank afgewezen. Het totale bedrag aan schadevergoeding is daarmee vastgesteld op een bedrag van € 1.272,-.

Nu de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit 1 subsidiair zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens [slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank besloten tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank d.d. 13 april 2010, gewezen onder parketnummer 03/700395-09.

De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard, zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan, zijn niet aanwezig.

De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarde heeft overtreden;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid,

van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder

begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook indien dit inhoudt een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van

€ 1.272,- (zegge: eenduizendtweehonderdtweeënzeventig euro), zijnde een bedrag van

€ 272,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting

aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

Tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf, te weten gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, aan verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank

d.d. 13 april 2010, gewezen onder parketnummer 03/700395-09 alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. J. Wöretshofer, en mr. J.A.A.C. Claessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 december 2012.

Mr. J.A.A.C. Claessen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2012 in de gemeente Brunssum aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken jukbeen en/of een gebroken oogkas), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) in het gezicht te slaan en/of door (met kracht) een (moer)sleutel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer]

te gooien, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2012 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (moer)sleutel, althans een hard voorwerp, (met kracht) tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2012 in de gemeente Brunssum opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, door deze (in het gezicht) te slaan en/of door (met kracht) een (moer)sleutel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te gooien, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 28 juni 2012 in de gemeente Brunssum opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruit(en) van een woning aan de [W.weg], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Wonen Zuid en/of [getuige 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.