Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY3171

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
14-11-2012
Zaaknummer
156644 / HA ZA 10-1313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van aanneming van werk. In conventie wordt de vordering van de opdrachtgever wegens schuldeisersverzuim afgewezen. De opdrachtgever heeft aannemer niet in de gelegenheid gesteld opleveringspunten waarover geen verschil van mening bestaat te herstellen. In reconventie heeft de rechtbank de aannemer met toepassing van artikel 6:60 BW bevrijd van zijn verplichtingen, en daarbij bepaald dat de aannemer geen aanspraak meer kan maken op (vermeende) vorderingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst en het daarop betrekking hebben meer/minderwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2013/21

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 156644 / HA ZA 10-1313

Vonnis van 22 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.G.P. Voragen te [woonplaats],

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1],

gevestigd te Heerlen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [wo[woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in vrijwaringsincident van 2 maart 2011,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis nader op heden bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 7 juni 2005 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst van aanneming van werk gesloten, waarbij [eiser] aan [gedaagden] opdracht heeft gegeven “tot het bouwen van een buitentrap met nevenruimten gelegen aan de [adres] te [woonplaats], overeenkomstig de tot deze overeenkomst behorende, door partijen gewaarmerkte hierna genoemde stukken”.

2.2. De aanneemsom bedraagt € 53.344 exclusief BTW.

2.3. Naar aanleiding van een verschil van mening ten aanzien van de uitvoering van het werk hebben partijen in juni 2006 gezamenlijk[naam] (hierna: [naam]) ingeschakeld.

2.4. [naam] heeft op 25 oktober 2007 schriftelijk gerapporteerd. Boven het rapport staat vermeld “vijfde, definitieve versie”.

2.5. Op verzoek van [eiser] heeft de rechtbank te Maastricht een voorlopig deskundigenonderzoek gelast, uit te voeren door Volantis Adviseurs & Ingenieurs (hierna: Volantis).

2.6. Volantis heeft schriftelijk gerapporteerd op 18 december 2009.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert na eiswijziging samengevat - :

a. voor recht te verklaren dat [gedaagden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen;

b. de overeenkomst tussen partijen geheel of partieel en wel voor dat gedeelte dat overeenkomt met de reeds geleden en nog te leiden schade door [eiser] te ontbinden;

c. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;

d. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 20.000;

e. [gedaagden] te verplichten de overeenkomst na te komen;

f. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 904, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente;

g. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met rente;

voorwaardelijk

h. primair: het tussen partijen overeengekomen bindend advies, vermeend bestaande uit het rapport van [naam], te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de aannemingsovereenkomst geheel, dan wel partieel voor het gedeelte dat overeenkomt met de door [eiser] reeds geleden en nog te lijden schade te ontbinden met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten;

i. subsidiair: het tussen partijen overeengekomen bindend advies, vermeend bestaande uit het rapport van [naam] te vernietigen en opnieuw rechtdoende [gedaagden] te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming van werk, omdat het werk tot op heden niet is opgeleverd en het werk bovendien gebreken vertoont. [eiser] wil primair (partiële) ontbinding van de aannemingsovereenkomst omdat hij niet wil dat [gedaagden] herstelwerkzaamheden verricht. Uit het rapport van Volantis volgt een schadebedrag van € 16.500. Verder stelt [eiser] dat hij op basis van paragraaf 42 UAV recht heeft op een bedrag van minimaal € 50.000 wegens te late oplevering. [eiser] wil verwijzing naar de schadestaatprocedure, maar is van mening dat hem nu in ieder geval al een bedrag van € 20.000 toekomt.

Voor het geval de rechtbank de aannemingsovereenkomst niet (partieel) ontbindt, vordert [eiser] nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst. In dat geval dienen de geconstateerde gebreken volgens het rapport van Volantis voor rekening van [gedaagden] te worden hersteld.

Geheel voorwaardelijk – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat partijen middels inschakeling van [naam] bindend advies zijn overeenkomen – stelt [eiser] dat gebondenheid aan het rapport van [naam] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het rapport geen allesomvattend oordeel geeft over de aanwezige gebreken in het door [gedaagden] uitgevoerde werk en een concrete waardevermindering als gevolg van een groot aantal kleinere gebreken niet in het rapport is opgenomen.

3.3. [gedaagden] voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagden] vorderen samengevat –

- veroordeling van [eiser] tot betaling van € 13.620,21, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten;

- [gedaagden] op grond van artikel 6:60 BW te bevrijden hun verbintenis op grond van de overeenkomst van aanneming na te komen;

- veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.6. [gedaagden] stellen dat [eiser] een deel van de aanneemsom op grond van de initiële overeenkomst en meerwerk, in totaal een bedrag van € 13.620,21 niet heeft voldaan. De laatste termijn ten bedrage van € 3.173,90 en de meerwerkopgave van de onderaannemer voor een bedrag van € 1.394 hebben [gedaagden] nog niet bij [eiser] in rekening gebracht.

Verder stellen [gedaagden] dat zij diverse malen kenbaar hebben gemaakt dat zij hun verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming conform het rapport van [naam] wensen na te komen, maar dat [eiser] weigert zijn medewerking daaraan te leveren. Volgens [gedaagden] is er sprake van schuldeisersverzuim en wensen zij op die grond bevrijd te worden van hun verbintenis op grond van de overeenkomst van aanneming van werk.

3.7. [eiser] voert verweer.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat zij geen acht zal slaan op de stellingen van [eiser] in zijn conclusie van dupliek in reconventie voor zover betrekking hebbend op de vorderingen in conventie.

Verjaring en oplevering

4.2.1. [gedaagden] doen primair een beroep op verjaring als bedoeld in artikel 7:761 BW nu, volgens [gedaagden], [eiser] meer dan twee jaar heeft laten verstrijken tussen zijn eerste klaagbrief van 21 maart 2006 en zijn daaropvolgende klaagbrief van 14 oktober 2008.

4.2.2. [eiser] is van mening dat van verjaring geen sprake is omdat het werk tot op heden niet is opgeleverd.

4.2.3. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de verjaringstermijn van twee jaar als bedoeld in artikel 7:761 BW het werk in ieder geval moet zijn opgeleverd. Uit artikel 7:758 BW volgt dat een werk na aanvaarding door de opdrachtgever als opgeleverd wordt beschouwd.

4.2.4. De rechtbank volgt [eiser] in zijn stelling dat het werk nog niet is opgeleverd. Uit de stellingen van partijen volgt dat partijen gezamenlijk [naam] hebben ingeschakeld “om het werk … op te nemen en met partijen overleg te plegen over oplevering en meer- en minderwerk te beoordelen” (citaat uit het rapport van [naam]). De rechtbank begrijpt dat [naam] maar liefst vier concept-rapporten heeft uitgebracht alvorens definitief te rapporteren. Geen van de partijen heeft uitgelegd waarom vier concept-rapporten nodig waren en de conceptrapportages zijn niet overgelegd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vijfde definitieve versie van het rapport de definitieve opleveringspunten volgens [naam] behelst. Los van de vraag of het rapport van [naam] voor beide partijen bindend is, volgt uit de inhoud van het rapport al impliciet dat [eiser] het werk niet heeft aanvaard. Van stilzwijgende goedkeuring (met als gevolg decharge van de aannemer), zoals door [gedaagden] bij conclusie van dupliek gesteld, kan dan ook geen sprake zijn. Dat [eiser] het werk in gebruik heeft genomen doet aan bovenstaande niet af, nu uit het rapport van Volantis blijkt dat het pand van [eiser] een zogenoemde drive-in woning is, waarvan de hoofdingang op de eerste verdieping is gelegen en het door [gedaagden] gerealiseerde werk, namelijk een buitentrap (met daaronder een kelderberging), de verbinding vormt tussen het straatniveau en de hoofdingang van de woning. Ingebruikname is - naar het oordeel van de rechtbank - dan ook inherent aan de functie van de trap en is niet maatgevend voor de ernst van de gestelde gebreken.

Na het vijfde rapport van [naam] bestaat tussen partijen nog steeds een verschil van mening over het bestaan en de ernst van eventuele (opleverings)gebreken en is het werk nog niet door [eiser] aanvaard. Van oplevering is dan ook nog steeds geen sprake.

4.2.5. Nu het werk niet is opgeleverd, is de rechtbank van oordeel dat de verjaringstermijn van twee jaar als bedoeld in artikel 7:761 lid 1 BW nog niet is aangevangen. Niet gesteld of gebleken is dat anderszins sprake is van verjaring. Het beroep van [gedaagden] op verjaring zal dan ook worden gepasseerd.

Bindend advies

4.3.1. [gedaagden] stellen voorts dat [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu partijen [naam] om bindend advies hebben gevraagd en zij om die reden zijn gehouden aan het oordeel van [naam]. Ter onderbouwing van hun stelling verwijzen [gedaagden] naar:

(i) de brief van de voormalige raadsvrouwe van [eiser] van 13 april 2006 aan [gedaagden] waarin zij schrijft “de oplevering van het werk zal dan geschieden in het bijzijn van een bouwkundig expert die de dan geconstateerde gebreken zal noteren in een proces-verbaal van oplevering”,

en

(ii) de brief van de voormalige raadsvrouwe van [eiser] van 16 november 2006 aan [naam] waarin zij mede namens [gedaagden] aan [naam] verzoekt “objectief en onafhankelijk een oordeel te geven over de geschilpunten die partijen verdeeld houden”. Verder voeren [gedaagden] ter onderbouwing van hun stelling aan dat alle correspondentie van en naar [naam] is gezonden naar beide partijen en dat partijen de declaratie van [naam] gezamenlijk, ieder voor een gelijk deel, hebben voldaan.

4.3.2. [eiser] betwist dat er sprake is van een bindend advies. De door [gedaagden] aangevoerde argumenten leiden volgens hem op zich en in hun onderlinge verband niet tot die conclusie.

4.3.3. De rechtbank is van oordeel dat noch uit de overgelegde brieven, noch uit het feit dat partijen gezamenlijk [naam] hebben ingeschakeld en betaald en noch uit het feit dat Van Kant beide partijen bij zijn onderzoek heeft betrokken volgt dat partijen bindend advies zijn overeengekomen. [gedaagden] heeft geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank, al dan niet middels toepassing van het Haviltex-criterium, kan vaststellen dat partijen bindend advies zijn overeengekomen. In het bijzonder ontbreken aanknopingspunten voor de conclusie dat partijen zich op voorhand hebben verplicht zich te conformeren aan de bevindingen van [naam]. De stelling van [gedaagden] dat partijen bindend advies hebben afgesproken zal dan ook als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering.

Schuldeisersverzuim

4.4.1. [gedaagden] stellen vervolgens dat er sprake is van schuldeisersverzuim (6:60 BW), omdat [eiser] hun niet in de gelegenheid heeft gesteld herstelwerkzaamheden uit te voeren. [gedaagden] verwijzen daarbij naar:

- de brieven van 17 februari 2006 en 15 maart 2006 van [gedaagden] aan [eiser];

- de brief 21 maart 2006 van de voormalige raadsvrouwe van [eiser] aan [gedaagden];

- het rapport van [naam];

- de brief van 14 oktober 2008 van de raadsman van [eiser] aan [gedaagden]

4.4.2. [eiser] betwist dat hij het aanbod van [gedaagden] om te herstellen heeft geweigerd.

4.4.3. De rechtbank overweegt het volgende. Zoals hiervoor overwogen is er nog steeds geen sprake van een opgeleverd werk. Partijen zijn met in achtneming van onder andere de bepalingen van titel 15 boek 7 BW nog steeds gehouden aan hun verplichtingen op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst van aanneming van werk. De aanneming van werk strekt ertoe dat de aannemer een werk tot stand brengt en oplevert dat beantwoordt aan de (met de overeenkomst strokende) wensen van de opdrachtgever. Na de voltooiing van zijn werkzaamheden heeft de aannemer de medewerking van de opdrachtgever nodig om te kunnen voldoen aan zijn verplichting het werk te kunnen opleveren en zich van zijn verbintenis tot uitvoering en oplevering van het aangenomen werk te kunnen kwijten.

4.4.4. Uit de stellingen van partijen volgt dat zij vanaf het najaar van 2005 een verschil van mening hebben over (de kwaliteit van) de uitvoering van het werk. Op 13 november 2005 heeft een tussentijdse opname plaatsgevonden, waarbij een aantal gebreken/herstelpunten is geconstateerd. Uit de brieven waarnaar [gedaagden] verwijzen blijkt dat [gedaagden] bereid waren/zijn de - volgens hen - “terechte opleveringspunten bij te werken”, maar dat zij daarin door [eiser] worden belemmerd (brief van 17 februari 2006) dan wel dat [eiser] de aangeboden werkzaamheden wederom schorst (brief van 15 maart 2006). Ook uit de brieven van de raadslieden van [eiser] van 21 maart 2006 en 14 oktober 2008 kan worden afgeleid dat [eiser] niet bereid was/is [gedaagden] toe te laten om de gebreken waarover partijen niet van mening verschillen te herstellen. De door [eiser] aangevoerde redenen voor zijn weigering [gedaagden] toe te laten (te weten: weersomstandigheden [brief 21 maart 2006] en geboden uitstel in verband met het voorlopig deskundigenbericht [14 maart 2008]) doen daar niet aan af, nu niet is gesteld of gebleken dat op een ander tijdstip (bij bijvoorbeeld betere weersomstandigheden) gelegenheid is geboden herstelwerkzaamheden te verrichten en evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagden] akkoord is gegaan met het verleende uitstel in verband met het voorlopig deskundigenbericht.

De rechtbank betrekt daarbij dat [naam] in zijn rapport stelt: “de sfeer tijdens deze en latere overleg-sessies kan niet altijd als even zakelijk worden geduid. Het lijkt niet uitgesloten, gezien de uitgesproken opvatting van de heer [naam 3], dat de aannemer niet meer in de gelegenheid gesteld wordt het werk af te maken.” Bovendien blijkt uit de conclusie van dupliek in conventie dat [eiser] in beginsel niet meer wil dat HBS de herstelwerkzaamheden verricht.

4.4.5. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onder voormelde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat:

- [gedaagden] bereid zijn de opleveringspunten waarover geen verschil van mening bestaat te herstellen;

- de door [gedaagden] verschuldigde prestatie niet mogelijk is zonder medewerking van [eiser] en dat hij zich dat ook realiseert;

- hij zijn medewerking niet heeft verleend;

- een rechtvaardiging daarvoor ontbreekt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van schuldeisersverzuim.

Niets wijst er op dat [eiser] [gedaagden] wel zou hebben toegelaten de niet door [gedaagden] erkende gebreken te herstellen, zodat geen aanleiding bestaat ter zake die gebreken anders te beslissen.

Gevolgen van het schuldeisersverzuim

4.5.1. Zolang het schuldeisersverzuim van [eiser] duurt kunnen [gedaagden] niet in verzuim geraken en kan [eiser] geen nakoming of schadevergoeding vorderen. Evenmin is hij bevoegd is de overeenkomst te (doen) ontbinden. Dit betekent dan ook dat de rechtbank de vorderingen in conventie zal afwijzen.

Proceskosten

4.6. [eiser] zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht 560,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 1.718,00

in reconventie

Betaling € 13.620,21

4.7.1. [gedaagden] vorderen betaling van € 13.620,21 en stellen dat [eiser] een deel van de aanneemsom en verricht meerwerk niet heeft voldaan.

4.7.2. [eiser] betwist dat [gedaagden] meerwerk hebben verricht. Voor zover mocht komen vast te staan dat er meerwerk is verricht betwist [eiser] de hoogte van het in rekening gebrachte meerwerk en meer in het bijzonder het door [gedaagden] gehanteerde uurtarief. Verder stelt [eiser] dat hij op grond van paragraaf 40 lid 2 UAV de in rekening gebrachte termijn van de aanneemsom niet is verschuldigd omdat het werk niet is opgenomen.

4.7.3. De rechtbank leidt uit de overlegde producties af dat het bedrag van € 13.620,21 voor € 12.695,87 betrekking heeft op de achtste termijn van de aanneemsom (factuur 2006005 en uit de overeenkomst volgt: “Termijn 8: natuursteen 20%”) en voor € 924,34 op meerwerk na verrekening met minderwerk (facturen 2005-042 en 2005-035). Verder blijkt uit de producties dat het werk op 20 oktober 2005 en 28 november 2005 tussentijds door de heer [naam 2], de door [eiser] ingeschakelde architect (hierna: [naam 2]) is opgenomen.

4.7.4. Uit de opnamestaat van [naam 2] in relatie tot de overeenkomst leidt de rechtbank af het werk ten tijde van de tussentijdse opname nagenoeg voltooid was. Nu een opname heeft plaatsgevonden slaagt het beroep van [eiser] op paragraaf 40 lid 2 UAV niet en is hij in ieder geval de achtste termijn, te weten € 12.695,87 aan [gedaagden] verschuldigd.

4.7.5. Artikel 7:755 BW bepaalt dat in geval van meerwerk een aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

4.7.6. Uit de opnamestaat van [naam 2] blijkt dat er sprake is van meer- en minderwerk. Het primaire verweer van [eiser] dat geen meerwerk is verricht zal de rechtbank dan ook passeren. Vervolgens betwist [eiser] de hoogte van het bedrag dat ter zake meerwerk in rekening is gebracht. Hij laat echter volledig in het midden hoeveel [gedaagden] volgens hem wel had mogen vragen voor het verrichte meerwerk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de [gedaagden] recht hebben op betaling van € 924,34 ter zake meerwerk (na verrekening met minderwerk).

Toepassing 6:60 BW

4.8.1. [gedaagden] vorderen verder te bepalen dat zij op grond van 6:60 BW zijn bevrijd van hun verplichtingen op grond van de overeenkomst van aanneming van werk.

4.8.2. Artikel 6:60 BW bepaalt dat in geval van schuldeisersverzuim de rechtbank op vordering van de schuldenaar kan bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn, al dan niet onder door de rechter te stellen voorwaarden.

4.8.3. Zoals reeds in conventie overwogen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van schuldeisersverzuim. Mede gelet op de tijdsverloop in deze zaak en het feit dat het partijen tot op heden ondanks inschakeling van deskundigen niet is gelukt ten aanzien van de opleveringspunten overeenstemming te bereiken, zal de rechtbank de vordering toewijzen. Echter, onder de omstandigheid dat [gedaagden] impliciet erkennen dat in ieder geval een aantal gestelde gebreken voor herstel in aanmerking komt (zie hun brieven van 17 februari 2006 en 15 maart 2006, bovendien is bij conclusie van antwoord een aantal door [eiser] gestelde opleveringspunten niet betwist), acht de rechtbank het niet billijk dat de gevolgen van onvoorwaardelijke toepassing van artikel 6:60 BW volledig voor rekening van [eiser] blijven. Bij onvoorwaardelijke toepassing van artikel 6:60 BW worden [gedaagden] immers bevrijd van hun verplichtingen en genieten zij voordeel omdat zij niet meer zijn gehouden de gestelde, deels erkende (opleverings)gebreken te herstellen, terwijl [eiser] wel nog gebonden is aan de overeenkomst (waaronder betaling van verschuldigde bedragen en [gedaagden]) en achter blijft met een niet opgeleverd (deels) gebrekkig werk. De rechtbank zal dan ook een voorwaarde stellen aan de toepassing van 6:60 BW.

4.8.4. Bij het vaststellen van de voorwaarde houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het rapport van Volantis dat in conventie (althans na eiswijziging) de basis vormt van de vordering. In conventie is de rechtbank niet toegekomen aan de beoordeling van dat rapport. Het rapport is echter in dit verband wel relevant. Uit het rapport van Volantis kan worden afgeleid dat nog voor een bedrag van ongeveer € 16.500 aan opleveringswerkzaamheden moet worden uitgevoerd. Partijen hebben zich nauwelijks uitgelaten over de inhoud van het rapport, de (juridische) consequenties van het rapport en de overeenkomsten en verschillen tussen de rapporten van [naam] en Volantis. De rechtbank ziet, gelet op de uitermate summiere stellingname van partijen, geen reden de bevindingen van Volantis terzijde te schuiven en gaat ervan uit dat [gedaagden] bij onverkort handhaven van de overeenkomst nog voor ongeveer € 16.500 aan opleveringswerkzaamheden zal moeten verrichten.

4.8.5. Verder houdt de de rechtbank rekening met het feit dat [gedaagden] stellen een bedrag van in totaal € 4.567,90 nog niet bij [eiser] in rekening te hebben gebracht.

4.8.6. Nu de (vermeende) vorderingen van [gedaagden] (€ 13.620,21 plus € 4.567,90) de kosten van de opleveringswerkzaamheden conform het rapport van Volantis (€ 16.500) uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van werk benaderen, acht de rechtbank het redelijk dat [gedaagden] geen aanspraak meer maakt op haar vorderingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk.

4.8.7. Naar aanleiding van de opmerking van [eiser] dat hij een hoger bedrag van [gedaagden] heeft te vorderen overweegt de rechtbank nog (ten overvloede) dat verwijzing naar de schadestaat - naar haar oordeel - niet aan de orde is, nu aan de hand van de rapporten van [naam] en Volantis, al dan niet na een nadere bewijsopdracht, vastgesteld kan worden wat de opleveringspunten zijn en welke kosten daarmee zijn gemoeid. Evenmin is een boete ter zake te late oplevering aan de orde, nu op basis van de stellingen van partijen niet kan worden vastgesteld dat de oplevering enkel door toedoen van [gedaagden] nog niet heeft plaatsgevonden.

4.8.8. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [gedaagden] wegens schuldeisersverzuim van [eiser] zullen zijn bevrijd van hun verplichtingen op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomt van aanneming van werk van 7 juni 2005 en dat [gedaagden] geen aanspraak meer maakt op hun (vermeende) vorderingen uit hoofde van diezelfde overeenkomst van aanneming van werk en het daarop betrekking hebbend meer/minderwerk.

Conclusie

4.9. Gelet op de hiervoor gestelde voorwaarde dat [gedaagden] afstand doen van hun (vermeende) vorderingen uit hoofde van de overeenkomst van aanneming van werk en het daarop betrekking hebbend meer/minderwerk, zal de rechtbank de vordering in reconventie tot betaling van € 13.620,21 afwijzen.

Proceskosten

4.10. Aangezien in reconventie elk van partijen als gevolg van de gestelde voorwaarde als bedoeld in 4.8.8. als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.718,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. bepaalt dat [gedaagden] op grond van artikel 6:60 BW zijn bevrijd van hun verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk van 7 juni 2005 en dat [gedaagden] geen aanspraak meer toekomt op hun (vermeende) vorderingen uit hoofde van diezelfde overeenkomst van aanneming van werk en het daarop betrekking hebbend meer/minderwerk.

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Driessen en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012.?