Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY2688

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
08-11-2012
Zaaknummer
03-700066-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als drugsrunner heroine verkocht aan een Fransman en heeft daarna enkele verbalisanten bedreigd door met hoge snelheid op de auto van de verbalisanten af te rijden, teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. De door de verbalisanten ingediende schadevorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard, nu de door hen geleden immateriele schade niet valt onder artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/700066-12 en 16/504085-09 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Raadsman is mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander of anderen heroïne heeft gedeald;

feit 2: samen met een ander of anderen geprobeerd heeft om drie politieagenten te doden, dan wel aan deze politieagenten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel deze politieagenten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling;

feit 3: de plaats ongeval heeft verlaten;

feit 4: een personenauto heeft vernield.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten onder 1, 2 meer subsidiair, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij voert daartoe aan dat het Joint Hit Team vanaf de parkeerplaats [naam] op de A2, de auto, waarvan verdachte bestuurder was, ononderbroken onder observatie heeft gehad. Op zeer korte afstand achter de Seat Leon van verdachte reed een auto met een Frans kenteken. Beide auto’s seinden meerdere keren naar elkaar. In Sittard stapte de bestuurder van de Franse auto achter in de Seat Leon, waarin op dat moment twee mannen zaten. Na terugkomst van de Seat Leon bij de Franse auto werden de inzittenden van beide auto’s aangehouden. Verdachte was de bestuurder van de Seat Leon. Zowel bij de bestuurder van de Franse auto (medeverdachte [naam medeverdachte 1]) als bij de bijrijder van de Seat Leon (medeverdachte [naam medeverdachte 2]) werd heroïne aangetroffen. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de drugs van de bijrijder van de Seat Leon had gekocht.

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van mening dat verdachte niet het opzet op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel had, nu hij uit eigen beweging een stuurbeweging met zijn auto heeft gemaakt, waardoor een aanrijding met de politieauto kon worden voorkomen. Het met hoge snelheid op de auto van verbalisanten inrijden en het ternauwernood ontwijken van deze auto levert volgens de officier van justitie echter wel een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op. Het relaas van verdachte dat de afstand tussen zijn auto en die van de verbalisanten ongeveer een meter bedroeg acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3. Ten aanzien van bewezenverklaring van feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zijn drugs had gekocht van de bijrijder, zijnde [naam medeverdachte 2]. Bij [naam medeverdachte 2] is ook een kleine hoeveelheid drugs aangetroffen.Bij verdachte, noch in zijn auto, zijn drugs aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had omtrent een op handen zijnde drugstransactie. Van enige nauwe en bewuste samenwerking met [naam medeverdachte 2] kan dan, volgens de raadsman, ook niet worden gesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de dood van of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten, ook niet in voorwaardelijke zin. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte maximaal 50 kilometer per uur met zijn auto kan hebben gereden. Verdachte zelf heeft aangegeven dat hij 40 kilometer per uur reed. De afstand tussen de auto van verdachte en de auto waarin de verbalisanten zaten (hierna: de politieauto) bedroeg enkele tientallen meters. Op het moment dat verdachte snelheid maakte kwam de politieauto de bocht omrijden. De politieauto was van het merk Toyota, type Corolla Verso, bouwjaar 2010. Uit een crashtest blijkt dat een frontale botsing met een dergelijke auto niet leidt tot de dood of zwaar lichamelijk letsel van de inzittenden.

Verdachte kan zo evenmin het opzet op bedreiging van de verbalisanten hebben gehad. Verdachte is immers op het moment dat hij de politieauto zag om die auto heen gereden.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat op het moment dat verdachte door de politie werd aangehouden, hij zijn identiteit en die van zijn auto bekend heeft gemaakt. Volgens de raadsman is dan ook de uitzondering van artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

feiten 1 en 2

Op 24 januari 2012 waren de verbalisanten van het Joint Hit Team in de avonduren op de autosnelweg A2 bezig met de bestrijding van drugsrunnen. Zij bevonden zich allen tussen de Belgische grens en de afrit Gronsveld. De verbalisanten verplaatsten zich in onopvallende dienstvoertuigen die uitgerust waren met optische signalen en geluidssignalen. Allen droegen een jas waarop door middel van een stoffen lap in fluorescerende letters het woord ‘politie’ te lezen was op zowel de voor- als achterzijde.

Op woensdag 25 januari 2012, kort na middernacht, reden de verbalisanten [L.] en [D.] over de A2 komende vanaf de Belgische grens en rijdende richting Maastricht. Zij zagen dat er op enkele honderden meters voor de afrit Eijsden een Seat Leon met het Nederlandse kenteken [xx-xx-xx] op de vluchtstrook stil stond. Dit voertuig voerde de verlichting evenals de alarmlichten. Verbalisanten [L.] en [D.] zagen vervolgens dat voornoemde Seat Leon het tankstation [naam] passeerde en dat er een Renault Clio met het Franse kenteken [‘N NUMMER] direct achter reed. De Seat Leon deed meerdere keren de gevarenlichten voor enkele seconden aan, waarop de Franse auto kort knipperde met groot licht richting de Seat Leon. Beide voertuigen reden over de A2 Maastricht binnen, waarna zij bij de kruising De Geusselt recht overstaken en via de A2 richting Urmond reden. De Seat Leon en de Renault Clio namen de afslag Urmond en reden verder in de richting van Sittard. De verbalisanten zagen dat de Franse Renault Clio in de [F.straat] te Sittard werd geparkeerd en dat de Seat Leon naast de Renault op de rijbaan stilstond terwijl de motor nog draaide. In de Seat Leon zaten op dat moment twee mannen. Verbalisant [D.] zag dat de bestuurder van de Franse Renault zijn voertuig verliet en aan de achterzijde instapte in de Seat Leon. De Seat Leon reed daarna met de drie inzittenden weg richting de [W.straat] te Sittard. Door alle verbalisanten werden vervolgens posities ingenomen in de directe omgeving van de geparkeerde Franse Renault, waarbij er constant zicht op die Renault werd gehouden.

Op 25 januari 2012 te 01:37 uur zag verbalisant [D.] een personenauto komen aanrijden over de [F.straat], de auto kwam vanaf de [W.straat] en reed in de richting van de [H.straat]. Dit betrof de Seat Leon met het kenteken [xx-xx-xx]. Verbalisanten [E.] en [D.] zagen dat de Seat Leon midden op de rijbaan van de [F.straat] te Sittard stopte, direct naast de aldaar geparkeerde Franse Renault Clio. In de Seat Leon zaten toen drie personen. Op dat moment werd besloten om alle inzittenden van de Seat Leon aan te houden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Alle verbalisanten droegen op dat moment hun zwarte dienstjassen met daarop duidelijk op voor- en achterzijde zichtbaar het opschrift ‘POLITIE’. Vervolgens reden de dienstvoertuigen van verschillende zijden richting de Seat Leon, die op de [F.straat], nabij de kruising [E.straat] stond. Verbalisant [J.] parkeerde zijn dienstauto direct achter de Seat Leon en voerde daarbij de blauwe optische verlichting. Verbalisanten [D.] en [E.] benaderden de Seat Leon vanaf de voorzijde, waarbij het opschrift van hun dienstjassen duidelijk zichtbaar was voor de inzittenden van de Seat Leon omdat de dimverlichting van deze auto direct scheen op hun jassen met fluorescerende belettering ‘POLITIE’. Verbalisant [D.] riep meerdere keren met zeer luide en niet mis te verstane stem ‘politie, politie, staan blijven!’

Vervolgens werd door de verbalisanten gezien dat een man achter uit de Seat Leon stapte en richting de Franse Renault liep. Deze persoon, die later medeverdachte [naam medeverdachte 1] bleek te zijn, werd door de verbalisanten [D.] en [J.] aangehouden. Bij [naam medeverdachte 1] werd 1,4 gram op heroïne gelijkende stof aangetroffen. Deze stof is inbeslaggenomen en getest door het Nederlands Forensisch Instituut. Het testresultaat is dat de stof cocaïne en heroïne bevat.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de bestuurder van de Renault Clio was en dat hij een auto met knipperlichten langs de kant van de weg zag staan. Hij verkeerde in de veronderstelling dat het een dealer was. Tevens verklaarde hij dat hij van de bijrijder van de Seat Leon ongeveer 1 gram cocaïne en 1,5 gram heroïne had gekocht.

Medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij, nadat verdachte die andere man die bij hen in de auto zat ergens in Sittard had afgezet, hoorde dat er ‘politie, politie’ werd geroepen en dat hij blauw zwaailicht zag. Hij had toen tegen verdachte gezegd dat het politie was en dat hij moest stoppen.

Verbalisanten [E.], [D.], [L.], [J.] en [O.] zagen dat de Seat Leon met hoog toerental en vanuit stilstand zeer snel accelereerde en vooruit weg reed richting de [H.straat]. Verbalisanten [T.] en [P.] reden vanaf de [S.straat] rechtsaf de [F.straat] in en hadden op dat moment als enige nog geen zicht op de Seat Leon. Achterin de auto van [T.] en [P.] zat aspirant allround politiemedewerker [L.], die op dat moment stage liep bij het Joint Hit Team. De Seat Leon ging, ondanks dat de rijbaan geblokkeerd werd door het voertuig van de verbalisanten [T.] en [P.], steeds harder rijden en kwam met een niet in te schatten, maar zeer hoge snelheid recht op hen af gereden. Op het moment dat de Seat Leon de politieauto waarin [T.] en [P.] zaten, nog maar op enkele centimeters was genaderd, week de Seat Leon plotseling uit naar rechts en vervolgde zijn weg richting [H.straat] en [I.weg].

Uit onderzoek van de afdeling Forensische Opsporing, VerkeersOngevalAnalyse, is gebleken dat de afstand tussen de plaats waar de Seat Leon stilstond bij de T-kruising [F.straat] met de [E.straat] en de uitmonding van de [F.straat] met de [K.straat], waar de Seat Leon in bijna botsing kwam met het hem tegemoetkomend politievoertuig, ongeveer 31,65 meter is. Ervan uitgaande dat de Seat Leon zo snel als mogelijk vanuit stilstand wegreed en gelet op het type auto (Seat Leon 2.8 VR6 150 kw) en het grof asfaltstructuur van de [F.straat] kan volgens de VerkeersOngevalAnalyse een maximale accerelatie van 3 meter per seconde als zeer aannemelijk en reëel worden beschouwd. Op grond van deze gegevens kan de bestuurder van de Seat Leon op het moment dat hij bijna in botsing kwam met het hem tegemoetkomend politievoertuig met een maximale snelheid van 50 kilometer per uur hebben gereden.

Na een korte achtervolging werden de inzittenden van de Seat Leon, zijnde verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 2], aangehouden.

Bij medeverdachte [naam medeverdachte 2] troffen de verbalisanten € 70,00 papiergeld aan alsmede 1,4 gram op heroïne gelijkende stof. Deze stof is inbeslaggenomen en getest door het Nederlands Forensisch Instituut. Het testresultaat hiervan is dat de stof heroïne bevat.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de eigenaar was van de Seat Leon en dat hij naar Limburg was gekomen met de man die tegelijk met hem was aangehouden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de verkoop van heroïne. Uit de gedragingen van verdachte blijkt dat hij, samen met medeverdachte [naam medeverdachte 2], vanuit zijn Seat Leon, door middel van lichtsignalen contact heeft gezocht met een auto met een Frans kenteken en vervolgens deze auto naar een andere plek heeft geleid, waar de bestuurder van die Franse auto in de Seat Leon is gestapt. Daarna is de Seat Leon enige tijd aan het zicht van de verbalisanten onttrokken geweest. Medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in de tussentijd heroïne en cocaïne van de bijrijder heeft gekocht. Die bijrijder is medeverdachte [naam medeverdachte 2]. Na ongeveer drie kwartier werd [naam medeverdachte 1] weer bij zijn voertuig afgezet door de Seat Leon. [naam medeverdachte 1] bleek 1,4 gram heroïne in zijn bezit te hebben. Voornoemde werkwijze sluit naar het oordeel van de rechtbank volledig aan bij de gebruikelijke werkwijze van drugsrunners. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de verkoop van drugs. Verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 2] hebben aldus in een nauwe en bewuste samenwerking de drugstransactie afgerond. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met een ander heroïne heeft verkocht.

De raadsman heeft opgeworpen dat verdachte geen wetenschap had omtrent hetgeen zich afspeelde tussen de bijrijder en de Franse koper, zodat verdachte niet als medepleger van de verkoop van heroïne aangemerkt kan worden. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de Seat Leon op 25 januari 2012 had gekocht in Nijmegen, dat hij een rondje wilde rijden door Brabant en zodoende in Maastricht uitkwam, waar hij medeverdachte [naam medeverdachte 2] ontmoette. Deze vroeg hem om een vriend mee te nemen. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij naar Limburg was gekomen met de man met wie hij was aangehouden en dat [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de personen in de Seat Leon niet kende en in de veronderstelling verkeerde dat hij met dealers te maken had. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte veroordeeld kan worden voor een poging doodslag dan wel poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel aan de drie agenten die in de tegemoetkomende politieauto zaten toen verdachte met hoge snelheid wegreed. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat politie hem probeerde staande te houden op het moment dat hij de vriend van de bijrijder bij zijn auto had afgezet. Hij dacht dat die mensen uit waren op zijn auto. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte echter gezien hebben dat het niet ‘zomaar’ mensen waren, maar dat het politie was. De agenten droegen allen jassen met daarop duidelijk in fluorescerende letters het woord “POLITIE”, er werd geroepen dat het politie was en er werd blauw zwaailicht gevoerd door de auto die direct achter verdachtes auto parkeerde. Ook medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft hierover een consistente verklaring afgelegd. De rechtbank is dan ook, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachtes verklaring ter zake ongeloofwaardig is.

Verdachte heeft verklaard dat hij voor de hem tegemoetkomende auto is uitgeweken, en dat hij geen opzet had op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van de inzittenden van die auto. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het handelen van verdachte, te weten het maken van die uitwijkmanoeuvre, niet dat er te dezen een aanmerkelijke kans bestond dat de inzittenden van de tegemoetkomende auto als gevolg van het handelen van verdachte het leven zouden laten, dan wel zwaar zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Aldus kan evenmin bewezen worden dat in het onderhavige geval bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten. Verdachte zal dan ook ten aanzien van feit 2 onder primair en subsidiair worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel bedreiging met zware mishandeling, vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte probeerde met zijn auto te ontsnappen door af te rijden op de hem tegemoetkomende auto. Op het laatste moment heeft hij een uitwijkmanoeuvre gemaakt. Onder deze omstandigheden heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inzittenden van die auto, voor wie duidelijk was dat een botsing onvermijdelijk was omdat zij geen kant opkonden, zouden vrezen dat zij door het handelen van verdachte om het leven zouden komen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen bekomen.

Vorenomschreven handelen van verdachte - dat vanwege de omstandigheid dat een botsing onvermijdelijk was kan worden bestempeld als het inrijden op een politieauto - is in het algemeen geëigend om een dergelijke vrees bij de bedreigde op te wekken. Voorts zijn de omstandigheden waaronder het inrijden plaatsvond, zoals hiervoor uiteen gezet, naar het oordeel van de rechtbank, dusdanig dat bij de inzittenden van die politieauto die vrees ook redelijkerwijs kon ontstaan.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [T.], [P.] en [L.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

feiten 3 en 4

Verbalisanten [T.] en [P.] hebben verklaard dat toen zij bezig waren met de achtervolging van de Seat Leon, zij in de [H.straat] te Sittard een zwarte Toyota met schade aan de voorzijde zagen staan. Deze Toyota, voorzien van het Nederlandse kenteken [YY-YY-YY], bleek eigendom van [persoon 1] te zijn. [persoon 1] heeft verklaard dat zij haar auto op 24 januari 2012 omstreeks 23:00 uur onbeschadigd had geparkeerd op de [H.straat]. Op 25 januari 2012 omstreeks 02:00 uur zag zij dat de gehele voorzijde van haar auto zwaar beschadigd was en dat de auto ongeveer 11 meter verschoven was vanaf de plek waar zij hem had geparkeerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onderweg een auto heeft geraakt, maar vervolgens is doorgereden.

De raadsman heeft betoogd dat de uitzonderingsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, op verdachte van toepassing is, zodat hij van feit 3 moet worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de raadsman hiermee dat verdachte niet uit eigener beweging zijn identiteit bij de politie kenbaar heeft gemaakt, maar dat door de politie naar zijn persoonsgegevens is gevraagd in het kader van de verdenking van enkele strafbare feiten. Nu verdachte niet zelf een actieve handeling heeft verricht om zijn identiteit en die van zijn auto aan de politie kenbaar te maken, kan een beroep op artikel 7, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 niet slagen. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 25 januari 2012 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2 meer subsidiair.

op 25 januari 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, [L.], aspirant van politie en [P.], hoofdagent van politie en [T.], brigadier van politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto ingereden op een personenauto met als inzittenden voornoemde [L.] en [P.] en [T.];

3.

op 25 januari 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [H.straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een personenauto Toyota, gekentekend [YY-YY-YY], schade was toegebracht;

4.

op 25 januari 2012 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Toyota, gekentekend [YY-YY-YY]), toebehorende aan [persoon 1], heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B,

van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2 meer subsidiair:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarbij gewezen op de beperkte omvang van het strafblad van verdachte en de gedateerdheid van dat strafblad. Voorts heeft de raadsman betwist dat kans op recidive aanzienlijk is. Verdachte heeft een vriendin, die een omvangrijke erfenis heeft gekregen. Verdachte kan daar eveneens over beschikken, en is daarom niet afhankelijk van de inkomsten uit de drugshandel.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal feiten, te weten drugsrunnen van een buitenlander, het bedreigen van verbalisanten, het verlaten plaats ongeval en een vernieling van een auto.

Verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de grensoverschrijdende drugsproblematiek. Samen met zijn medeverdachte is hij uit geweest op geldelijk gewin zonder daarbij oog te hebben voor de schade die het gebruik van harddrugs aan de volksgezondheid toebrengt. Harddrugs leveren immers, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. Verslaafden nemen vaak hun toevlucht tot criminele activiteiten om hun gebruik te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Tevens zien drugsrunners ‘de straat’ als vrijplaats voor hun verwerpelijke activiteiten en storen zich daarbij niet aan het publiek dat zich op diezelfde plaats begeeft. Het publiek stoort zich echter wel aan hen; gevoelens van onveiligheid en onbehagen worden door drugsrunners bij het publiek teweeggebracht. Alleen hun eigen financieel gewin en dat van hun kompanen telt en zij zijn bereid hun streven naar financieel gewin met vaak extreem gevaarlijk (verkeers)gedrag en geweld te verwezenlijken. Dat verdachte hieraan een bijdrage heeft geleverd rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Bij de straftoemeting inzake het drugsrunnen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de door het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Door het LOVS zijn weliswaar geen oriëntatiepunten geformuleerd voor de straftoemeting aan drugsrunners, maar er zijn wel oriëntatiepunten geformuleerd voor de straftoemeting bij het dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat. Nu het handelen van verdachte in het verlengde hiervan ligt, heeft de rechtbank acht geslagen op die oriëntatiepunten, die uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Steun voor dit uitgangspunt vindt de rechtbank eveneens in een uitspraak van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch van 15 maart 2012 (parketnummer: 20-004075-10).

In strafverzwarende zin betrekt de rechtbank daarbij hoe verdachte heeft gehandeld nadat hij merkte dat de politie hem wilde staande houden. Verdachte is abrupt weggereden en toen hij zag dat een andere auto zijn weg probeerde te versperren, heeft hij op het laatste moment het stuur omgegooid. De afstand tussen beide voertuigen was toen zeer klein. De verbalisanten, die zich in deze andere auto bevonden, moeten zich op dat moment machteloos hebben gevoeld, zij konden immers geen kant op. Hoewel de verbalisanten ongedeerd zijn gebleven, zullen zij - naar de ervaring leert - nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid aan onderhavig voorval overhouden. Daarbij heeft verdachte in zijn vlucht daadwerkelijk schade toegebracht aan een ander voertuig en is hij doorgereden totdat hij, inziend dat verder rijden geen optie was, door de politie is aangehouden.

Door het voorgaande heeft verdachte er blijk van gegeven zijn eigen belang om uit handelen van de politie te blijven te laten prevaleren boven het belang van de verkeersveiligheid en de veiligheid van personen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het verleden heeft immers aangetoond dat drugsrunners niet zelden zware ongelukken met ernstige gevolgen voor personen en/of goederen veroorzaken. Dat heeft zich hier ook gemanifesteerd in forse schade aan de auto van een buurtbewoner.

In strafverminderende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd, en wel voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal verdachte dan ook tot die straf veroordelen.

6 Vordering tenuitvoerlegging 16/504085-09

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter Utrecht van 28 mei 2010, ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

7 De benadeelde partijen

7.1 De vorderingen van [T.], [P.] en [L.]

De benadeelde partijen [T.], [P.] en [L.] vorderen ieder een schadevergoeding van € 325,--, terzake van feit 2.

De officier van justitie heeft gevorderd dat deze vorderingen integraal dienen te worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 6 dagen hechtenis.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet dienen te worden toegekend, zulks in verband met de door hem bepleite vrijspraak van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat in geval geen sprake is van fysiek letsel - zoals hier aan de orde - slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit de voegingsformulieren blijkt dat het gebeuren een behoorlijke impact op de benadeelde partijen heeft gehad. Zij voelden zich machteloos en vreesden voor hun leven. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partijen deze negatieve gevoelens graag op de daders zouden willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik en machteloosheid vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Eventuele ernstigere psychische schade is op basis van de door genoemde benadeelde partijen aangevoerde gegevens onvoldoende aangevoerd.

7.2 De vordering van [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] vordert een schadevergoeding van € 827,13 ter zake van feit 4.

De officier van justitie heeft gevorderd, nu de benadeelde partij haar vordering niet behoorlijk heeft onderbouwd, om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

De raadsman heeft aangevoerd dat het strafgeding onevenredig zou worden belast als de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid zou moeten worden gesteld om meer duidelijkheid te verschaffen over de inhoud en omvang van de vordering. Hij heeft bepleit om de vordering om deze reden niet toe te kennen.

De rechtbank is van oordeel dat nu de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en ter terechtzitting ook niet nader is toegelicht, de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

De in beslag genomen auto zal verbeurd worden verklaard, nu dit een voorwerp is met behulp van welke de feiten zijn begaan of voorbereid.

De in beslag genomen gsm Nokia dient aan verdachte te worden teruggeven, nu niet vastgesteld is dat deze telefoon verband houdt met enig door verdachte begaan strafbaar feit.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 2 primair en subsidiair;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen auto;

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen Nokia telefoon;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [T.], p/a Maastricht, in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [T.] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [P.], p/a Maastricht, in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [P.] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [L.], p/a Maastricht, in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [L.] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [persoon 1], in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [persoon 1] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

De vordering tot tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 28 mei 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/504085-09, ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Bouts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 juli 2012.

Mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. W.F.J. Aalderink zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2012 in de gemeente Sittard-Geleen, althans in

het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een

ander, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroine een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk

[L.], aspirant van politie en/of [P.], hoofdagent van politie

en/of [T.], brigadier van politie, van het leven te beroven, met

dat opzet met een personenauto is ingereden op een personenauto met als

inzittende(n) voornoemde [L.] en/of [P.] en/of [T.], althans met

een (te) hoge snelheid in de richting van die personenauto met als

inzittende(n) voornoemde [L.] en/of [P.] en/of [T.] is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [L.], aspirant van politie en/of [P.], hoofdagent

van politie en/of [T.], brigadier van politie, opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto is

ingereden op een personenauto met als inzittende(n) voornoemde [L.]

en/of [P.] en/of [T.], althans met een (te) hoge snelheid in de

richting van die van die personenauto met als inzittende(n) voornoemnde

[L.] en/of [P.] en/of [T.] is gereden, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te Sittard, in de gemeente

Sittard-Geleen,, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans

alleen, [L.], aspirant van politie en/of [P.], hoofdagent

van politie en/of [T.], brigadier van politie heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend met een personenauto ingereden op een personenauto met

als inzittende(n) voornoemde [L.] en/of [P.] en/of [T.];

3.

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen,

als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door

wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [H.straat], de

plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist

of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten een personenauto,

Toyota, gekentekend [YY-YY-YY]) schade was toegebracht;

4.

hij op of omstreeks 25 januari 2012 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Toyota, gekentekend

[YY-YY-YY]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[persoon 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.