Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9402

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
08-10-2012
Zaaknummer
160003 / HA ZA 11-298 (2)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Netbeheerder vordert schadevergoeding ter zake van door huurster verbruikte energie in verband met een in de woning aanwezige hennepplantage. Rechtbank onderzoekt of, bij gebreke van een schriftelijk contract, sprake is van een overeenkomst tussen de netbeheerder en de afnemer van electriciteit (huurster van de woning). Op grond van de door de huurster aangedragen argumenten, oordeelt de rechtbank dat er van een overeenkomst geen sprake is. Ter zake van de subsidiaire vordering, die ziet op door de huurster gepleegde onrechtmatige daad, verleent de rechtbank een bewijsopdracht.

Eindvonnis: geen sprake van onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160003 / HA ZA 11-298

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENEXIS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

eiseres,

advocaat mr. B. Sommen te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.M.A. Straatman-Selij te Maastricht.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1. Voor het verloop van de procedure tot 28 december 2011 wordt verwezen naar het tussenvonnis van die datum. Vervolgens heeft [gedaagde] een akte houdende opgave getuigen genomen, waarna op 14 augustus 2012 de enquête aan haar zijde heeft plaatsgevonden.

1.2. Tot slot is vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

Onrechtmatige daad?

2.1. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van de aanname dat zij de meter in haar woning aan de [adres] [woonplaats] heeft gemanipuleerd dan wel dat een derde dit heeft gedaan met medeweten of (vrijelijk te bepalen) toestemming van [gedaagde].

2.2. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord en ter comparitie gesteld dat zij geen weet had van de hennepkwekerij of de aanwezigheid van de inventaris hiervan en dat zij de meter niet heeft gemanipuleerd.

2.3. Die stelling wordt ondersteund door de verklaringen van de twee door [gedaagde] voorgedragen getuigen die de rechtbank heeft gehoord, te weten de heer [partner van gedaagde], partner van [gedaagde], en mevrouw [betrokkene], moeder van de partner van [gedaagde].

2.3.1. [betrokkene] heeft vanaf augustus 2008, dus voordat de niet meer in werking zijnde hennepkwekerij op 27 november 2008 in de garage van de woning van [gedaagde] is aangetroffen, negen maanden bij [gedaagde] en [partner van gedaagde] in huis heeft gewoond. Zij heeft verklaard:

“Aan de elektriciteitsmeter is mij nooit iets opgevallen. Ik bedoel daarmee dat ik nooit een blik in de meterkast heb geworpen. Ik kan dus ook niets zeggen over de vraag of daarmee gemanipuleerd is. Ik acht het zeer onwaarschijnlijk dat mijn schoondochter of zoon [[partner van gedaagde]] daar iets mee te maken hebben. Zij zijn daar eenvoudigweg niet toe in staat.”

2.3.2. [partner van gedaagde] heeft (evenals [betrokkene]) verklaard dat de door [gedaagde] bedoelde “kennis” (zie proces-verbaal van de comparitie na antwoord) [naam ke[naam kennis] heet:

“Deze [naam kennis] was al lange tijd een bekende van de familie en dan bedoel ik een jaar of 30 tot 40. [naam kennis] mocht van [gedaagde] en mij gebruik maken van het gedeelte dat ik aanduid als garage I [zijnde de ruimte – slechts van buitenaf toegankelijk via een garagepoort – waar de inventaris van een hennepplantage is aangetroffen, toevoeging de rechtbank]. (…). [naam kennis] had dit nodig voor wat opslag. Er was maar één sleutel van en die heb ik hem gegeven. Hij had ook een sleutel die toegang bood tot garage II en, via de tussendeur, tot de hal, waar de meterkast staat. Dit garagedeel had hij nodig omdat zich daar een kraan bevond die hij nodig had voor het onderhouden van de tuin en in het bijzonder de vijver (het bijvullen van de vijver). Ik heb twee linkerhanden, [naam kennis] daarentegen was erg handig. (…). Ik heb wel eens in de meterkast gekeken, want daar stond mijn router. Bovendien heb ik ieder jaar toegang gegeven aan medewerkers van Enexis respectievelijk Essent om de meterstanden te doen opgeven. Mij is nooit iets opgevallen. Toen de politie binnenkwam en eerst aan mevrouw [gedaagde] en vervolgens aan mij toegang tot de woning vroeg, heb ik hen toestemming verleend om de woning binnen te treden. Op de vraag van de politie of er een hennepplantage was, hebben wij beiden meteen gezegd dat dat niet zo was. De politie heeft vervolgens vanuit garage II door de ontluchting in garage I kunnen kijken en daarbij opgemerkt dat zij de inventaris van een hennepplantage waarnam. Die inventaris is door hen meegenomen. De heer [naam kennis] heb ik nadien nooit meer gezien. Hij heeft mijn busje gestolen en is er vandoor gegaan. Ik vond en vind het nog steeds schokkend dat in de woning de inventaris van een hennepplantage heeft gestaan. Nogmaals merk ik op dat ik de enige sleutel van garage I aan de heer [naam kennis] heb gegeven en hem van die ruimte het exclusieve gebruik heb verstrekt. Op uw vraag, meneer de rechter, waarom hij dan ook een sleutel voor garage II van ons heeft gekregen, verwijs ik naar hetgeen ik net heb verklaard: in die ruimte was een kraan die [naam kennis] nodig had voor het onderhoud aan de tuin en de vijver.”

2.4. Op grond van de verklaringen van beide getuigen is komen vast te staan dat niet [gedaagde], maar [naam kennis] verantwoordelijk is geweest voor de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de garage en het manipuleren van de elektriciteitsmeter in de hal. Dit brengt mee dat [gedaagde] is geslaagd in het leveren van het (tegen)bewijs, in die zin dat thans is komen vast te staan dat [gedaagde] de meter niet heeft gemanipuleerd, niet heeft geweten van de manipulatie noch haar (vrijelijk te bepalen) toestemming voor die manipulatie heeft gegeven.

2.5. De vraag die in dit verband nog rijst is of [gedaagde] had behoren te weten dat er een hennepkwekerij in de garage was en of haar onzorgvuldigheid kan worden verweten, in die zin dat zij onvoldoende maatregelen heeft genomen om de fraude aan de meter te voorkomen, zoals Enexis heeft gesteld. Die vraag dient ontkennend te worden beantwoord. [naam kennis] had het exclusieve gebruik van het deel van de garage waar de inventaris van de hennepkwekerij is aangetroffen. [gedaagde] en haar partner [partner van gedaagde] hadden immers niet (meer) de beschikking over de sleutel van deze ruimte. Bovendien kon de ruimte slechts van buitenaf, via een garagepoort, worden betreden en waren er binnen geen deuren, via welke zij kon worden betreden (zie situatieschetsen die aan het proces-verbaal van de comparitie na antwoord zijn gehecht). Daarnaast is niet gebleken dat [gedaagde] heeft gezien dat [naam kennis] spullen naar de garage bracht die erop duidden of konden duiden dat hij bezig was met het opzetten van de hennepkwekerij. [naam kennis] stond bij [gedaagde] en [partner van gedaagde] ook niet bekend als iemand die al eens eerder opiumwetdelicten had gepleegd. Integendeel, hij was al dertig tot veertig jaar een goede bekende van de familie van [partner van gedaagde]. De stelling van Enexis dat de onzorgvuldigheid van [gedaagde] reeds daarin is gelegen dat zij niet (telkens) voor afsluiting van de meterkast heeft gezorgd, baat Enexis niet, nu daarmee te hoge eisen zouden worden gesteld aan de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm in de omstandigheden van dit geval. Dat geldt ook voor de stelling van Enexis dat [gedaagde] de meter regelmatig had moeten controleren, nog daargelaten dat controle van de meter in dit geval niets zou hebben opgeleverd, nu ook de heer Welzen, inspecteur fraudezaken bij Enexis, de meter moest meenemen voor onderzoek om er zeker van te zijn dat ermee was gefraudeerd. Dat [gedaagde] (ook) de sleutel van de andere garage aan [naam kennis] ter beschikking heeft gesteld, waardoor [naam kennis] zich toegang kon verschaffen tot de meterkast, maakt het voorgaande niet anders, nu met name [partner van gedaagde] dienaangaande een aannemelijke verklaring heeft gegeven, te weten dat [naam kennis] bij de kraan in de hal moest kunnen om te kunnen beschikken over water ten behoeve van de tuin en de vijver.

2.6. Al het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor het frauderen met de elektriciteitsmeter in haar woning, zodat de vordering van Enexis moet worden afgewezen.

2.7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Enexis worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijst de vordering af;

3.2. veroordeelt Enexis in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] gerezen en tot aan deze uitspraak begroot op € 568,00 aan griffierecht en € 1.152,00 voor salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen, mr. Th.A.J.M. Provaas en

mr. R.P.J. Quaedackers, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012?

ThP