Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY5765

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-12-2012
Zaaknummer
03-700635-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van aanwezig hebben van hennepplanten in een ondergrondse ruimte op een perceel bos/weidegrond. Taakstraf van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700635-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 december 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 november 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met (een) ander(en) 271 hennepplanten in zijn bezit heeft gehad;

Feit 2: samen met (een) ander(en) elektriciteit heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn broer, medeverdachte [naam medeverdachte], 271 hennepplanten aanwezig heeft gehad en dat hij tevens in vereniging elektriciteit heeft gestolen. De hennepplantage was immers aanwezig op zijn perceel grond en verdachte heeft van het bestaan ook afgeweten.

De verklaring van verdachte, dat de plantage buiten zijn medeweten is aangelegd en hij van het bestaan niet op de hoogte was, heeft de officier van justitie als volstrekt ongeloofwaardig betiteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een 3x25 ampère aansluiting heeft laten aanleggen – die de hennepplantage van elektriciteit voorzag – wat veel geld kost, terwijl er buiten de plantage geen noodzaak bestond voor het aanleggen daarvan. Daarnaast was de auto van verdachte precies op het luik geplaatst dat toegang gaf tot de ondergrondse hennepplantage. Verdachte heeft bovendien ter zitting verklaard dat hij deze auto gebruikte als opslagplaats. Dit impliceert volgens de officier van justitie dat verdachte vaker op de het perceel kwam waar de plantage is aangetroffen. Dit blijkt ook uit het feit dat verdachte ter plaatse was tijdens een controle van de dierenpolitie en de aanwezige schuur – die zich op 100 meter afstand bevindt van de aangetroffen hennepplantage – is voorzien van een stil alarm, waarop verdachte reageerde. Gelet op het bovenstaande wist verdachte van de aanwezigheid van de hennepplantage op zijn grond en had hij tevens de beschikkingsmacht daarover.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een algehele vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte het perceel grond waarop de hennepplantage is aangetroffen, verhuurde aan zijn broer, medeverdachte [naam medeverdachte]. Deze [naam medeverdachte] heeft verklaard dat de hennepplantage van hem was. Verdachte kwam bijna nooit op het bewuste stuk grond. De 3x25 ampère aansluiting heeft hij meteen bij aankoop laten aanleggen, omdat hij in de toekomst hier wellicht een huis wilde bouwen en het laten aanleggen van de aansluiting in een later stadium alleen maar duurder zou worden. Het stil alarm bij de schuur is aangelegd omdat er dieren van de medeverdachte gestolen werden. Ook lagen in deze schuur spullen opgeslagen die aan verdachte toebehoorden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 22 november 2011 is in een weiland aan de [H.weg] te Rothem, in een ondergronds gemetselde ruimte, een hennepplantage aangetroffen bestaande uit 271 hennepplanten. Na onderzoek aan de uit de ruimte afkomstige planten blijkt het inderdaad om hennepplanten te gaan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij eigenaar is van het stuk grond waarop de hennepplantage is aangetroffen maar dat hij geen weet had van de plantage. De grond is verhuurd aan zijn broer. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat de aangetroffen hennepplantage van hem is.

Gelet op de ontkennende verklaring van verdachte en het standpunt van de verdediging ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verdachte is aan te merken als medepleger van het aanwezig hebben van 271 hennepplanten. Zij overweegt daartoe als volgt. Allereerst hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij zelden of nooit op dit grondstuk kwam. Immers, bij een controle van een schuur die op deze grond staat door een agente van de dierenpolitie op 15 november 2011 was verdachte aanwezig. Toen verbalisanten op 22 november 2011 wederom ter plaatse waren, nu om een onderzoek te doen naar een eventuele hennepplantage, was het verdachte die reageerde op een in de schuur aangebracht stil alarm. Kortom, in korte tijd verschijnt bij twee bezoeken verdachte ten tonele, en niet de broer die de grond gehuurd zou hebben.

Verder staat verdachtes bestelbus achter de schuur op het perceel geparkeerd. Ook dat maakt dat de rechtbank aanneemt dat verdachte met enige regelmaat op zijn grond kwam. Hem kan dus niet ontgaan zijn wat zich daar afspeelde. De rechtbank baseert deze laatste conclusie op het navolgende.

Uit de foto’s van de ondergrondse plantage maakt de rechtbank op dat het enige tijd moet hebben geduurd om deze te bouwen. Het gaat immers om een kelder die uit twee vertrekken bestaat. Om die kelder te bouwen was het nodig een diep en groot gat te graven, vervolgens de kelder op te metselen en tenslotte alles weer af te dekken. Sporen van de werkzaamheden, zoals omgewoelde aarde, zijn bovengronds zelfs na het voltooien van de werkzaamheden nog enige tijd daarna zichtbaar. De rechtbank kan zich dan ook niet voorstellen dat het aanleggen van deze kelder verdachte, die dus naar de overtuiging van de rechtbank regelmatig op zijn grond kwam, kan zijn ontgaan.

Bovendien kan de rechtbank zich niet voorstellen dat een ander de kelder zou gaan aanleggen zonder dat verdachte daar weet van had en toestemming voor had gegeven. Immers, die ander zou, zodra hij begon met graven, voortdurend moeten vrezen dat hij daarbij door verdachte betrapt zou worden en al zijn werk voor niets zou zijn geweest. Dat is geen logische manier van werken.

Daarbij komt dat door de agente van de dierenpolitie, die op 15 november 2011 op het perceel een controle uitvoerde, een hennepgeur werd geroken bij de schuur. Dit is ook aanleiding voor het nadere onderzoek op 22 november 2011. De verklaring van verdachte dat hij dacht dat kwam omdat zijn broer toen aldaar een joint stond te roken, gelooft de rechtbank niet. De betreffende agente heeft niets gerelateerd met betrekking tot de aanwezigheid van de broer. Het komt de rechtbank bovendien zeer onlogisch voor dat de broer, die weet heeft van de plantage, bij aanwezigheid van een agente een joint zou gaan roken. Dat zou alleen maar gevaar van ontdekking met zich mee brengen. Tenslotte brengt verdachte deze verklaring pas op de zitting naar voren, wat ook niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid.

Naar het oordeel van de rechtbank ging het toen dus niet om de geur van een joint maar om de lucht van de hennepplantage. Verdachte heeft die lucht bij eerdere bezoeken aan zijn grond ook moeten ruiken, net zoals de politieagente dat heeft gedaan. Bovendien zijn in de nabijheid van die schuur grote hoeveelheden hennepafval aangetroffen. Ook dit heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank moeten zien.

Bij dit alles komt dat het verdachte was die de 3x25 ampère aansluiting heeft laten aanleggen op zijn naam, en dat het deze aansluiting was die de hennepplantage voorzag van stroom. De verklaring van verdachte, “dat het voor later was want je weet maar nooit”, is wederom ongeloofwaardig.

Tevens was het verdachtes auto, die precies boven op het luik geparkeerd stond dat toegang gaf tot de hennepplantage, waardoor dit als het ware aan het oog werd onttrokken en alsdus verborgen werd. Dat zijn broer die auto daarvoor zou gebruiken zonder dat verdachte wist van het bestaan van de kelder acht de rechtbank wederom ongeloofwaardig. Immers, die broer zou dan het risico lopen dat verdachte op een dag zijn auto zou ophalen en dan de ingang naar de kelder zou ontdekken. Als de broer de plantage werkelijk voor verdachte verborgen had moeten houden, dan zou hij het niet op deze manier hebben gedaan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank er van overtuigd dat verdachte niet alleen wist van het bestaan van de hennepplantage op zijn grondstuk maar dat hij ook actief bij de exploitatie daarvan betrokken was. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met zijn broer, 271 hennepplanten aanwezig heeft gehad.

Nu de verdachte diefstal van elektriciteit ontkent en de aanwezigheid van een hennepplantage niet automatisch impliceert dat er sprake is van diefstal van elektriciteit, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte samen met zijn broer elektriciteit heeft gestolen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het tenlastegelegde onder 2.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 22 november 2011 in de gemeente Meerssen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 271 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf van 60 uur, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij verzocht een taakstraf op te leggen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft een hennepplantage met 271 planten aanwezig gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het is algemeen bekend dat de inwoners van Zuid-Limburg veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd door een hennepplantage te exploiteren.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS ter zake van hennepkwekerijen. Gelet hierop neemt de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf van zes weken.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de mate van professionaliteit van de aangetroffen hennepplantage, de grote hoeveelheid planten en het feit dat verdachte kosten nog moeite heeft gespaard de hennepplantage voor politie en justitie verborgen te houden door in een weiland een ondergrondse ruimte uit te graven ten behoeve van de exploitatie van de hennepplantage.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van Opiumwetdelicten is veroordeeld.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om in het onderhavige geval van het uitgangspunt van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf af te wijken en te volstaan met een taakstraf. Gelet op het genoemde oriëntatiepunt en de mate van professionaliteit van de hennepplantage, zal de rechtbank echter wel een hogere taakstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles overwegende vindt de rechtbank passend om verdachte op te leggen een taakstraf van 100 uren, bij niet verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar rato van 2 uur taakstraf per ondergane dag hechtenis.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij Enexis B.V. vordert een schadevergoeding van € 9.241,69 terzake van feit 2.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 van 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf, naar rato van twee uur per dag.

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij Enexis B.V. in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij Enexis B.V. in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 december 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 november 2011 in de gemeente Meerssen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 271 hennepplanten in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en 22 november 2011 in de gemeente Meerssen, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.