Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY0859

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
173263 / OT RK 12-1166
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is bij pleegouders sprake van een voldoende structurele verzorging en opvoeding als behorende tot het gezin, zodat zij als belanghebbende(n) worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 11 september 2012

Zaaknummer: 173263 / OT RK 12-1166

BESCHIKKING OP VERZOEK VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING

EN VERLENGING MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[Naam minderjarige], verder te noemen: [de minderjarige],

geboren te [geboorteplaats] op [2010],

kind van:

[Naam moeder], verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats], [adres],

en

[Naam vader], verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats], [adres].

In deze procedure worden, op grond van hierna te vermelden overwegingen, verder als belanghebbenden aangemerkt:

[Naam pleegouders], pleegouders van [de minderjarige],

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres.

1. Verloop van de procedure

Op 19 juli 2012 heeft de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSSJJ), namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (bureau jeugdzorg), een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ingediend.

Op 4 september 2012 is een brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader ter griffie ontvangen.

Op 7 september 2012 is een brief, met bijlagen, van de advocaat van de moeder ter griffie ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 september 2012.

Ter zitting is door de advocaat van de moeder een brief, zijnde het verslag van het laatste aan de zitting voorafgaande bezoekmoment, overgelegd.

2. Vaststaande feiten

[de minderjarige] is geboren uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader. [de minderjarige] is erkend door de vader. De ouders oefenen, blijkens het ter zitting getoonde recente uittreksel uit het gezagsregister, gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft bij de pleegouders.

[de minderjarige] staat sinds 23 september 2010 onder toezicht van bureau jeugdzorg. Bij beschikking van 21 september 2011 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 23 september 2011 laatstelijk verlengd tot 23 september 2012.

Bij beschikking van 23 december 2011 van de kinderrechter is machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 december 2011 verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 23 september 2012.

3. Verzoek, grondslag en verweer

3.1

De WSSJJ heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor een periode van één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de WSSJJ verwezen naar de bij het verzoek gevoegde motivering, het indicatiebesluit, het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling. Voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven heeft de WSSJJ aangevoerd dat [de minderjarige] opgroeit in een door de strijd tussen de ouders onveilige situatie. [de minderjarige] heeft, mede gelet op haar jonge leeftijd, behoefte aan een veilige basis, met voorspelbaarheid en structuur. De moeder kan (vooralsnog) onvoldoende tegemoetkomen aan de hiervoor genoemde behoeften van [de minderjarige], waarbij de persoonlijke problematiek van de moeder een rol speelt. Bij de vader is in het verleden sprake geweest van problemen in de agressieregulatie.

3.3

De advocaat van de moeder heeft bezwaar gemaakt tegen het aanmerken van de pleegouder(s) als belanghebbende(n). Daartoe is aangevoerd dat [de minderjarige] minder dan een jaar bij de pleegouder(s) verblijft. Daarnaast is, gelet op de inhoud van een e-mailbericht van 29 maart 2012 van de pleegouders, bij de moeder de indruk ontstaan dat de pleegouders “partij kiezen” voor de vader van [de minderjarige].

Voor wat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] betreft voert de moeder geen verweer en refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter.

Tegen de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voert de moeder wel verweer. Primair vraagt zij het verzoek af te wijzen. Mocht toch tot verlenging van de machtiging besloten worden, dan wordt subsidiair verzocht de duur van de verlenging te beperken tot drie maanden óf (in voorkomend geval en meer subsidiair) de beslissing over de periode na drie maanden aan te houden. Daartoe wordt aangevoerd dat de moeder sinds de zitting bij de rechtbank in december 2011 tot inkeer is gekomen en sindsdien hard met de nodig geachte hulpverlening meewerkt, teneinde [de minderjarige] terug te krijgen. Desondanks worden de bezoekmomenten veel te langzaam opgebouwd en laat (de uitslag van) het Pedagogisch Signaleringsinstrumentarium (PSI-)onderzoek te lang op zich wachten. Als al tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt besloten en aan het PSI-onderzoek het gewicht toekomt dat de WSSJJ kennelijk daaraan hecht, dient kort na het bekend worden van de uitslag van het PSI-onderzoek de uithuisplaatsing opnieuw getoetst te worden. Naast de meer op de (persoonlijke) omstandigheden van de moeder gerichte hulpverlening is een aanvang gemaakt met het mediationtraject waarbij de moeder en de vader hun onderlinge communicatie trachten te verbeteren. De moeder is (inmiddels) in staat het belang van [de minderjarige] voorop te stellen. Zo heeft ze haar huidige partner ([naam partner moeder]) voor de keuze gesteld dat óf de relatie beëindigd blijft óf dat hij in therapie moet gaan. Dat heeft ertoe geleid dat [naam partner moeder] inmiddels bij de huisarts is geweest en dat er een dossieroverdracht heeft plaatsgevonden ten behoeve van de (voorbereiding van de) therapie. De stelling dat de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder niet goed verlopen wordt betwist. Dat [de minderjarige] heftig reageert na een contactmoment met de moeder heeft er eerder mee te maken dat het afscheid van de moeder [de minderjarige] zwaar valt, dan dat het contact niet goed zou zijn verlopen. In dit verband wordt verwezen naar de verslagen van de bezoekmomenten.

3.4

Door de advocaat van de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige]; de vader refereert zich te dien aanzien aan het oordeel van de kinderrechter.

Tegen de verzochte verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] wordt in zoverre verweer gevoerd dat de vader van mening is dat [de minderjarige] bij hem geplaatst dient te worden. De WSSJJ betrekt de vader ten onrechte veel te weinig als serieuze optie om [de minderjarige] te plaatsen. Ook bij het PSI-onderzoek lijkt de WSSJJ de vader buiten beeld te houden. Dat bevreemdt te meer omdat in de directe omgeving van de moeder sprake is (geweest) van geweld en daarmee samenhangende risico’s voor [de minderjarige], terwijl de vader [de minderjarige] een veilige plek en structuur kan bieden. Naast een behoorlijk netwerk zal de vader voor [de minderjarige] vanaf 2013 ook zelf meer beschikbaar zijn, aangezien zijn fulltime contract per 2013 afloopt. De vader betwist de door de WSSJJ gestelde vrees voor een loyaliteitsconflict bij [de minderjarige] als gevolg van de slechte communicatie tussen de ouders. Hij heeft de moeder onlangs zelfs geholpen met verhuizen. Daarnaast zijn de moeder en hij bezig met een mediationtraject.

3.5

De vertegenwoordigster van de WSSJJ heeft ter zitting desgevraagd verklaard zich, voor wat de vraag of de pleegouders belanghebbenden zijn, te refereren aan het oordeel van de kinderrechter. Verder is toegelicht dat bij een zo jong kind als [de minderjarige] de (rand-)voorwaarden voor een thuisplaatsing zo veel mogelijk ingevuld dienen te zijn. Of (bij de moeder) de randvoorwaarden voldoende kunnen worden ingevuld is nog onderwerp van onderzoek. De uitkomsten van het PSI-onderzoek worden over zo’n zeven à acht weken verwacht. Bij de onderzoeken zijn de mogelijkheden (van plaatsing van [de minderjarige] bij) de vader, ondanks de persoonlijke mening van de vertegenwoordigster, vooralsnog op de achtergrond gehouden. Dat heeft ermee te maken dat [de minderjarige] ten tijde van de uithuisplaatsing haar hoofdverblijf bij de moeder had. Daarnaast is (nog) niet gebleken van pedagogische hulpvragen bij de vader. (Onderzoek naar) plaatsing van [de minderjarige] bij de vader zal in die situatie pas aan de orde komen als blijkt dat terugplaatsing bij de moeder (voorlopig) geen reële optie is. Het is hoe dan ook van essentieel belang dat de ouders het mediationtraject afronden, zodat ook bij een wijziging van omstandigheden geen strijd tussen de ouders meer te verwachten is. Dat de ouders een positieve ontwikkeling doormaken biedt vooralsnog onvoldoende grond voor een eventuele thuisplaatsing.

3.6

De pleegmoeder heeft desgevraagd toegelicht dat het goed gaat met [de minderjarige]. De formulering van de e-mail van 29 maart 2012 hangt meer samen met het feit dat de pleegouders bij de overdrachtsmomenten in het kader van het contact van [de minderjarige] met haar ouders wel contact hebben met de vader, maar niet met de moeder. Als uit de tekst van de e-mail al een keuze is af te leiden, dan betreft dat een keuze in het belang van [de minderjarige]. Op grond van haar uitgebreide ervaringen met mensen met (kenmerken van) borderline-problematiek, meent de pleegmoeder daarmee samenhangende signalen bij de moeder vast te stellen.

4. Beoordeling

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken te komen, stelt de kinderrechter vast dat de pleegouders als belanghebbenden in deze procedure dienen te worden aangemerkt. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt bij rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, zijnde andere zaken dan scheidingszaken, onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Ingevolge paragraaf 2.3 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht, voor zover hier van belang, gelden in zaken als de thans ter beoordeling voorliggende in elk geval als belanghebbende(n), “de perspectief biedende pleegouder of de pleegouder die de minderjarige een jaar of langer verzorgt en opvoedt.

Voorts is van belang hetgeen de Hoge Raad in overwegingen 4.4.2 e.v. van zijn uitspraak van 21 mei 2010 (LJN BL 7043), heeft overwogen. Voor zover hier van belang:

“4.3.2

De onderhavige procedure betreft een maatregel met betrekking tot het ouderlijk gezag in het kader van een ondertoezichtstelling.

(…)

4.3.3.

Hieruit volgt dat in de zaak van elk individueel minderjarig kind enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouders) zijn betrokken. Daarom kunnen in die zaak slechts als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv worden beschouwd (…) de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, (…).”

Op grond van de stukken kan niet worden geconcludeerd dat de pleegouders van [de minderjarige] zijn aan te merken als “perspectief biedende pleegouders”. Wel staat vast dat de pleegouders [de minderjarige] inmiddels (ruim) negen maanden “opvoeden en verzorgen, als behorend tot hun gezin”. Dat daarmee de in paragraaf 2.3 van het procesreglement vermelde termijn van één jaar, na het verstrijken waarvan de pleegouders in elk geval geacht worden belanghebbenden te zijn, in het thans ter beoordeling voorliggende geval nog niet is verstreken, doet er naar het oordeel van de kinderrechter niet aan af dat de verzorging en opvoeding gedurende negen maanden voldoende structureel is om de pleegouders als belanghebbenden aan te merken in de zin van artikel 798, eerste lid, Rv. De kinderrechter betrekt bij zijn oordeel dat na een verzorgings- en opvoedingsperiode van (ruim) negen maanden in elk geval evident géén sprake meer is van (slechts) een crisisplaatsing.

De kinderrechter overweegt voorts als volgt.

Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van één jaar zal daarom worden toegewezen.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat de voorzetting van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe dat de aanvankelijke strijd tussen de ouders, alsmede het ter zitting door de moeder erkende (huiselijk) geweld tussen haar en (nieuwe) partner [naam partner moeder], een ernstige bedreiging van de ontwikkeling [de minderjarige] betreft, temeer gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] van amper twee jaar. Dat de communicatie tussen de ouders sinds het uiteengaan is verbeterd en dat de ouders een mediationtraject doorlopen, is een aanzienlijke stap in de goede richting. Ook de niet betwiste goede inzet en medewerking van de moeder (en haar partner [naam partner moeder]) in het kader van de noodzakelijke hulpverlening oordeelt de kinderrechter positief. Voornoemde positieve ontwikkelingen acht de kinderrechter echter nog dermate pril dat daarmee de bedoelde bedreiging nog niet, althans onvoldoende, weggenomen kan worden geacht. In de omstandigheid dat op betrekkelijk korte termijn de uitkomst van het PSI-onderzoek wordt verwacht, in samenhang met het volgens de WSSJJ daaraan toekomende gewicht voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden, terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder aan de orde is, ziet de kinderrechter aanleiding de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot een periode van vier maanden, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

De kinderrechter hecht er bij het vorenstaande aan op te merken dat, zoals ter zitting is besproken, de WSSJJ de kinderrechter bij een eventuele volgende zitting tien dagen voor die alsnog te plannen zitting dient te informeren over de dan actuele stand van zaken. Reeds nu voor alsdan wijst de kinderrechter erop dat de WSSJJ de kinderrechter dan (ook) zoveel mogelijk dient te informeren over eventuele mogelijkheden om [de minderjarige] bij de vader te plaatsen.

Gezien al het voorgaande wordt beslist als volgt.

5. Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de termijn waarvoor [Naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2010], onder toezicht is gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 23 september 2012 voor één jaar;

verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 september 2012 voor de termijn van vier maanden, derhalve tot 23 januari 2013;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, kinderrechter, en in het openbaar op 11 september 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MvdV

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.