Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
08-10-2012
Zaaknummer
150672 / HA ZA 10-480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onwaardigheid;

art. 4: 3 lid 1 sub b BW;

art. 1: 100 lid 1 BW;

art. 3: 166 lid 3 BW;

art. 6:2 Bw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150672 / HA ZA 10-480

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. van Riet te Hoensbroek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.F.G. Pennino te Heerlen.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 december 2010,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2011,

- de akte van [eiseres] van 4 mei 2011,

- de antwoordakte van [gedaagde] van 18 mei 2011,

- een schrijven van de (voormalig) advocaat van [eiseres] van 1 juni 2011,

- het proces-verbaal van voortzetting comparitie van 13 oktober 2011,

- de akte van [eiseres] van 28 maart 2012;

- de antwoordakte van [gedaagde] van 28 maart 2012;

- de antwoordakte van [eiseres] van 18 april 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 12 juni 2002 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Op

1 november 2004 is het dochtertje van partijen ([kind]) geboren.

2.2. [eiseres] heeft in september 2006 met [kind] de echtelijke woning verlaten. [kind] is op 9 november 2006 te Jülich, Duitsland door [eiseres] gedood.

2.3. Naar Duits recht (“Strafgezetzbuch”, hierna: StGB) is door de Meervoudige Strafkamer (“Die Schwurgerichtskammer des Landgerichts Aachen”) bij “Urteil, 52 Ks 401 Js 634/06” van 2 mei 2007, geoordeeld:

“Das Verhalten der Beschuldigten (lees: [eiseres]) erfüllt die Voraussetzungen des Straftatbestandes des Totschlags gemäß § 212 StGB (lees: doodslag).

Die Beschuldigte handelte jedoch bei der Tatausführung gemäß § 20 StGB ohne Schuld, weil ihre Fähigkeit, das Unrecht der Tat einzusehen, durch eine floride psychotische Wahnwahrnehmung aufgehoben war. (…)

Gemäß § 63 StGB war die Unterbringung der Beschuldigten in einem psychiatrischen Krankenhaus anzuordnen. (…)”

(Productie 1 bij conclusie van dupliek, pagina’s 18 en 19)

2.4. Door deze rechtbank is op 30 januari 2008 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (zaaknr. 119534 / S RK 07-539). Daarbij heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bevolen. De echtscheidingsbeschikking is op 18 februari 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank is bij de beoordeling van deze zaak, gelet op het bepaalde in artikel 111 lid 2 sub d Rv, gebonden aan de bij dagvaarding vermelde eis en de gronden daarvan. [eiseres] heeft - voor zover thans relevant - scheiding en deling van een concreet aantal goederen van de huwelijksgoederengemeenschap gevraagd. [gedaagde] heeft geen reconventionele vordering ingesteld.

3.2. Gelet hierop kan de rechtbank de door [gedaagde] bij die verdeling betrokken pensioengelden en de door [eiseres] gestelde leningen van haar ouders, zijnde onderwerpen die de huwelijksgoederengemeenschap betreffen en door partijen ter discussie zijn gesteld, doch die de dagvaarding te buiten gaan, niet in haar beoordeling van deze zaak betrekken.

3.3. De vorderingen van [eiseres] worden samengevat als volgt weergegeven.

4. Het geschil

4.1. Huwelijksgoederengemeenschap

4.1.1. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.750,00.

[eiseres] stelt ter onderbouwing hiervan [dochtertje] partijen een hypothecaire lening zijn aangegaan, ten aanzien waarvan zij elk hoofdelijk schuldenaar zijn. [eiseres] (de rechtbank: blijkens de dagvaarding [eiseres] zelf, dus niet haar moeder zoals is gesteld bij akte van 28 maart 2012) heeft met ingang van juli 2008 tot en met januari 2010 elke maand € 500,00 aan hypotheekrente rechtstreeks aan de KCB Bank te Eupen betaald. Zij heeft in totaal

€ 9.500,00 voldaan. [eiseres] verwijst hiertoe naar de door haar bij akte van 29 februari 2012 (lees: 28 maart 2012) overgelegde stortingsbewijzen (productie B1). Op grond van

artikel 6:10 lid 2 BW vordert zij vergoeding van de helft hiervan.

4.1.2. [eiseres] vordert voorts te bepalen dat [gedaagde], na de executoriale verkoop van de woning aan de Auf der Heide 7 te [woonplaats], de helft van de restschuld voor zijn dient te rekening nemen, en dat hij, over de periode dat hij uitsluitend het gebruik van de woning heeft gehad, het bedrag aan achterstallige rentes, vermeerderd met de daarover verschuldigde boetes, dient te betalen.

4.1.3. [eiseres] vordert tevens veroordeling van [gedaagde] om aan haar van te betalen:

a. € 16.775,00;

b. € 283,00;

c. € 3.448,68;

d. € 851,72;

e. € 200,00 en

f. € 18.721,19.

Zij onderbouwt die bedragen als volgt:

a. Partijen hebben een gezamenlijke spaarrekening (nr. [banknummer]) gehad, met een saldo van € 33.550,00. [gedaagde] heeft in september 2006 het geld van die rekening afgehaald. Hij dient de helft hiervan (€ 16.775,00) aan [eiseres] terug te betalen.

b. [gedaagde] heeft de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2006 ter hoogte van € 566,00 geïnd. [eiseres] stelt dat zij recht heeft op de helft ervan, zodat [gedaagde] € 283,00 aan haar dient te betalen.

c. [eiseres] stelt dat haar loon over de maanden september en oktober 2006 (zijnde € 3.448,68) haar volledig toekomt, nu dit loon de periode betreft waarin zij de echtelijke woning had verlaten. Er was van een gemeenschappelijke huishouding met [gedaagde] geen sprake meer. Het loon dat door [gedaagde] is opgenomen dient volledig aan haar te worden terugbetaald.

d. [eiseres] stelt dat zij een rekening van het AZM van € 851,72 heeft betaald (akte houdende producties van [eiseres], bijlage 37). Die rekening heeft niet zij, maar [gedaagde] door de ziektekostenverzekeraar volledig vergoed gekregen. [gedaagde] dient de ontvangen vergoeding aan [eiseres] te betalen.

e. [eiseres] stelt dat zij een tekort van € 200,00 op de (hypotheek)betaalrekening van partijen bij de KBC bank heeft aangezuiverd. Zij heeft daartoe € 200,00 van haar ouders geleend. [gedaagde] dient dit bedrag aan haar te vergoeden.

f. [eiseres] stelt dat [gedaagde] de helft van haar onkosten in de periode dat zij niet in de echtelijke woning verbleef dient te vergoeden. Zij onderbouwt die kosten als volgt:

- diverse rekeningen (zie punt 8, pagina 7, dagvaarding) ad totaal € 1.765,05;

- verblijfskosten ad € 824,95;

- advocaatkosten ad € 34.852,38.

4.1.4. [eiseres] vordert vervolgens dat aan partijen - zonder verrekening - wordt toebedeeld, hun persoonlijke eigendommen en inboedelzaken. Zij verwijst daartoe naar de door haar bij dagvaarding overgelegde lijst (productie 4 bij de dagvaarding). De kleding en sieraden dienen aan haar te worden toegedeeld. De inboedelgoederen dienen te worden toebedeeld aan degene van wiens zijde die goederen in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen. Op de vordering van [eiseres], waartoe ook behoren de hierna te bespreken voertuigen, zal hierna nader worden ingegaan.

4.2. Nalatenschap

4.2.1 [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 1.147,35.

[eiseres] stelt dat [kind] een spaarrekening had met een saldo van € 2.294,71. [gedaagde] heeft het geld van die rekening afgehaald, zonder dat hij de helft er van aan [eiseres] heeft voldaan.

4.2.2. [eiseres] vordert tevens de op de lijst - productie 5 bij dagvaarding - vermelde kleertjes en speelgoed van [kind] aan haar toe te delen. Deze spulletjes zijn door [eiseres] voor [kind] gekocht, zodat deze aan [eiseres] dienen te worden toebedeeld.

4.2.3. De overige spulletjes van [kind], zoals vermeld op de pagina’s 4 en 5 van de bij dagvaarding overgelegde productie 5, dienen eveneens aan [eiseres] te worden toebedeeld.

4.3. Algemeen

4.3.1. [eiseres] vordert primair [gedaagde] te veroordelen om op straffe van verbeurte van een dwangsom alle voornoemde aan haar toe te delen zaken aan haar af te geven.

Zij vordert subsidiair [gedaagde] te veroordelen om aan haar te vergoeden de helft van de in goede justitie vast te stellen waardes van voornoemde goederen.

4.3.2. [eiseres] vordert tenslotte een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.4. Urn

4.4.1. [eiseres] vordert [gedaagde] te gelasten, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de urn met de as van [kind] terug te brengen naar het crematorium te Heerlen. Vaststaat dat hij die urn zonder toestemming van [eiseres] heeft meegenomen uit het crematorium.

4.5. [gedaagde] voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.

5. De verdere beoordeling

5.1. Het door [gedaagde] bij conclusie van antwoord gedane beroep op verrekening - voor het geval hij wordt veroordeeld om aan [eiseres] te betalen - is onvoldoende onderbouwd en wordt verworpen. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres], die verantwoordelijk is voor de dood van [kind], op grond van artikel 6:107 BW de hierdoor ontstane schade van [gedaagde] dient te vergoeden, zodat hij een verrekenbare tegenvordering op [eiseres] heeft. [gedaagde] laat echter na om zijn gezondheidstoestand (de bij conclusie van antwoord, pagina 1, gestelde posttraumatische stresstoornis) en de omvang van zijn schade concreet te onderbouwen.

Huwelijksgoederengemeenschap

5.2.1. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 1996 (NJ 1997, 593) dient bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te worden uitgegaan van de samenstelling daarvan bij het einde van het huwelijk, zijnde de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In casu geldt derhalve als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap 18 februari 2008.

5.2.2. Voor de waardering van de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap moet, gelet op bovenstaande uitspraak, worden uitgegaan van de waarde daarvan ten tijde van de verdeling, tenzij partijen een andere datum overeenkomen.

5.2.3. [gedaagde] heeft bij akte van 28 maart 2012 (pagina 1), zo begrijpt de rechtbank, voor de waardebepaling van de huwelijksgoederengemeenschap eveneens de datum van

18 februari 2008 aangehouden. [eiseres] is hiermee, bij antwoordakte van 18 april 2012 onder punt 1, zo begrijpt de rechtbank, akkoord gegaan.

5.2.4. Gelet hierop zal de rechtbank bij haar beoordeling - in beginsel en voor zover relevant - voor zowel de peildatum samenstelling, als de peildatum waardebepaling

18 februari 2008 aanhouden.

5.3. [eiseres] heeft onder punt 1 in het petitum van de dagvaarding betaling door [gedaagde] van € 4.750,00 gevorderd. [eiseres] heeft ter onderbouwing hiervan stortingsbewijzen overgelegd. Gelet hierop heeft [eiseres] totaal € 9.500,00 aan aflossingen op de hypotheek(rente) gedaan. Nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat partijen voor de aflossing van de desbetreffende hypotheek hoofdelijk aansprakelijk zijn, zodat hij gebaat was bij die aflossingen én hij deze gestelde aflossingen niet gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank de gevorderde betaling van de € 4.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex

artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele betaling, toewijzen. De omstandigheid dat de aflossingen zijn gedaan na de peildatum doet - gelet op het vorenoverwogene - in redelijkheid niet af aan de (regres)vordering van [eiseres] op [gedaagde].

5.4.1. Blijkens de laatstelijk door partijen genomen aktes, is de hiervoor onder 4.1.2 genoemde woning van partijen inmiddels executoriaal verkocht. De rechtbank is niet bekend gemaakt met de opbrengst, noch de restschuld of de overwaarde, dan wel de onderwaarde van de verkochte woning.

5.4.2. Gelet op de omstandigheid dat de woning inmiddels is verkocht, begrijpt de rechtbank de vordering van [eiseres] onder punt 2 van het petitum van de dagvaarding - met inachtneming van de laatstelijk door haar genomen aktes - zo dat dient te worden beslist hoe door partijen moet worden omgegaan met de opbrengst c.q. restschuld.

De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat er geen kenbaar bezwaar van [gedaagde] was tegen de gevorderde verdeling van de woning. [gedaagde] heeft zich in beginsel niet verzet tegen de verkoop van de woning en evenmin bezwaar gemaakt tegen de gevorderde verdeling van de opbrengst respectievelijk restschuld. De door hem, voor het eerst bij akte van 28 maart 2012 onder punt 2 ingenomen blote stelling dat de volledige restschuld ten laste van [eiseres] dient te komen, is tardief en bovendien onvoldoende onderbouwd, zodat deze zal worden verworpen.

5.4.3. De rechtbank acht het redelijk dat de waarde van de woning op 18 februari 2008 (de peildatum), nu een (getaxeerde) waarde van de woning op die datum ontbreekt, wordt vastgesteld op de waarde waarvoor deze is verkocht. Nu partijen de rechtbank in het ongewisse hebben gelaten wat de overwaarde, c.q. onderwaarde van de woning is, oordeelt de rechtbank, met inachtneming van de hoofdregel van artikel 1:100 lid 1 BW, dat de overwaarde van de verkochte woning gelijkelijk over de partijen dient te worden verdeeld, respectievelijk dat de restschuld van de verkochte woning bij helfte door ieder van partijen moet worden gedragen.

5.5. Betreffende het onder punt 3 in het petitum van de dagvaarding gevorderde overweegt de rechtbank het volgende.

5.5.1 [gedaagde] erkent dat hij in september 2006 het spaartegoed ad € 33.550,00 van de gemeenschappelijke spaarrekening van partijen heeft afgehaald. Met [eiseres] is hij van mening dat dit geld deel uit maakt van de huwelijksgoederengemeenschap en dat dit gelijkelijk over partijen zou dienen te worden verdeeld. [gedaagde] voert - samengevat - echter aan dat hij, nadat hij het spaargeld van de bank had afgehaald, het geld in de kluis in de voormalige woning van partijen heeft opgeborgen. Hij stelt dat [eiseres] de kluis, met het spaargeld erin, eind september 2006 heeft gestolen, zodat hij in redelijkheid niet kan worden gehouden haar de helft van het spaargeld te betalen. Het proces-verbaal inzake die diefstal is onvolledig. [eiseres] dient, nu zij het spaargeld laatstelijk had, de helft ervan aan hem terug te betalen.

5.5.2. [eiseres] betwist gemotiveerd dat zij de kluis heeft gestolen. Zij legt bij akte van

28 maart 2012 het proces-verbaal van de door [gedaagde] gedane aangifte over (productie B2 bij akte). Blijkens het proces-verbaal van de inbraak op 26 september 2006, heeft [gedaagde] in het geheel geen aangifte gedaan van de gestelde diefstal van de kluis met het spaargeld.

5.5.3. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] in september 2006 het in de huwelijksgoederengemeenschap vallende spaargeld van partijen van € 33.550,00 van de spaarrekening heeft afgehaald, zonder dat hij daarvan de helft aan [eiseres] heeft voldaan. De vordering van [eiseres] tot betaling van de helft van het spaargeld dat in de huwelijksgoederengemeenschap valt, is uit hoofde van artikel 1:100 lid 1 BW toewijsbaar. Bovenstaand verweer van [gedaagde] is een bevrijdend verweer, waarvoor hij, ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast draagt. [eiseres] heeft immers gemotiveerd betwist dat zij de kluis met het spaargeld heeft gestolen.

5.5.4. De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de beweerdelijke diefstal, naast de verklaring van [gedaagde] zelf ter (voortgezette) comparitie na antwoord, enkel voornoemd proces-verbaal voorhanden is. Aan de blote stelling van [gedaagde] dat dit proces-verbaal onvolledig zou zijn, gaat de rechtbank, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [eiseres], voorbij. Uit artikel 164 lid 2 Rv, dat de rechtbank naar analogie gebruikt, volgt dat hetgeen door een partijgetuige, op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs te zijnen voordele kan opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. In voornoemd proces-verbaal kan de rechtbank alleen lezen dat [gedaagde] aangifte doet van een gestolen fotocamera, zodat dit proces-verbaal geen (onvolledig) bewijs oplevert. Nu [gedaagde] zijn bevrijdend verweer op geen enkel punt heeft bewezen en hij geen nader specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, zal zijn algemeen bewijsaanbod op dit punt als niet terzake doende worden gepasseerd.

5.5.5. Gelet hierop zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen om aan [eiseres] te betalen

€ 16.775,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2010 tot de dag van der algehele voldoening.

5.6.1. [eiseres] vordert onder punt 3 van het petitum van de dagvaarding (verder: punt 3) tevens betaling door [gedaagde] van de helft van de kinderbijslag (€ 283,00) en het volledige loon over de maanden september en oktober 2006 (€ 3.448,68). Deze inkomsten zijn van voor de peildatum en vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. Indien de inkomsten op

28 februari 2008 nog voorhanden zouden zijn geweest, had ieder van partijen, op grond van artikel 1:100 lid 1 BW, recht op toedeling van de helft ervan.

5.6.2. [gedaagde] betwist dat die inkomsten er op 18 februari 2008 nog waren. Hij voert daartoe - samengevat - aan dat hij alleen, in de tweede helft van 2006, de doorlopende rekeningen en kosten van de huwelijksgoederengemeenschap heeft moeten betalen. De hiervoor genoemde inkomsten zijn hieraan volledig opgegaan.

5.6.3. [eiseres] acht dit niet onaannemelijk, doch bij gebrek aan wetenschap betwist zij die stelling.

5.6.4. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] alleen kennelijk tot en met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 18 februari 2008, in de periode vanaf oktober 2006 tot en met januari 2008, de maandelijkse hypotheeklasten ad € 500,00 - al dan niet tijdig - heeft voldaan. [gedaagde] heeft zestien maanden aan hypotheeklasten voldaan (€ 8.000,00), die (mede) gelet op de hoofdelijk aansprakelijkheid van partijen, voor de helft ten laste van [eiseres] diende te komen.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij op

14 september 2006 € 1.500,00 aan [gedaagde] heeft betaald in verband met (toekomstige) hypotheeklasten. Het daartoe door haar overgelegde stortingsbewijs van 14 september 2006 (bijlage 39 bij akte van 13 oktober 2010) toont slechts aan dat er op die datum een opname is gedaan vanaf de gezamenlijke spaarrekening van partijen (040.85.75.646) en is gestort op een andere rekening (040.84.18.087). De handgeschreven aantekening op het stortingsbewijs - van kennelijk [eiseres] - is in het licht van het vorenoverwogene onvoldoende.

5.6.5. Nu niet onaannemelijk is dat [gedaagde] vanuit de gemeenschap - onder meer - de hypotheeklasten ad € 8.000,00 heeft voldaan, welke voor de helft (€ 4.000,00) door [eiseres] diende te worden betaald, is eveneens niet onaannemelijk dat de gevorderde € 283,00 en de € 3.448,68 volledig aan de vaste lasten van die gemeenschap, zoals die bestond tot

18 februari 2008, zijn opgegaan. Gelet hierop hebben partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen en wordt de door [eiseres] gevorderde betaling van € 283,00 en € 3.448,68 afgewezen.

5.7. Terzake van de gevorderde betaling onder punt 3 van € 851,72 wordt overwogen dat [eiseres] de rekening van het AZM van 12 april 2006 heeft overgelegd. [eiseres] heeft echter niet aangetoond dat die rekening door de ziektekostenverzekering is vergoed, en wel aan [gedaagde]. Nu [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan en [gedaagde] bovendien betwist dat hij een dergelijk vergoeding zou hebben ontvangen, wordt de gevorderde betaling van

€ 851,72 afgewezen.

5.8. [eiseres] heeft de gestelde lening van haar ouders ter hoogte van € 200,00 (ter aanzuivering van het gestelde debetsaldo op de KBC rekening) evenmin deugdelijk onderbouwd. Nu [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap het bestaan van een dergelijke lening betwist, heeft [eiseres] niet aan haar stelplicht voldaan en zal de gevorderde betaling hiervan worden afgewezen. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen het onder 3.2. overwogene.

5.9. Ter zake van de onder punt 3 gevorderde (deel)betaling van diverse rekeningen, verblijfskosten en advocaatkosten - zoals vermeld op pagina 7, punt 8 tot en met punt 10, van de dagvaarding - wordt het volgende overwogen.

5.9.1 [eiseres] stelt dat zij betalingen heeft gedaan (€ 1.765,05), die ten laste van de beide partijen dienen te komen. Zij vordert betaling van de helft van de rekening gemeente-belasting d.d. 13 januari 2009 van € 134,04, de rekening Univé schadepremie gezinsdekking van € 32,89, de rekening reparatie auto ad € 1.477,59 en de rekening brandverzekering woning ad € 120,53 (dagvaarding, pagina 7, punt 8). Van de betaling van die laatste rekening heeft zij een bankafschrift overgelegd.

[gedaagde] betwist primair - bij gebrek aan wetenschap - de gestelde betalingen. Voor zover de betalingen al door [eiseres] zouden zijn gedaan, zijn die betalingen vanuit de gemeenschap gedaan en heeft [eiseres] dienaangaande niets meer van hem te vorderen.

5.9.2. [eiseres] heeft de rekeningen gemeentebelasting, Univé schadepremie gezinsdekking en reparatie auto niet deugdelijk onderbouwd. Mede gelet op het verweer van [gedaagde] is zij ter (voortgezette) comparitie na antwoord gevraagd het gevorderde nader te onderbouwen. [eiseres] heeft bij laatstelijk genomen akte gepersisteerd bij haar eerder ingenomen stelling, zonder deze alsnog te onderbouwen, dan wel alsnog een nader concreet bewijsaanbod te doen. De gevorderde betaling van de helft van € 134,04, € 32,89 en € 1.477,59 wordt dan ook afgewezen.

5.9.3. [eiseres] heeft de gestelde betaling van de brandverzekering onderbouwd. Zij heeft daartoe bij akte van 1 juni 2011 een bankafschrift van 26 februari 2010 overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 18 februari 2010 de genoemde € 120,53 heeft voldaan. De betaling is gedaan na de peildatum, doch nu deze mede ten voordele van [gedaagde] strekt (de brandverzekering betrof immers de gemeenschappelijke woning van partijen) kan [eiseres] [gedaagde] in redelijkheid ertoe houden de helft hiervan aan haar te betalen. Van het gevorderde wordt derhalve toegewezen € 60,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2010 tot de dag van der algehele voldoening.

5.10. [eiseres] vordert (zie 4.1.3.f) betaling van de helft van haar verblijfkosten in de periode van september 2006 tot 18 februari 2008. [eiseres] onderbouwt die kosten van totaal

€ 824,95 met bonnen. Zij stelt dat zij die kosten niet met ‘gemeenschapsgeld’, maar met van haar ouders geleend geld heeft voldaan. Nu haar verblijfskosten ten laste van de huwelijks-goederengemeenschap diende te komen, doch niet vanuit die gemeenschap zijn voldaan, dient, aldus [eiseres], [gedaagde] alsnog hiervan de helft aan haar te betalen.

5.10.1. Van een aantal van de overgelegde bonnen is - onder meer - de datum niet duidelijk leesbaar. Nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat al de onder 5.10. gestelde kosten ten laste van de huwelijksgoederengemeenschap diende te komen, gaat de rechtbank ervan uit dat de bonnen, ook de bonnen die niet goed leesbaar zijn, van voor 18 februari 2008 zijn.

[gedaagde] betwist vervolgens dat de desbetreffende aankopen/uitgaven niet met gemeenschapsgeld zouden zijn gedaan.

5.10.2 De rechtbank overweegt dat [eiseres] onvoldoende (nader) heeft onderbouwd dat de desbetreffende aankopen/uitgaven zijn geschied met door haar geleend geld. De door [eiseres] bij akte van 28 maart 2012 overgelegde “Overeenkomst van Geldlening” van 10 januari 2010 (productie F) - wat daar verder inhoudelijk ook van zij - is van jaren na de gedane aankopen/uitgaven, dan wel na de peildatum, en toont niet specifiek aan dat met het kennelijk geleende geld die aankopen/uitgaven zouden zijn gedaan.

Dat er sprake is van een lening van de ouders van [eiseres] welke ten laste van de huwelijksgoederengemeenschap dient te komen, kan bovendien, gelet op het onder 3.2 overwogene, thans niet worden beoordeeld. De gevorderde betaling van € 412,47 wordt dan ook afgewezen.

5.11. Voor wat betreft de onder punt 3 van het petitum gevorderde advocaatkosten overweegt de rechtbank het volgende.

5.11.1. [eiseres] vordert betaling door [gedaagde] van de helft van de door haar gemaakte advocaatkosten, welke kosten haars inziens in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. Het betreft advocaatkosten in respectievelijk haar straf-, arbeids- en echtscheidingszaak. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage van 7 mei 2008 (LJN: BD 5396) benadrukt [eiseres] dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de advocaatkosten geen deel uitmaken van de gemeenschap.

5.11.2. [gedaagde] betwist het bovenstaande en voert aan dat de advocaatkosten buiten de gemeenschap vallen. Nog afgezien van de omstandigheid dat die kosten deels na de peildatum zijn gemaakt, dienen die kosten, gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak, te worden aangemerkt als aan [eiseres] verknochte schulden als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW. [gedaagde] verwijst in dit kader mede naar een uitspraak van het Hof

's-Hertogenbosch van 22 november 2006, RFR 2007, 22.

5.11.3. Bij akte van 28 maart 2012, productie D, heeft [eiseres] facturen van haar voormalig advocaten en een overzicht daarvan overgelegd. Het overzicht vermeld twee facturen die niet zijn overgelegd (de factuur 26215/06/2899 van mr. Aarts-Mulder en de factuur van mr. Cremer). Nu [gedaagde] de omvang van de advocaatkosten niet heeft betwist, zal de rechtbank ook die facturen betrekken in haar beoordeling.

5.11.4. De advocaatkosten van [eiseres] dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden onderverdeeld in drie verschillende categorieën kosten voor rechtsbijstand:

I. [eiseres] heeft blijkens de hierna te noemen facturen, in een jegens haar aanhangige strafzaak, € 13.807,00 aan advocaatkosten gemaakt. Het betreft de factuur van 3 oktober 2006 ad € 2.522,80, de factuur van 28 november 2006 ad € 7.500,00 en de factuur van

9 oktober 2008 ad € 3.784,20. Gelet op de peildatum van 18 februari 2008 wordt aan die laatste factuur voorbij gegaan. De eerste twee facturen ter hoogte van totaal € 10.022,88 vallen, gelet op het bepaalde in artikel 94 lid 2 BW, in beginsel in de huwelijks-gemeenschap. Met [gedaagde] is de rechtbank echter van oordeel dat gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak, inhoudende dat [eiseres] die advocaatkosten heeft gemaakt in verband met de strafrechtelijke vervolging inzake de doodslag op [kind], waarbij is komen vast te staan dat zij het dochtertje van partijen heeft gedood en door welk feit zij een onomkeerbare inbreuk op het gezinsleven van [gedaagde] heeft gemaakt, onderhavige advocaatkosten een bijzondere aan haar verknochte schuld betreft, die niet in de huwelijks-goederengemeenschap valt. De gevorderde betaling van de helft ervan wordt dan ook afwezen.

II. De tweede categorie advocaatkosten betreffen - samengevat - de arbeidszaak van [eiseres]. Blijkens de facturen is rechtsbijstand verleend inzake gesprekken met werkgever, UWV en arbodienst. De facturen dateren van 2006 en betreffen gelet op het bepaalde in artikel 1:94 lid 2 de huwelijksgoederengemeenschap. Gebleken noch aannemelijk is gemaakt dat deze kosten van rechtsbijstand naar de aard ervan, dan wel gelet op maatschappelijke normen, dienen te worden aangemerkt als aan [eiseres] verknochte schulden. De € 3.230,36 aan rechtsbijstand dient dan ook (alsnog) bij helfte (€ 1.615,18) door [gedaagde] te worden gedragen. De gevorderde betaling hiervan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, wordt toegewezen.

III. Betreffende de gevorderde betaling van de advocaatkosten in de echtscheidingszaak wordt als volgt overwogen. Het gaat om kosten die zijn gemaakt door [eiseres] in het kader van een persoonlijke belangenbehartiging in een echtscheiding, die ten doel heeft de rechten en plichten van [eiseres] tegenover [gedaagde] veilig te stellen, en betreffen derhalve geen kosten die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone huishouding. De gevorderde betaling van de helft van de onderhavige advocaatkosten wordt afgewezen.

5.12. In punt 4 van het petitum van de dagvaarding vordert [eiseres] dat aan partijen

- zonder verrekening - wordt toebedeeld, hun persoonlijke eigendommen en inboedelzaken. De goederen op de lijsten (productie 4 en 5 bij dagvaarding) kunnen worden onderverdeeld in 1) klederen en lijfspullen, 2) sieraden, 3) inboedel woning, 4) voertuigen en 5) spulletjes en spaargeld van [kind]. Het onder 5) genoemde betreft de nalatenschap van [kind], waarop hierna, onder 5.13 zal worden ingegaan.

1) klederen en lijfspullen

5.12.1. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de door [eiseres] opgesomde goederen er waren. De omvang van de lijsten 4 en 5 staat niet ter discussie. Evenmin heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen toedeling van de kleren en kleinodiën zonder verrekening.

5.12.2. Hier staat tegenover dat [gedaagde] betwist dat hij de persoonlijke spullen van [eiseres] nog in zijn bezit heeft. Hij voert daartoe aan dat [eiseres] een belangrijk deel van haar spullen (in september 2006) heeft meegenomen en dat hij de resterende spullen van [eiseres] naar het stort heeft gebracht. De weggegooide spullen vertegenwoordigden zijns inziens geen grote geldswaarde.

5.12.3. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat in september 2006, bij het verlaten van de woning of kort daarna, [eiseres] niet al haar spullen heeft meegenomen. Op grond van de bovenstaande stelling van [gedaagde] staat bovendien vast dat [eiseres] niet al haar spullen heeft meegenomen. Gelet op de wederzijdse, niet concreet onderbouwde, stellingen van partijen kan niet worden vastgesteld welke spullen [eiseres] heeft achtergelaten in de woning en welke zij heeft meegenomen. [eiseres] heeft daartoe geen specifiek bewijs aanbod gedaan. Gelet hierop, alsmede nu [gedaagde] kennelijk de achtergebleven spullen van [eiseres] naar het stort heeft gebracht, is de primair onder punt 4 in het petitum van de dagvaarding gevorderde toedeling en de daartoe gevorderde dwangsom onder punt 6 niet toewijsbaar.

5.12.4. De onder punt 7 subsidiair gevorderde vergoeding kan wel worden toegewezen, nu vast staat dat [gedaagde] spullen van [eiseres] zonder haar toestemming naar het stort heeft gebracht (uitgezonderd de juwelen, waarover hierna meer). De waarde van de kleding en lijfspullen die naar het stort zijn gebracht, wordt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gewaardeerd op nihil. De rechtbank kan immers niet vaststellen welke goederen zijn weggegooid en wat de dagwaarde van die spullen was op het moment van weggooien.

2) sieraden

5.12.5. Betreffende de gevorderde toedeling van de juwelen overweegt de rechtbank dat [eiseres] de stelling dat [gedaagde] haar juwelen heeft, niet heeft onderbouwd en dat zij evenmin een daartoe specifiek bewijsaanbod gedaan. [gedaagde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat [eiseres] een groot deel van haar persoonlijke spullen heeft meegenomen en dat voor zover zij die niet zou hebben meegenomen [gedaagde] de spullen naar het stort heeft gebracht. Alhoewel de rechtbank zich in redelijkheid niet kan voorstellen dat ook de sieraden naar het stort zijn gebracht, kan zij, zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen, op grond van de wederzijdse stellingen van partijen niet vast te stellen of de juwelen reeds in het bezit van [eiseres] zijn, noch kan de rechtbank vaststellen of deze laatstelijk in het bezit van [gedaagde] waren. Partijen hebben niets gesteld op grond waarvan de rechtbank op enigerlei wijze kan vaststellen bij wie op de peildatum juwelen in het bezit waren. Nu de rechtbank niet kan vaststellen of, en zo ja, welke sieraden onder berusting van [gedaagde] zijn, wordt die vordering afgewezen.

5.12.6. De rechtbank komt gelet op het vorenoverwogene evenmin toe aan een schatting van de waarde per 18 februari 2008 van de juwelen, zodat de onder punt 7 in het petitum van de dagvaarding gevorderde vergoeding wordt afgewezen.

3) inboedel woning

5.12.7. Terzake van de gevorderde verdeling van de inboedel kan, op grond van de wederzijdse stellingen van partijen, niet worden vastgesteld welke spullen [eiseres] heeft meegenomen, welke spullen in het bezit van [gedaagde] zijn/waren, welke spullen zijn weggegooid en wat de dagwaarde van al die spullen op de peildatum was. Zoals hiervoor is overwogen is in ieder geval aannemelijk dat [eiseres] (in september 2006) niet alle spullen heeft meegenomen. Op grond van de stellingen van [gedaagde] staat bovendien vast dat zij niet alle spullen heeft meegenomen. [gedaagde] heeft kennelijk een deel van de spullen naar het stort heeft gebracht, zodat in ieder geval vast staat dat hij spullen van [eiseres] en gemeenschappelijke spullen die voor de helft van [eiseres] waren, verloren heeft doen gaan. Dit ondanks dat [eiseres] daartoe geen toestemming heeft gegeven en zij recht had op toedeling van de helft van die spullen.

5.12.8. De primair onder punt 4 in het petitum van de dagvaarding gevorderde toedeling en de onder punt 6 gevorderde dwangsom zijn gelet op het vorenoverwogene niet toewijsbaar.

5.12.9. Nu de rechtbank niet kan vaststellen welke spullen zijn weggegooid en wat de dagwaarde ervan was, zal de rechtbank (met uitzondering van de spullen van [kind] die geacht worden in haar nalatenschap te vallen) hieraan ex aequo et bono een waarde toedichten van € 6.000,00. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is, dat inboedel op de tweedehands markt slechts een beperkte waarde heeft. Dit bedrag dient gelijkelijk over partijen te worden verdeeld en [gedaagde] (die de spullen kennelijk heeft weggegooid) dient aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.12.10. Voor wat betreft de inboedelgoederen die partijen reeds in hun bezit hebben overweegt de rechtbank dat nu partijen over en weer niet (nader) hebben onderbouwd welke spullen dat zijn, zij dienaangaande worden geacht in redelijkheid niets meer van elkaar te hebben te vorderen.

4) voertuigen

5.12.10. Tussen partijen staat vast dat de Volkswagenbus, de Suzuki motor en de aanhangwagen in de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat deze voertuigen, respectievelijk de waarde ervan op de peildatum, aan ieder voor de helft toekomt. Betreffende de Ford Ka staat dit niet vast. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ford Ka:

[eiseres] stelt dat de auto niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Zij stelt dat de Ford Ka met kenteken RS-DR-67 van haar moeder was en dat die auto door haar moeder in 2003 is ingeruild voor een Ford Ka met kenteken XF-PD-83. [eiseres] heeft de auto’s van haar moeder in bruikleen gehad. De laatste Ford Ka is verkocht voor € 1.500,00. Hiervan heeft [eiseres] geen schriftelijk bewijs meer.

[gedaagde] betwist het bovenstaande en stelt dat de Ford Ka op zijn naam stond, zodat die auto deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap. Hij verwijst daartoe naar het door hem overgelegde motorrijtuigverzekeringsbewijs van 1 april 2006 (productie 1 bij antwoordakte van 28 maart 2012). De Ford Ka is op zijn naam gezet met kenteken

TTA 273.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres], gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde], onvoldoende onderbouwd - er is enkel haar verklaring voorhanden - dat de Ford Ka van haar moeder was. Aannemelijk is gemaakt dat de Ford Ka eigendom was van [gedaagde] en dat de auto op de peildatum tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Nu de Ford Ka na de peildatum door, dan wel namens [eiseres] is verkocht hebben partijen ieder recht op toedeling van de helft van de waarde ervan. Daarbij is niet doorslaggevend dat de auto is verkocht voor € 1.500,00, maar wat de waarde ervan was op de peildatum, op

18 februari 2008.

Gelet op de processtukken had de Ford Ka kennelijk het kenteken XF-PD-83, alvorens deze op de naam van [gedaagde] is gezet en kenteken TTA 273 kreeg. Gelet op de ouderdom van de Ford Ka (de auto is van eind 1998) - af te lijden uit het Nederlands kenteken XF-PD-83 en de daarbij behorende voertuiggegevens - is de rechtbank van oordeel dat een waarde van die auto op 18 februari 2008 ter hoogte van € 1.500,00 haar niet onredelijk voorkomt, zodat zij de waarde van de Ford Ka op dit bedrag vaststelt. Nu [eiseres] de Ford Ka, die in de huwelijksgoederengemeenschap viel, heeft verkocht, respectievelijk heeft doen verkopen, dient zij aan [gedaagde] te betalen € 750,00. Dit bedrag zal hierna worden verrekend met het door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag.

Volkswagenbus:

[eiseres] stelt dat de waarde van de Volkswagenbus op de peildatum € 15.850,00 was. Zij verwijst daartoe naar de door haar overgelegde factuur van 21 augustus 2003 (akte van [eiseres] van 1 juni 2011, bijlage 2a). De Volkswagenbus met kenteken 10-VZ-SZ is op die datum gekocht voor voornoemd bedrag.

[gedaagde] betwist dat de Volkswagenbus op de peildatum nog zoveel waard was. Hij stelt bij akte van 28 maart 2012 dat hij de Volkswagenbus voor € 2.000,00 heeft moeten verkopen. Nu de Volkswagenbus in de huwelijksgoederengemeenschap viel, dient zijns inziens het bedrag van € 2.000,00 gelijkelijk over partijen te worden verdeeld, hetgeen zijns inziens inhoudt dat hij nog € 1.000,00 aan [eiseres] moet betalen.

De door [eiseres] gestelde waarde van de Volkswagenbus komt de rechtbank niet redelijk voor, nu zij die waarde onderbouwd met een factuur betreffende de aankoop van de Volkswagenbus in 2003. Op de peildatum was de bus viereneenhalf jaar ouder en was de waarde ervan gedaald. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] de Volkswagenbus in 2012 kennelijk heeft moeten verkopen voor € 2.000,00 zegt evenmin iets over de dagwaarde van de Volkswagenbus op de peildatum.

De rechtbank komt, gelet op het door [eiseres] onderbouwde aankoopbedrag en de ouderdom van de Volkswagenbus op de peildatum (de bus is van eind 2001), de door [gedaagde] bij akte van 18 mei 2011 (zie bijlage bij die akte) gestelde waarde van de Volkswagenbus op de peildatum van € 5.500,00 exclusief BTW (€ 6.545,00) redelijk voor. Nu [gedaagde] zonder toestemming van [eiseres] de Volkswagenbus, die in de huwelijksgoederengemeenschap viel, heeft verkocht dient hij alsnog de helft van de waarde van de Volkswagenbus op de peildatum aan haar te voldoen.

Het door [eiseres] gevorderde is gelet op al het bovenstaande toewijsbaar tot een bedrag van

€ 3.272,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Suzuki motor:

De Suzuki motor valt in de huwelijksgoederengemeenschap. Blijkens de laatstelijk door partijen genomen aktes zijn partijen het er over eens dat de waarde van die motor € 600,00 bedraagt en dat [gedaagde] de motor in zijn bezit heeft. Gelet hierop dient [gedaagde] de helft van voornoemd bedrag (€ 300,00), te vermeerderen met de wettelijke rente, aan [eiseres] te voldoen.

Aanhangwagen:

[eiseres] stelt dat de aanhangwagen nieuw was bij aanschaf en dat de waarde van de aanhangwagen op de peildatum € 495,00 was. Zij stelt dat, nu [gedaagde] de aanhangwagen in zijn bezit heeft, zij recht heeft op de helft van dit bedrag.

[gedaagde] stelt dat de aanhangwagen tweedehands is gekocht en dat de waarde € 250,00 is.

Op grond van de - niet onderbouwde - wederzijdse stellingen van partijen kan niet worden vastgesteld of de aanhangwagen bij de aanschaf ervan door partijen nieuw of tweedehands was en of de waarde ervan op de peildatum € 495,00 of € 250,00 was. Er is geen relevant bewijsaanbod door partijen gedaan. Gelet hierop zal de rechtbank de waarde ex aequo et bono vaststellen op € 300,00 en de aanhangwagen toedelen aan de [gedaagde], zodat hij aan [eiseres] dient te voldoen een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nalatenschap

5.13. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [kind] een spaarrekening had met een saldo van € 2.294,71 en dat hij dat geld heeft opgenomen. Hij heeft tevens erkend dat [eiseres] en [kind] de woning in september 2006 hebben verlaten met achterlaten van een deel van de kleding en het speelgoed van [kind]. De kleertjes en het speelgoed van [kind] (productie 5 bij dagvaarding) welke door [eiseres] zijn gekocht na het verlaten van de woning en welke zich in november 2009 in de woning te Jülich bevonden, zijn - naar de stelling van [gedaagde] - na de dood van [kind] door de recherche van Aken aan hem overhandigd.

5.13.1. Het spaargeld, het speelgoed en de kleding van [kind] zijn goederen die, nu [kind] op 9 november 2006 is overleden, tot haar nalatenschap behoren. Op grond van

artikel 4:10 lid 1 sub b BW zijn in beginsel de ouders van [kind] ([eiseres] en [gedaagde]) voor gelijke delen in de nalatenschap van Rachel gerechtigd. De nalatenschap van [kind] is na haar overlijden in de huwelijksgoederengemeenschap van [eiseres] en [gedaagde] gevallen, omdat zij in deze ingevolge artikel 4:10 lid 1 sub b BW de enige erfgenamen zijn.

5.13.2. [gedaagde] stelt dat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden aangemerkt als erfgenaam van [kind], nu zij [kind] heeft gedood, respectievelijk dat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gegrond beroep toekomt op toedeling van haar erfdeel.

5.13.3. [eiseres] betwist dat zij geen aanspraak zou kunnen maken op de nalatenschap van [kind]. Het doden van [kind] was een wanhoopsdaad, aan welke daad zij blijkens het vonnis van de meervoudige strafkamer van 2 mei 2007 geen schuld had. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] hiermee mede bedoelt te stellen dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW niet van toepassing is.

Mede gelet op deze uitspraak kan - naar de stelling van [eiseres] - niet worden geoordeeld dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich (alsnog) verzetten tegen toedeling van goederen uit de nalatenschap van [kind] aan [eiseres].

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

5.13.4. In het erfrecht, in artikel 4:3 lid 1 sub b BW, is bepaald dat van rechtswege onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken hij die onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens een poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf.

5.13.5. Vaststaat dat [kind] is gedood door [eiseres]. Dit feit brengt met zich dat de rechtbank dient te bezien of [eiseres] onwaardig is om uit de nalatenschap van [kind] voordeel te trekken. Indien [eiseres] van rechtswege onwaardig zou om uit de nalatenschap van [kind] voordeel te trekken komen haar immers op grond van de bovenstaande erfrechtelijke bepaling in rechte geen goederen van [kind] toe.

5.13.6. De rechtbank overweegt dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW een opgelegde onherroepelijke straf (of maatregel) eist. Van een dergelijke veroordeling is gelet op het Duitse vonnis van de Meervoudige Strafkamer van 2 mei 2007 ten aanzien van [eiseres] geen sprake. Geoordeeld is immers dat:

“Die Beschuldigte handelte jedoch bei der Tatausführung gemäß § 20 StGB ohne Schuld, weil ihre Fähigkeit, das Unrecht der Tat einzusehen, durch eine floride psychotische Wahnwahrnehmung aufgehoben war. (…)

Gemäß § 63 StGB war die Unterbringung der Beschuldigten in einem psychiatrischen Krankenhaus anzuordnen. (…)”.

Deze aan [eiseres] opgelegde maatregel betreft geen onherroepelijk veroordeling als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW.

5.13.7. Niet zonder meer is duidelijk of de wetgever bij de totstandkoming van (thans) artikel 4:3 lid 1 onder b BW mede in ogenschouw heeft genomen de rechtsgevolgen van het oordeel dat het tenlastegelegde feit weliswaar is bewezen, alsook een strafbaar feit is, maar de verdachte niet strafbaar is nu dit feit is begaan wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens waardoor het feit de verdachte niet kan worden toegerekend. Vervolgens kan artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht worden toegepast. Zo een situatie doet zich thans voor.

Blijkens het “Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie” van 8 december 1997, vastgesteld op 8 december 1997, is - voor zover thans relevant - de ratio van artikel 4:3 lid 1 onder b BW dat deze bepaling eng dient te worden uitgelegd. Uit dit verslag, met name de pagina’s 20 en 21, moet worden afgeleid, dat deze bepaling niet van toepassing is, indien niet aan de gestelde vereisten ervan is voldaan, zelfs indien de toepassing van deze erfrechtelijke bepaling over onwaardigheid om te erven een maatsschappelijk onwenselijke situatie met zich brengt.

5.13.8. Geconcludeerd moet worden dat een dader die bij het begaan van een strafbaar feit, zoals het ombrengen van diens erflater, zozeer lijdende was aan een ziekelijke storing van zijn geestvermogens dat hij niet strafbaar is verklaard, niet onwaardig kan worden geoordeeld. Dit dus zelfs indien de dader door diens handelwijze een zeer zware inbreuk op het recht van leven van de erflater (artikel 2 EVRM) heeft gemaakt.

5.13.9. Gelet op al het vorenoverwogene is [eiseres] niet van rechtswege onwaardig om van [kind] te erven. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat niet is gebleken van andere (wettelijke) aanknopingspunten waardoor [eiseres] anderszins onwaardig zou zijn om van [kind] te erven.

5.13.10. De rechtbank overweegt vervolgens dat de wettelijke verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in boek 1 van het BW geen analoge regeling van artikel 4:3 lid 1 sub b BW kent. Door de Hoge Raad is echter bij uitspraak van 7 december 1990 (NJ 1991, 593) geoordeeld dat indien de onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldende regel van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn daarvan in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken.

De toedracht bij het overlijden van [kind] kan dan ook, voor zover deze de goederen van [kind] betreffen, een rol spelen bij de beoordeling van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van [eiseres] en [gedaagde].

De rechtbank is van oordeel dat de zeer bijzondere omstandigheden in deze zaak, namelijk dat [kind] door haar moeder is gedood, waardoor [gedaagde] zijn dochtertje heeft verloren en [eiseres] [gedaagde] definitief van het gezinsleven met [kind] heeft beroofd, waardoor de voormalige relatie van partijen een wel zeer zware last draagt, maken dat hoewel [eiseres] niet onwaardig is om te erven van [kind], de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat [eiseres] ten aanzien van [gedaagde] aanspraak maakt op haar erfdeel in het kader van de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Van onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW jo. artikel 3:166 lid 3 BW jo.

artikel 6:2 BW geldende regel van verdeling bij helfte dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te worden afgeweken.

5.13.11. Gelet op al het vorenoverwogene komt [eiseres] in redelijkheid geen aanspraak toe op toedeling van de goederen van [kind] die [gedaagde] laatstelijk (op de peildatum) in zijn bezit had. De gevorderde toedeling van goederen van [kind] wordt derhalve afgewezen. Aan de waardering van de waarde van die goederen komt de rechtbank niet meer toe.

Urn

5.14. Vast staat dat [gedaagde] de urn met de as van [kind] laatstelijk in zijn bezit had.

5.14.1. [gedaagde] heeft ter comparitie na antwoord, gehouden op 8 februari 2011, te kennen gegeven dat hij de as in 2009 heeft uitgestrooid bij een grote boom en dat hij de urn heeft weggegooid. De plaats waar de as is verstrooid heeft hij gemarkeerd. Hij heeft de naam van [kind] in de boom gekerfd en een gedenkplek ingericht. [gedaagde] heeft na de comparitie een map met gedetailleerde informatie over de plek waar hij de as heeft uitgestrooid, die zich op loopafstand van de voormalig echtelijke woning van partijen bevindt, aan [eiseres] doen toekomen (antwoord-akte van 18 mei 2011 onder punt 3).

5.14.2. [eiseres] heeft bij brief van de raadsman van [gedaagde] van 21 februari 2011 de genoemde informatie (plattegrond en foto’s) ontvangen. Zij heeft die informatie in het geding gebracht bij akte van 1 juni 2011.

Blijkens de akte van [eiseres] van 28 maart 2012, punt 9, heeft [eiseres] de plek waar de as van [kind] zou zijn uitgestrooid bezocht. [eiseres] kan niet geloven dat de as daar daadwerkelijk door [gedaagde] is uitgestrooid. Zij stelt geen gedenkteken bij de bewuste boom te hebben aangetroffen. [eiseres] heeft slechts een bruin kettinkje zien hangen op de betreffende plek. [eiseres] handhaaft dan ook punt 8 van het petitum van de dagvaarding, inhoudende dat de rechtbank [gedaagde] gelast, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de urn met de as van [kind] terug te brengen naar het crematorium te Heerlen.

5.14.3. [gedaagde] heeft bij de laatstelijk door hem genomen akte van 28 maart 2012, punt 9, benadrukt dat hij de as op de door hem aangegeven plek heeft uitgestrooid. Bij de gedenkplek ligt een verweerde, voor [eiseres] herkenbare vaas en zijn een rozenkrans en lintjes aanwezig. De naam van [kind] is in de boom gekerfd.

5.14.4. Gelet op de gedetailleerde verklaring van [gedaagde], onderbouwd met een plattegrond en foto’s, alsmede nu [eiseres] bij de door [gedaagde] aangegeven boom een gedenkteken, hoe summier wellicht ook, heeft aangetroffen, houdt de rechtbank het er in rechte voor dat de as van [kind] aldaar is uitgestrooid. De vordering van [eiseres] om

- samengevat - [gedaagde] te gelasten de urn met de as van [kind] terug te brengen naar het crematorium te Heerlen, wordt gelet hierop afgewezen.

Dit neemt niet weg dat de handelwijze van [gedaagde], het wegnemen van de urn en het verstrooien van de as zonder toestemming van [eiseres], zonder meer wederrechtelijk is geweest.

Algemeen

5.15. Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 29.172,95

(€ 4.750,00 + € 16.775,00 + € 60,27 + € 1.615,18 + € 3.000,00 + € 3.272,50 + € 300,00 +

€ 150,00 - € 750,00), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 3 mei 2010 tot de dag van volledige betaling,

6.2. bepaalt terzake van de (voormalige) woning van partijen aan de Auf der Heide 7 te [woonplaats], dat indien bij de verkoop ervan sprake was van een overwaarde deze gelijkelijk over de partijen dient te worden verdeeld, respectievelijk dat indien sprake was van een onderwaarde, de restschuld door ieder van partijen bij helfte moet worden gedragen,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken op

26 september 2012.

CM

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150672 / HA ZA 10-480

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M. van Riet te Hoensbroek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.F.G. Pennino te Heerlen.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 december 2010,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2011,

- de akte van [eiseres] van 4 mei 2011,

- de antwoordakte van [gedaagde] van 18 mei 2011,

- een schrijven van de (voormalig) advocaat van [eiseres] van 1 juni 2011,

- het proces-verbaal van voortzetting comparitie van 13 oktober 2011,

- de akte van [eiseres] van 28 maart 2012;

- de antwoordakte van [gedaagde] van 28 maart 2012;

- de antwoordakte van [eiseres] van 18 april 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 12 juni 2002 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Op

1 november 2004 is het dochtertje van partijen ([kind]) geboren.

2.2. [eiseres] heeft in september 2006 met [kind] de echtelijke woning verlaten. [kind] is op 9 november 2006 te Jülich, Duitsland door [eiseres] gedood.

2.3. Naar Duits recht (“Strafgezetzbuch”, hierna: StGB) is door de Meervoudige Strafkamer (“Die Schwurgerichtskammer des Landgerichts Aachen”) bij “Urteil, 52 Ks 401 Js 634/06” van 2 mei 2007, geoordeeld:

“Das Verhalten der Beschuldigten (lees: [eiseres]) erfüllt die Voraussetzungen des Straftatbestandes des Totschlags gemäß § 212 StGB (lees: doodslag).

Die Beschuldigte handelte jedoch bei der Tatausführung gemäß § 20 StGB ohne Schuld, weil ihre Fähigkeit, das Unrecht der Tat einzusehen, durch eine floride psychotische Wahnwahrnehmung aufgehoben war. (…)

Gemäß § 63 StGB war die Unterbringung der Beschuldigten in einem psychiatrischen Krankenhaus anzuordnen. (…)”

(Productie 1 bij conclusie van dupliek, pagina’s 18 en 19)

2.4. Door deze rechtbank is op 30 januari 2008 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (zaaknr. 119534 / S RK 07-539). Daarbij heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bevolen. De echtscheidingsbeschikking is op 18 februari 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank is bij de beoordeling van deze zaak, gelet op het bepaalde in artikel 111 lid 2 sub d Rv, gebonden aan de bij dagvaarding vermelde eis en de gronden daarvan. [eiseres] heeft - voor zover thans relevant - scheiding en deling van een concreet aantal goederen van de huwelijksgoederengemeenschap gevraagd. [gedaagde] heeft geen reconventionele vordering ingesteld.

3.2. Gelet hierop kan de rechtbank de door [gedaagde] bij die verdeling betrokken pensioengelden en de door [eiseres] gestelde leningen van haar ouders, zijnde onderwerpen die de huwelijksgoederengemeenschap betreffen en door partijen ter discussie zijn gesteld, doch die de dagvaarding te buiten gaan, niet in haar beoordeling van deze zaak betrekken.

3.3. De vorderingen van [eiseres] worden samengevat als volgt weergegeven.

4. Het geschil

4.1. Huwelijksgoederengemeenschap

4.1.1. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.750,00.

[eiseres] stelt ter onderbouwing hiervan dat partijen een hypothecaire lening zijn aangegaan, ten aanzien waarvan zij elk hoofdelijk schuldenaar zijn. [eiseres] (de rechtbank: blijkens de dagvaarding [eiseres] zelf, dus niet haar moeder zoals is gesteld bij akte van 28 maart 2012) heeft met ingang van juli 2008 tot en met januari 2010 elke maand € 500,00 aan hypotheekrente rechtstreeks aan de KCB Bank te Eupen betaald. Zij heeft in totaal

€ 9.500,00 voldaan. [eiseres] verwijst hiertoe naar de door haar bij akte van 29 februari 2012 (lees: 28 maart 2012) overgelegde stortingsbewijzen (productie B1). Op grond van

artikel 6:10 lid 2 BW vordert zij vergoeding van de helft hiervan.

4.1.2. [eiseres] vordert voorts te bepalen dat [gedaagde], na de executoriale verkoop van de woning aan de Auf der Heide 7 te [woonplaats], de helft van de restschuld voor zijn dient te rekening nemen, en dat hij, over de periode dat hij uitsluitend het gebruik van de woning heeft gehad, het bedrag aan achterstallige rentes, vermeerderd met de daarover verschuldigde boetes, dient te betalen.

4.1.3. [eiseres] vordert tevens veroordeling van [gedaagde] om aan haar van te betalen:

a. € 16.775,00;

b. € 283,00;

c. € 3.448,68;

d. € 851,72;

e. € 200,00 en

f. € 18.721,19.

Zij onderbouwt die bedragen als volgt:

a. Partijen hebben een gezamenlijke spaarrekening (nr. [banknummer]) gehad, met een saldo van € 33.550,00. [gedaagde] heeft in september 2006 het geld van die rekening afgehaald. Hij dient de helft hiervan (€ 16.775,00) aan [eiseres] terug te betalen.

b. [gedaagde] heeft de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2006 ter hoogte van € 566,00 geïnd. [eiseres] stelt dat zij recht heeft op de helft ervan, zodat [gedaagde] € 283,00 aan haar dient te betalen.

c. [eiseres] stelt dat haar loon over de maanden september en oktober 2006 (zijnde € 3.448,68) haar volledig toekomt, nu dit loon de periode betreft waarin zij de echtelijke woning had verlaten. Er was van een gemeenschappelijke huishouding met [gedaagde] geen sprake meer. Het loon dat door [gedaagde] is opgenomen dient volledig aan haar te worden terugbetaald.

d. [eiseres] stelt dat zij een rekening van het AZM van € 851,72 heeft betaald (akte houdende producties van [eiseres], bijlage 37). Die rekening heeft niet zij, maar [gedaagde] door de ziektekostenverzekeraar volledig vergoed gekregen. [gedaagde] dient de ontvangen vergoeding aan [eiseres] te betalen.

e. [eiseres] stelt dat zij een tekort van € 200,00 op de (hypotheek)betaalrekening van partijen bij de KBC bank heeft aangezuiverd. Zij heeft daartoe € 200,00 van haar ouders geleend. [gedaagde] dient dit bedrag aan haar te vergoeden.

f. [eiseres] stelt dat [gedaagde] de helft van haar onkosten in de periode dat zij niet in de echtelijke woning verbleef dient te vergoeden. Zij onderbouwt die kosten als volgt:

- diverse rekeningen (zie punt 8, pagina 7, dagvaarding) ad totaal € 1.765,05;

- verblijfskosten ad € 824,95;

- advocaatkosten ad € 34.852,38.

4.1.4. [eiseres] vordert vervolgens dat aan partijen - zonder verrekening - wordt toebedeeld, hun persoonlijke eigendommen en inboedelzaken. Zij verwijst daartoe naar de door haar bij dagvaarding overgelegde lijst (productie 4 bij de dagvaarding). De kleding en sieraden dienen aan haar te worden toegedeeld. De inboedelgoederen dienen te worden toebedeeld aan degene van wiens zijde die goederen in de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen. Op de vordering van [eiseres], waartoe ook behoren de hierna te bespreken voertuigen, zal hierna nader worden ingegaan.

4.2. Nalatenschap

4.2.1 [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 1.147,35.

[eiseres] stelt dat [kind] een spaarrekening had met een saldo van € 2.294,71. [gedaagde] heeft het geld van die rekening afgehaald, zonder dat hij de helft er van aan [eiseres] heeft voldaan.

4.2.2. [eiseres] vordert tevens de op de lijst - productie 5 bij dagvaarding - vermelde kleertjes en speelgoed van [kind] aan haar toe te delen. Deze spulletjes zijn door [eiseres] voor [kind] gekocht, zodat deze aan [eiseres] dienen te worden toebedeeld.

4.2.3. De overige spulletjes van [kind], zoals vermeld op de pagina’s 4 en 5 van de bij dagvaarding overgelegde productie 5, dienen eveneens aan [eiseres] te worden toebedeeld.

4.3. Algemeen

4.3.1. [eiseres] vordert primair [gedaagde] te veroordelen om op straffe van verbeurte van een dwangsom alle voornoemde aan haar toe te delen zaken aan haar af te geven.

Zij vordert subsidiair [gedaagde] te veroordelen om aan haar te vergoeden de helft van de in goede justitie vast te stellen waardes van voornoemde goederen.

4.3.2. [eiseres] vordert tenslotte een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.4. Urn

4.4.1. [eiseres] vordert [gedaagde] te gelasten, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de urn met de as van [kind] terug te brengen naar het crematorium te Heerlen. Vaststaat dat hij die urn zonder toestemming van [eiseres] heeft meegenomen uit het crematorium.

4.5. [gedaagde] voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.

5. De verdere beoordeling

5.1. Het door [gedaagde] bij conclusie van antwoord gedane beroep op verrekening - voor het geval hij wordt veroordeeld om aan [eiseres] te betalen - is onvoldoende onderbouwd en wordt verworpen. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres], die verantwoordelijk is voor de dood van [kind], op grond van artikel 6:107 BW de hierdoor ontstane schade van [gedaagde] dient te vergoeden, zodat hij een verrekenbare tegenvordering op [eiseres] heeft. [gedaagde] laat echter na om zijn gezondheidstoestand (de bij conclusie van antwoord, pagina 1, gestelde posttraumatische stresstoornis) en de omvang van zijn schade concreet te onderbouwen.

Huwelijksgoederengemeenschap

5.2.1. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 1996 (NJ 1997, 593) dient bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te worden uitgegaan van de samenstelling daarvan bij het einde van het huwelijk, zijnde de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In casu geldt derhalve als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap 18 februari 2008.

5.2.2. Voor de waardering van de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap moet, gelet op bovenstaande uitspraak, worden uitgegaan van de waarde daarvan ten tijde van de verdeling, tenzij partijen een andere datum overeenkomen.

5.2.3. [gedaagde] heeft bij akte van 28 maart 2012 (pagina 1), zo begrijpt de rechtbank, voor de waardebepaling van de huwelijksgoederengemeenschap eveneens de datum van

18 februari 2008 aangehouden. [eiseres] is hiermee, bij antwoordakte van 18 april 2012 onder punt 1, zo begrijpt de rechtbank, akkoord gegaan.

5.2.4. Gelet hierop zal de rechtbank bij haar beoordeling - in beginsel en voor zover relevant - voor zowel de peildatum samenstelling, als de peildatum waardebepaling

18 februari 2008 aanhouden.

5.3. [eiseres] heeft onder punt 1 in het petitum van de dagvaarding betaling door [gedaagde] van € 4.750,00 gevorderd. [eiseres] heeft ter onderbouwing hiervan stortingsbewijzen overgelegd. Gelet hierop heeft [eiseres] totaal € 9.500,00 aan aflossingen op de hypotheek(rente) gedaan. Nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat partijen voor de aflossing van de desbetreffende hypotheek hoofdelijk aansprakelijk zijn, zodat hij gebaat was bij die aflossingen én hij deze gestelde aflossingen niet gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank de gevorderde betaling van de € 4.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente ex

artikel 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele betaling, toewijzen. De omstandigheid dat de aflossingen zijn gedaan na de peildatum doet - gelet op het vorenoverwogene - in redelijkheid niet af aan de (regres)vordering van [eiseres] op [gedaagde].

5.4.1. Blijkens de laatstelijk door partijen genomen aktes, is de hiervoor onder 4.1.2 genoemde woning van partijen inmiddels executoriaal verkocht. De rechtbank is niet bekend gemaakt met de opbrengst, noch de restschuld of de overwaarde, dan wel de onderwaarde van de verkochte woning.

5.4.2. Gelet op de omstandigheid dat de woning inmiddels is verkocht, begrijpt de rechtbank de vordering van [eiseres] onder punt 2 van het petitum van de dagvaarding - met inachtneming van de laatstelijk door haar genomen aktes - zo dat dient te worden beslist hoe door partijen moet worden omgegaan met de opbrengst c.q. restschuld.

De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat er geen kenbaar bezwaar van [gedaagde] was tegen de gevorderde verdeling van de woning. [gedaagde] heeft zich in beginsel niet verzet tegen de verkoop van de woning en evenmin bezwaar gemaakt tegen de gevorderde verdeling van de opbrengst respectievelijk restschuld. De door hem, voor het eerst bij akte van 28 maart 2012 onder punt 2 ingenomen blote stelling dat de volledige restschuld ten laste van [eiseres] dient te komen, is tardief en bovendien onvoldoende onderbouwd, zodat deze zal worden verworpen.

5.4.3. De rechtbank acht het redelijk dat de waarde van de woning op 18 februari 2008 (de peildatum), nu een (getaxeerde) waarde van de woning op die datum ontbreekt, wordt vastgesteld op de waarde waarvoor deze is verkocht. Nu partijen de rechtbank in het ongewisse hebben gelaten wat de overwaarde, c.q. onderwaarde van de woning is, oordeelt de rechtbank, met inachtneming van de hoofdregel van artikel 1:100 lid 1 BW, dat de overwaarde van de verkochte woning gelijkelijk over de partijen dient te worden verdeeld, respectievelijk dat de restschuld van de verkochte woning bij helfte door ieder van partijen moet worden gedragen.

5.5. Betreffende het onder punt 3 in het petitum van de dagvaarding gevorderde overweegt de rechtbank het volgende.

5.5.1 [gedaagde] erkent dat hij in september 2006 het spaartegoed ad € 33.550,00 van de gemeenschappelijke spaarrekening van partijen heeft afgehaald. Met [eiseres] is hij van mening dat dit geld deel uit maakt van de huwelijksgoederengemeenschap en dat dit gelijkelijk over partijen zou dienen te worden verdeeld. [gedaagde] voert - samengevat - echter aan dat hij, nadat hij het spaargeld van de bank had afgehaald, het geld in de kluis in de voormalige woning van partijen heeft opgeborgen. Hij stelt dat [eiseres] de kluis, met het spaargeld erin, eind september 2006 heeft gestolen, zodat hij in redelijkheid niet kan worden gehouden haar de helft van het spaargeld te betalen. Het proces-verbaal inzake die diefstal is onvolledig. [eiseres] dient, nu zij het spaargeld laatstelijk had, de helft ervan aan hem terug te betalen.

5.5.2. [eiseres] betwist gemotiveerd dat zij de kluis heeft gestolen. Zij legt bij akte van

28 maart 2012 het proces-verbaal van de door [gedaagde] gedane aangifte over (productie B2 bij akte). Blijkens het proces-verbaal van de inbraak op 26 september 2006, heeft [gedaagde] in het geheel geen aangifte gedaan van de gestelde diefstal van de kluis met het spaargeld.

5.5.3. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] in september 2006 het in de huwelijksgoederengemeenschap vallende spaargeld van partijen van € 33.550,00 van de spaarrekening heeft afgehaald, zonder dat hij daarvan de helft aan [eiseres] heeft voldaan. De vordering van [eiseres] tot betaling van de helft van het spaargeld dat in de huwelijksgoederengemeenschap valt, is uit hoofde van artikel 1:100 lid 1 BW toewijsbaar. Bovenstaand verweer van [gedaagde] is een bevrijdend verweer, waarvoor hij, ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast draagt. [eiseres] heeft immers gemotiveerd betwist dat zij de kluis met het spaargeld heeft gestolen.

5.5.4. De rechtbank stelt vast dat ter onderbouwing van de beweerdelijke diefstal, naast de verklaring van [gedaagde] zelf ter (voortgezette) comparitie na antwoord, enkel voornoemd proces-verbaal voorhanden is. Aan de blote stelling van [gedaagde] dat dit proces-verbaal onvolledig zou zijn, gaat de rechtbank, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [eiseres], voorbij. Uit artikel 164 lid 2 Rv, dat de rechtbank naar analogie gebruikt, volgt dat hetgeen door een partijgetuige, op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs te zijnen voordele kan opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. In voornoemd proces-verbaal kan de rechtbank alleen lezen dat [gedaagde] aangifte doet van een gestolen fotocamera, zodat dit proces-verbaal geen (onvolledig) bewijs oplevert. Nu [gedaagde] zijn bevrijdend verweer op geen enkel punt heeft bewezen en hij geen nader specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, zal zijn algemeen bewijsaanbod op dit punt als niet terzake doende worden gepasseerd.

5.5.5. Gelet hierop zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen om aan [eiseres] te betalen

€ 16.775,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2010 tot de dag van der algehele voldoening.

5.6.1. [eiseres] vordert onder punt 3 van het petitum van de dagvaarding (verder: punt 3) tevens betaling door [gedaagde] van de helft van de kinderbijslag (€ 283,00) en het volledige loon over de maanden september en oktober 2006 (€ 3.448,68). Deze inkomsten zijn van voor de peildatum en vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. Indien de inkomsten op

28 februari 2008 nog voorhanden zouden zijn geweest, had ieder van partijen, op grond van artikel 1:100 lid 1 BW, recht op toedeling van de helft ervan.

5.6.2. [gedaagde] betwist dat die inkomsten er op 18 februari 2008 nog waren. Hij voert daartoe - samengevat - aan dat hij alleen, in de tweede helft van 2006, de doorlopende rekeningen en kosten van de huwelijksgoederengemeenschap heeft moeten betalen. De hiervoor genoemde inkomsten zijn hieraan volledig opgegaan.

5.6.3. [eiseres] acht dit niet onaannemelijk, doch bij gebrek aan wetenschap betwist zij die stelling.

5.6.4. De rechtbank overweegt dat [gedaagde] alleen kennelijk tot en met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 18 februari 2008, in de periode vanaf oktober 2006 tot en met januari 2008, de maandelijkse hypotheeklasten ad € 500,00 - al dan niet tijdig - heeft voldaan. [gedaagde] heeft zestien maanden aan hypotheeklasten voldaan (€ 8.000,00), die (mede) gelet op de hoofdelijk aansprakelijkheid van partijen, voor de helft ten laste van [eiseres] diende te komen.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij op

14 september 2006 € 1.500,00 aan [gedaagde] heeft betaald in verband met (toekomstige) hypotheeklasten. Het daartoe door haar overgelegde stortingsbewijs van 14 september 2006 (bijlage 39 bij akte van 13 oktober 2010) toont slechts aan dat er op die datum een opname is gedaan vanaf de gezamenlijke spaarrekening van partijen (040.85.75.646) en is gestort op een andere rekening (040.84.18.087). De handgeschreven aantekening op het stortingsbewijs - van kennelijk [eiseres] - is in het licht van het vorenoverwogene onvoldoende.

5.6.5. Nu niet onaannemelijk is dat [gedaagde] vanuit de gemeenschap - onder meer - de hypotheeklasten ad € 8.000,00 heeft voldaan, welke voor de helft (€ 4.000,00) door [eiseres] diende te worden betaald, is eveneens niet onaannemelijk dat de gevorderde € 283,00 en de € 3.448,68 volledig aan de vaste lasten van die gemeenschap, zoals die bestond tot

18 februari 2008, zijn opgegaan. Gelet hierop hebben partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen en wordt de door [eiseres] gevorderde betaling van € 283,00 en € 3.448,68 afgewezen.

5.7. Terzake van de gevorderde betaling onder punt 3 van € 851,72 wordt overwogen dat [eiseres] de rekening van het AZM van 12 april 2006 heeft overgelegd. [eiseres] heeft echter niet aangetoond dat die rekening door de ziektekostenverzekering is vergoed, en wel aan [gedaagde]. Nu [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan en [gedaagde] bovendien betwist dat hij een dergelijk vergoeding zou hebben ontvangen, wordt de gevorderde betaling van

€ 851,72 afgewezen.

5.8. [eiseres] heeft de gestelde lening van haar ouders ter hoogte van € 200,00 (ter aanzuivering van het gestelde debetsaldo op de KBC rekening) evenmin deugdelijk onderbouwd. Nu [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap het bestaan van een dergelijke lening betwist, heeft [eiseres] niet aan haar stelplicht voldaan en zal de gevorderde betaling hiervan worden afgewezen. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen het onder 3.2. overwogene.

5.9. Ter zake van de onder punt 3 gevorderde (deel)betaling van diverse rekeningen, verblijfskosten en advocaatkosten - zoals vermeld op pagina 7, punt 8 tot en met punt 10, van de dagvaarding - wordt het volgende overwogen.

5.9.1 [eiseres] stelt dat zij betalingen heeft gedaan (€ 1.765,05), die ten laste van de beide partijen dienen te komen. Zij vordert betaling van de helft van de rekening gemeente-belasting d.d. 13 januari 2009 van € 134,04, de rekening Univé schadepremie gezinsdekking van € 32,89, de rekening reparatie auto ad € 1.477,59 en de rekening brandverzekering woning ad € 120,53 (dagvaarding, pagina 7, punt 8). Van de betaling van die laatste rekening heeft zij een bankafschrift overgelegd.

[gedaagde] betwist primair - bij gebrek aan wetenschap - de gestelde betalingen. Voor zover de betalingen al door [eiseres] zouden zijn gedaan, zijn die betalingen vanuit de gemeenschap gedaan en heeft [eiseres] dienaangaande niets meer van hem te vorderen.

5.9.2. [eiseres] heeft de rekeningen gemeentebelasting, Univé schadepremie gezinsdekking en reparatie auto niet deugdelijk onderbouwd. Mede gelet op het verweer van [gedaagde] is zij ter (voortgezette) comparitie na antwoord gevraagd het gevorderde nader te onderbouwen. [eiseres] heeft bij laatstelijk genomen akte gepersisteerd bij haar eerder ingenomen stelling, zonder deze alsnog te onderbouwen, dan wel alsnog een nader concreet bewijsaanbod te doen. De gevorderde betaling van de helft van € 134,04, € 32,89 en € 1.477,59 wordt dan ook afgewezen.

5.9.3. [eiseres] heeft de gestelde betaling van de brandverzekering onderbouwd. Zij heeft daartoe bij akte van 1 juni 2011 een bankafschrift van 26 februari 2010 overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 18 februari 2010 de genoemde € 120,53 heeft voldaan. De betaling is gedaan na de peildatum, doch nu deze mede ten voordele van [gedaagde] strekt (de brandverzekering betrof immers de gemeenschappelijke woning van partijen) kan [eiseres] [gedaagde] in redelijkheid ertoe houden de helft hiervan aan haar te betalen. Van het gevorderde wordt derhalve toegewezen € 60,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2010 tot de dag van der algehele voldoening.

5.10. [eiseres] vordert (zie 4.1.3.f) betaling van de helft van haar verblijfkosten in de periode van september 2006 tot 18 februari 2008. [eiseres] onderbouwt die kosten van totaal

€ 824,95 met bonnen. Zij stelt dat zij die kosten niet met ‘gemeenschapsgeld’, maar met van haar ouders geleend geld heeft voldaan. Nu haar verblijfskosten ten laste van de huwelijks-goederengemeenschap diende te komen, doch niet vanuit die gemeenschap zijn voldaan, dient, aldus [eiseres], [gedaagde] alsnog hiervan de helft aan haar te betalen.

5.10.1. Van een aantal van de overgelegde bonnen is - onder meer - de datum niet duidelijk leesbaar. Nu [gedaagde] niet heeft weersproken dat al de onder 5.10. gestelde kosten ten laste van de huwelijksgoederengemeenschap diende te komen, gaat de rechtbank ervan uit dat de bonnen, ook de bonnen die niet goed leesbaar zijn, van voor 18 februari 2008 zijn.

[gedaagde] betwist vervolgens dat de desbetreffende aankopen/uitgaven niet met gemeenschapsgeld zouden zijn gedaan.

5.10.2 De rechtbank overweegt dat [eiseres] onvoldoende (nader) heeft onderbouwd dat de desbetreffende aankopen/uitgaven zijn geschied met door haar geleend geld. De door [eiseres] bij akte van 28 maart 2012 overgelegde “Overeenkomst van Geldlening” van 10 januari 2010 (productie F) - wat daar verder inhoudelijk ook van zij - is van jaren na de gedane aankopen/uitgaven, dan wel na de peildatum, en toont niet specifiek aan dat met het kennelijk geleende geld die aankopen/uitgaven zouden zijn gedaan.

Dat er sprake is van een lening van de ouders van [eiseres] welke ten laste van de huwelijksgoederengemeenschap dient te komen, kan bovendien, gelet op het onder 3.2 overwogene, thans niet worden beoordeeld. De gevorderde betaling van € 412,47 wordt dan ook afgewezen.

5.11. Voor wat betreft de onder punt 3 van het petitum gevorderde advocaatkosten overweegt de rechtbank het volgende.

5.11.1. [eiseres] vordert betaling door [gedaagde] van de helft van de door haar gemaakte advocaatkosten, welke kosten haars inziens in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. Het betreft advocaatkosten in respectievelijk haar straf-, arbeids- en echtscheidingszaak. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage van 7 mei 2008 (LJN: BD 5396) benadrukt [eiseres] dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de advocaatkosten geen deel uitmaken van de gemeenschap.

5.11.2. [gedaagde] betwist het bovenstaande en voert aan dat de advocaatkosten buiten de gemeenschap vallen. Nog afgezien van de omstandigheid dat die kosten deels na de peildatum zijn gemaakt, dienen die kosten, gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak, te worden aangemerkt als aan [eiseres] verknochte schulden als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW. [gedaagde] verwijst in dit kader mede naar een uitspraak van het Hof

's-Hertogenbosch van 22 november 2006, RFR 2007, 22.

5.11.3. Bij akte van 28 maart 2012, productie D, heeft [eiseres] facturen van haar voormalig advocaten en een overzicht daarvan overgelegd. Het overzicht vermeld twee facturen die niet zijn overgelegd (de factuur 26215/06/2899 van mr. Aarts-Mulder en de factuur van mr. Cremer). Nu [gedaagde] de omvang van de advocaatkosten niet heeft betwist, zal de rechtbank ook die facturen betrekken in haar beoordeling.

5.11.4. De advocaatkosten van [eiseres] dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden onderverdeeld in drie verschillende categorieën kosten voor rechtsbijstand:

I. [eiseres] heeft blijkens de hierna te noemen facturen, in een jegens haar aanhangige strafzaak, € 13.807,00 aan advocaatkosten gemaakt. Het betreft de factuur van 3 oktober 2006 ad € 2.522,80, de factuur van 28 november 2006 ad € 7.500,00 en de factuur van

9 oktober 2008 ad € 3.784,20. Gelet op de peildatum van 18 februari 2008 wordt aan die laatste factuur voorbij gegaan. De eerste twee facturen ter hoogte van totaal € 10.022,88 vallen, gelet op het bepaalde in artikel 94 lid 2 BW, in beginsel in de huwelijks-gemeenschap. Met [gedaagde] is de rechtbank echter van oordeel dat gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak, inhoudende dat [eiseres] die advocaatkosten heeft gemaakt in verband met de strafrechtelijke vervolging inzake de doodslag op [kind], waarbij is komen vast te staan dat zij het dochtertje van partijen heeft gedood en door welk feit zij een onomkeerbare inbreuk op het gezinsleven van [gedaagde] heeft gemaakt, onderhavige advocaatkosten een bijzondere aan haar verknochte schuld betreft, die niet in de huwelijks-goederengemeenschap valt. De gevorderde betaling van de helft ervan wordt dan ook afwezen.

II. De tweede categorie advocaatkosten betreffen - samengevat - de arbeidszaak van [eiseres]. Blijkens de facturen is rechtsbijstand verleend inzake gesprekken met werkgever, UWV en arbodienst. De facturen dateren van 2006 en betreffen gelet op het bepaalde in artikel 1:94 lid 2 de huwelijksgoederengemeenschap. Gebleken noch aannemelijk is gemaakt dat deze kosten van rechtsbijstand naar de aard ervan, dan wel gelet op maatschappelijke normen, dienen te worden aangemerkt als aan [eiseres] verknochte schulden. De € 3.230,36 aan rechtsbijstand dient dan ook (alsnog) bij helfte (€ 1.615,18) door [gedaagde] te worden gedragen. De gevorderde betaling hiervan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, wordt toegewezen.

III. Betreffende de gevorderde betaling van de advocaatkosten in de echtscheidingszaak wordt als volgt overwogen. Het gaat om kosten die zijn gemaakt door [eiseres] in het kader van een persoonlijke belangenbehartiging in een echtscheiding, die ten doel heeft de rechten en plichten van [eiseres] tegenover [gedaagde] veilig te stellen, en betreffen derhalve geen kosten die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone huishouding. De gevorderde betaling van de helft van de onderhavige advocaatkosten wordt afgewezen.

5.12. In punt 4 van het petitum van de dagvaarding vordert [eiseres] dat aan partijen

- zonder verrekening - wordt toebedeeld, hun persoonlijke eigendommen en inboedelzaken. De goederen op de lijsten (productie 4 en 5 bij dagvaarding) kunnen worden onderverdeeld in 1) klederen en lijfspullen, 2) sieraden, 3) inboedel woning, 4) voertuigen en 5) spulletjes en spaargeld van [kind]. Het onder 5) genoemde betreft de nalatenschap van [kind], waarop hierna, onder 5.13 zal worden ingegaan.

1) klederen en lijfspullen

5.12.1. [gedaagde] heeft niet weersproken dat de door [eiseres] opgesomde goederen er waren. De omvang van de lijsten 4 en 5 staat niet ter discussie. Evenmin heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen toedeling van de kleren en kleinodiën zonder verrekening.

5.12.2. Hier staat tegenover dat [gedaagde] betwist dat hij de persoonlijke spullen van [eiseres] nog in zijn bezit heeft. Hij voert daartoe aan dat [eiseres] een belangrijk deel van haar spullen (in september 2006) heeft meegenomen en dat hij de resterende spullen van [eiseres] naar het stort heeft gebracht. De weggegooide spullen vertegenwoordigden zijns inziens geen grote geldswaarde.

5.12.3. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat in september 2006, bij het verlaten van de woning of kort daarna, [eiseres] niet al haar spullen heeft meegenomen. Op grond van de bovenstaande stelling van [gedaagde] staat bovendien vast dat [eiseres] niet al haar spullen heeft meegenomen. Gelet op de wederzijdse, niet concreet onderbouwde, stellingen van partijen kan niet worden vastgesteld welke spullen [eiseres] heeft achtergelaten in de woning en welke zij heeft meegenomen. [eiseres] heeft daartoe geen specifiek bewijs aanbod gedaan. Gelet hierop, alsmede nu [gedaagde] kennelijk de achtergebleven spullen van [eiseres] naar het stort heeft gebracht, is de primair onder punt 4 in het petitum van de dagvaarding gevorderde toedeling en de daartoe gevorderde dwangsom onder punt 6 niet toewijsbaar.

5.12.4. De onder punt 7 subsidiair gevorderde vergoeding kan wel worden toegewezen, nu vast staat dat [gedaagde] spullen van [eiseres] zonder haar toestemming naar het stort heeft gebracht (uitgezonderd de juwelen, waarover hierna meer). De waarde van de kleding en lijfspullen die naar het stort zijn gebracht, wordt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gewaardeerd op nihil. De rechtbank kan immers niet vaststellen welke goederen zijn weggegooid en wat de dagwaarde van die spullen was op het moment van weggooien.

2) sieraden

5.12.5. Betreffende de gevorderde toedeling van de juwelen overweegt de rechtbank dat [eiseres] de stelling dat [gedaagde] haar juwelen heeft, niet heeft onderbouwd en dat zij evenmin een daartoe specifiek bewijsaanbod gedaan. [gedaagde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat [eiseres] een groot deel van haar persoonlijke spullen heeft meegenomen en dat voor zover zij die niet zou hebben meegenomen [gedaagde] de spullen naar het stort heeft gebracht. Alhoewel de rechtbank zich in redelijkheid niet kan voorstellen dat ook de sieraden naar het stort zijn gebracht, kan zij, zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen, op grond van de wederzijdse stellingen van partijen niet vast te stellen of de juwelen reeds in het bezit van [eiseres] zijn, noch kan de rechtbank vaststellen of deze laatstelijk in het bezit van [gedaagde] waren. Partijen hebben niets gesteld op grond waarvan de rechtbank op enigerlei wijze kan vaststellen bij wie op de peildatum juwelen in het bezit waren. Nu de rechtbank niet kan vaststellen of, en zo ja, welke sieraden onder berusting van [gedaagde] zijn, wordt die vordering afgewezen.

5.12.6. De rechtbank komt gelet op het vorenoverwogene evenmin toe aan een schatting van de waarde per 18 februari 2008 van de juwelen, zodat de onder punt 7 in het petitum van de dagvaarding gevorderde vergoeding wordt afgewezen.

3) inboedel woning

5.12.7. Terzake van de gevorderde verdeling van de inboedel kan, op grond van de wederzijdse stellingen van partijen, niet worden vastgesteld welke spullen [eiseres] heeft meegenomen, welke spullen in het bezit van [gedaagde] zijn/waren, welke spullen zijn weggegooid en wat de dagwaarde van al die spullen op de peildatum was. Zoals hiervoor is overwogen is in ieder geval aannemelijk dat [eiseres] (in september 2006) niet alle spullen heeft meegenomen. Op grond van de stellingen van [gedaagde] staat bovendien vast dat zij niet alle spullen heeft meegenomen. [gedaagde] heeft kennelijk een deel van de spullen naar het stort heeft gebracht, zodat in ieder geval vast staat dat hij spullen van [eiseres] en gemeenschappelijke spullen die voor de helft van [eiseres] waren, verloren heeft doen gaan. Dit ondanks dat [eiseres] daartoe geen toestemming heeft gegeven en zij recht had op toedeling van de helft van die spullen.

5.12.8. De primair onder punt 4 in het petitum van de dagvaarding gevorderde toedeling en de onder punt 6 gevorderde dwangsom zijn gelet op het vorenoverwogene niet toewijsbaar.

5.12.9. Nu de rechtbank niet kan vaststellen welke spullen zijn weggegooid en wat de dagwaarde ervan was, zal de rechtbank (met uitzondering van de spullen van [kind] die geacht worden in haar nalatenschap te vallen) hieraan ex aequo et bono een waarde toedichten van € 6.000,00. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is, dat inboedel op de tweedehands markt slechts een beperkte waarde heeft. Dit bedrag dient gelijkelijk over partijen te worden verdeeld en [gedaagde] (die de spullen kennelijk heeft weggegooid) dient aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.12.10. Voor wat betreft de inboedelgoederen die partijen reeds in hun bezit hebben overweegt de rechtbank dat nu partijen over en weer niet (nader) hebben onderbouwd welke spullen dat zijn, zij dienaangaande worden geacht in redelijkheid niets meer van elkaar te hebben te vorderen.

4) voertuigen

5.12.10. Tussen partijen staat vast dat de Volkswagenbus, de Suzuki motor en de aanhangwagen in de voormalige huwelijksgoederengemeenschap vallen en dat deze voertuigen, respectievelijk de waarde ervan op de peildatum, aan ieder voor de helft toekomt. Betreffende de Ford Ka staat dit niet vast. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ford Ka:

[eiseres] stelt dat de auto niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Zij stelt dat de Ford Ka met kenteken RS-DR-67 van haar moeder was en dat die auto door haar moeder in 2003 is ingeruild voor een Ford Ka met kenteken XF-PD-83. [eiseres] heeft de auto’s van haar moeder in bruikleen gehad. De laatste Ford Ka is verkocht voor € 1.500,00. Hiervan heeft [eiseres] geen schriftelijk bewijs meer.

[gedaagde] betwist het bovenstaande en stelt dat de Ford Ka op zijn naam stond, zodat die auto deel uitmaakte van de huwelijksgoederengemeenschap. Hij verwijst daartoe naar het door hem overgelegde motorrijtuigverzekeringsbewijs van 1 april 2006 (productie 1 bij antwoordakte van 28 maart 2012). De Ford Ka is op zijn naam gezet met kenteken

TTA 273.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres], gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde], onvoldoende onderbouwd - er is enkel haar verklaring voorhanden - dat de Ford Ka van haar moeder was. Aannemelijk is gemaakt dat de Ford Ka eigendom was van [gedaagde] en dat de auto op de peildatum tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. Nu de Ford Ka na de peildatum door, dan wel namens [eiseres] is verkocht hebben partijen ieder recht op toedeling van de helft van de waarde ervan. Daarbij is niet doorslaggevend dat de auto is verkocht voor € 1.500,00, maar wat de waarde ervan was op de peildatum, op

18 februari 2008.

Gelet op de processtukken had de Ford Ka kennelijk het kenteken XF-PD-83, alvorens deze op de naam van [gedaagde] is gezet en kenteken TTA 273 kreeg. Gelet op de ouderdom van de Ford Ka (de auto is van eind 1998) - af te lijden uit het Nederlands kenteken XF-PD-83 en de daarbij behorende voertuiggegevens - is de rechtbank van oordeel dat een waarde van die auto op 18 februari 2008 ter hoogte van € 1.500,00 haar niet onredelijk voorkomt, zodat zij de waarde van de Ford Ka op dit bedrag vaststelt. Nu [eiseres] de Ford Ka, die in de huwelijksgoederengemeenschap viel, heeft verkocht, respectievelijk heeft doen verkopen, dient zij aan [gedaagde] te betalen € 750,00. Dit bedrag zal hierna worden verrekend met het door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag.

Volkswagenbus:

[eiseres] stelt dat de waarde van de Volkswagenbus op de peildatum € 15.850,00 was. Zij verwijst daartoe naar de door haar overgelegde factuur van 21 augustus 2003 (akte van [eiseres] van 1 juni 2011, bijlage 2a). De Volkswagenbus met kenteken 10-VZ-SZ is op die datum gekocht voor voornoemd bedrag.

[gedaagde] betwist dat de Volkswagenbus op de peildatum nog zoveel waard was. Hij stelt bij akte van 28 maart 2012 dat hij de Volkswagenbus voor € 2.000,00 heeft moeten verkopen. Nu de Volkswagenbus in de huwelijksgoederengemeenschap viel, dient zijns inziens het bedrag van € 2.000,00 gelijkelijk over partijen te worden verdeeld, hetgeen zijns inziens inhoudt dat hij nog € 1.000,00 aan [eiseres] moet betalen.

De door [eiseres] gestelde waarde van de Volkswagenbus komt de rechtbank niet redelijk voor, nu zij die waarde onderbouwd met een factuur betreffende de aankoop van de Volkswagenbus in 2003. Op de peildatum was de bus viereneenhalf jaar ouder en was de waarde ervan gedaald. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] de Volkswagenbus in 2012 kennelijk heeft moeten verkopen voor € 2.000,00 zegt evenmin iets over de dagwaarde van de Volkswagenbus op de peildatum.

De rechtbank komt, gelet op het door [eiseres] onderbouwde aankoopbedrag en de ouderdom van de Volkswagenbus op de peildatum (de bus is van eind 2001), de door [gedaagde] bij akte van 18 mei 2011 (zie bijlage bij die akte) gestelde waarde van de Volkswagenbus op de peildatum van € 5.500,00 exclusief BTW (€ 6.545,00) redelijk voor. Nu [gedaagde] zonder toestemming van [eiseres] de Volkswagenbus, die in de huwelijksgoederengemeenschap viel, heeft verkocht dient hij alsnog de helft van de waarde van de Volkswagenbus op de peildatum aan haar te voldoen.

Het door [eiseres] gevorderde is gelet op al het bovenstaande toewijsbaar tot een bedrag van

€ 3.272,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Suzuki motor:

De Suzuki motor valt in de huwelijksgoederengemeenschap. Blijkens de laatstelijk door partijen genomen aktes zijn partijen het er over eens dat de waarde van die motor € 600,00 bedraagt en dat [gedaagde] de motor in zijn bezit heeft. Gelet hierop dient [gedaagde] de helft van voornoemd bedrag (€ 300,00), te vermeerderen met de wettelijke rente, aan [eiseres] te voldoen.

Aanhangwagen:

[eiseres] stelt dat de aanhangwagen nieuw was bij aanschaf en dat de waarde van de aanhangwagen op de peildatum € 495,00 was. Zij stelt dat, nu [gedaagde] de aanhangwagen in zijn bezit heeft, zij recht heeft op de helft van dit bedrag.

[gedaagde] stelt dat de aanhangwagen tweedehands is gekocht en dat de waarde € 250,00 is.

Op grond van de - niet onderbouwde - wederzijdse stellingen van partijen kan niet worden vastgesteld of de aanhangwagen bij de aanschaf ervan door partijen nieuw of tweedehands was en of de waarde ervan op de peildatum € 495,00 of € 250,00 was. Er is geen relevant bewijsaanbod door partijen gedaan. Gelet hierop zal de rechtbank de waarde ex aequo et bono vaststellen op € 300,00 en de aanhangwagen toedelen aan de [gedaagde], zodat hij aan [eiseres] dient te voldoen een bedrag van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nalatenschap

5.13. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [kind] een spaarrekening had met een saldo van € 2.294,71 en dat hij dat geld heeft opgenomen. Hij heeft tevens erkend dat [eiseres] en [kind] de woning in september 2006 hebben verlaten met achterlaten van een deel van de kleding en het speelgoed van [kind]. De kleertjes en het speelgoed van [kind] (productie 5 bij dagvaarding) welke door [eiseres] zijn gekocht na het verlaten van de woning en welke zich in november 2009 in de woning te Jülich bevonden, zijn - naar de stelling van [gedaagde] - na de dood van [kind] door de recherche van Aken aan hem overhandigd.

5.13.1. Het spaargeld, het speelgoed en de kleding van [kind] zijn goederen die, nu [kind] op 9 november 2006 is overleden, tot haar nalatenschap behoren. Op grond van

artikel 4:10 lid 1 sub b BW zijn in beginsel de ouders van [kind] ([eiseres] en [gedaagde]) voor gelijke delen in de nalatenschap van Rachel gerechtigd. De nalatenschap van [kind] is na haar overlijden in de huwelijksgoederengemeenschap van [eiseres] en [gedaagde] gevallen, omdat zij in deze ingevolge artikel 4:10 lid 1 sub b BW de enige erfgenamen zijn.

5.13.2. [gedaagde] stelt dat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden aangemerkt als erfgenaam van [kind], nu zij [kind] heeft gedood, respectievelijk dat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gegrond beroep toekomt op toedeling van haar erfdeel.

5.13.3. [eiseres] betwist dat zij geen aanspraak zou kunnen maken op de nalatenschap van [kind]. Het doden van [kind] was een wanhoopsdaad, aan welke daad zij blijkens het vonnis van de meervoudige strafkamer van 2 mei 2007 geen schuld had. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] hiermee mede bedoelt te stellen dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW niet van toepassing is.

Mede gelet op deze uitspraak kan - naar de stelling van [eiseres] - niet worden geoordeeld dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich (alsnog) verzetten tegen toedeling van goederen uit de nalatenschap van [kind] aan [eiseres].

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

5.13.4. In het erfrecht, in artikel 4:3 lid 1 sub b BW, is bepaald dat van rechtswege onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken hij die onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, dan wel wegens een poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf.

5.13.5. Vaststaat dat [kind] is gedood door [eiseres]. Dit feit brengt met zich dat de rechtbank dient te bezien of [eiseres] onwaardig is om uit de nalatenschap van [kind] voordeel te trekken. Indien [eiseres] van rechtswege onwaardig zou om uit de nalatenschap van [kind] voordeel te trekken komen haar immers op grond van de bovenstaande erfrechtelijke bepaling in rechte geen goederen van [kind] toe.

5.13.6. De rechtbank overweegt dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW een opgelegde onherroepelijke straf (of maatregel) eist. Van een dergelijke veroordeling is gelet op het Duitse vonnis van de Meervoudige Strafkamer van 2 mei 2007 ten aanzien van [eiseres] geen sprake. Geoordeeld is immers dat:

“Die Beschuldigte handelte jedoch bei der Tatausführung gemäß § 20 StGB ohne Schuld, weil ihre Fähigkeit, das Unrecht der Tat einzusehen, durch eine floride psychotische Wahnwahrnehmung aufgehoben war. (…)

Gemäß § 63 StGB war die Unterbringung der Beschuldigten in einem psychiatrischen Krankenhaus anzuordnen. (…)”.

Deze aan [eiseres] opgelegde maatregel betreft geen onherroepelijk veroordeling als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW.

5.13.7. Niet zonder meer is duidelijk of de wetgever bij de totstandkoming van (thans) artikel 4:3 lid 1 onder b BW mede in ogenschouw heeft genomen de rechtsgevolgen van het oordeel dat het tenlastegelegde feit weliswaar is bewezen, alsook een strafbaar feit is, maar de verdachte niet strafbaar is nu dit feit is begaan wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens waardoor het feit de verdachte niet kan worden toegerekend. Vervolgens kan artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht worden toegepast. Zo een situatie doet zich thans voor.

Blijkens het “Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie” van 8 december 1997, vastgesteld op 8 december 1997, is - voor zover thans relevant - de ratio van artikel 4:3 lid 1 onder b BW dat deze bepaling eng dient te worden uitgelegd. Uit dit verslag, met name de pagina’s 20 en 21, moet worden afgeleid, dat deze bepaling niet van toepassing is, indien niet aan de gestelde vereisten ervan is voldaan, zelfs indien de toepassing van deze erfrechtelijke bepaling over onwaardigheid om te erven een maatsschappelijk onwenselijke situatie met zich brengt.

5.13.8. Geconcludeerd moet worden dat een dader die bij het begaan van een strafbaar feit, zoals het ombrengen van diens erflater, zozeer lijdende was aan een ziekelijke storing van zijn geestvermogens dat hij niet strafbaar is verklaard, niet onwaardig kan worden geoordeeld. Dit dus zelfs indien de dader door diens handelwijze een zeer zware inbreuk op het recht van leven van de erflater (artikel 2 EVRM) heeft gemaakt.

5.13.9. Gelet op al het vorenoverwogene is [eiseres] niet van rechtswege onwaardig om van [kind] te erven. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat niet is gebleken van andere (wettelijke) aanknopingspunten waardoor [eiseres] anderszins onwaardig zou zijn om van [kind] te erven.

5.13.10. De rechtbank overweegt vervolgens dat de wettelijke verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in boek 1 van het BW geen analoge regeling van artikel 4:3 lid 1 sub b BW kent. Door de Hoge Raad is echter bij uitspraak van 7 december 1990 (NJ 1991, 593) geoordeeld dat indien de onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldende regel van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn daarvan in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken.

De toedracht bij het overlijden van [kind] kan dan ook, voor zover deze de goederen van [kind] betreffen, een rol spelen bij de beoordeling van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van [eiseres] en [gedaagde].

De rechtbank is van oordeel dat de zeer bijzondere omstandigheden in deze zaak, namelijk dat [kind] door haar moeder is gedood, waardoor [gedaagde] zijn dochtertje heeft verloren en [eiseres] [gedaagde] definitief van het gezinsleven met [kind] heeft beroofd, waardoor de voormalige relatie van partijen een wel zeer zware last draagt, maken dat hoewel [eiseres] niet onwaardig is om te erven van [kind], de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat [eiseres] ten aanzien van [gedaagde] aanspraak maakt op haar erfdeel in het kader van de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Van onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW jo. artikel 3:166 lid 3 BW jo.

artikel 6:2 BW geldende regel van verdeling bij helfte dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te worden afgeweken.

5.13.11. Gelet op al het vorenoverwogene komt [eiseres] in redelijkheid geen aanspraak toe op toedeling van de goederen van [kind] die [gedaagde] laatstelijk (op de peildatum) in zijn bezit had. De gevorderde toedeling van goederen van [kind] wordt derhalve afgewezen. Aan de waardering van de waarde van die goederen komt de rechtbank niet meer toe.

Urn

5.14. Vast staat dat [gedaagde] de urn met de as van [kind] laatstelijk in zijn bezit had.

5.14.1. [gedaagde] heeft ter comparitie na antwoord, gehouden op 8 februari 2011, te kennen gegeven dat hij de as in 2009 heeft uitgestrooid bij een grote boom en dat hij de urn heeft weggegooid. De plaats waar de as is verstrooid heeft hij gemarkeerd. Hij heeft de naam van [kind] in de boom gekerfd en een gedenkplek ingericht. [gedaagde] heeft na de comparitie een map met gedetailleerde informatie over de plek waar hij de as heeft uitgestrooid, die zich op loopafstand van de voormalig echtelijke woning van partijen bevindt, aan [eiseres] doen toekomen (antwoord-akte van 18 mei 2011 onder punt 3).

5.14.2. [eiseres] heeft bij brief van de raadsman van [gedaagde] van 21 februari 2011 de genoemde informatie (plattegrond en foto’s) ontvangen. Zij heeft die informatie in het geding gebracht bij akte van 1 juni 2011.

Blijkens de akte van [eiseres] van 28 maart 2012, punt 9, heeft [eiseres] de plek waar de as van [kind] zou zijn uitgestrooid bezocht. [eiseres] kan niet geloven dat de as daar daadwerkelijk door [gedaagde] is uitgestrooid. Zij stelt geen gedenkteken bij de bewuste boom te hebben aangetroffen. [eiseres] heeft slechts een bruin kettinkje zien hangen op de betreffende plek. [eiseres] handhaaft dan ook punt 8 van het petitum van de dagvaarding, inhoudende dat de rechtbank [gedaagde] gelast, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de urn met de as van [kind] terug te brengen naar het crematorium te Heerlen.

5.14.3. [gedaagde] heeft bij de laatstelijk door hem genomen akte van 28 maart 2012, punt 9, benadrukt dat hij de as op de door hem aangegeven plek heeft uitgestrooid. Bij de gedenkplek ligt een verweerde, voor [eiseres] herkenbare vaas en zijn een rozenkrans en lintjes aanwezig. De naam van [kind] is in de boom gekerfd.

5.14.4. Gelet op de gedetailleerde verklaring van [gedaagde], onderbouwd met een plattegrond en foto’s, alsmede nu [eiseres] bij de door [gedaagde] aangegeven boom een gedenkteken, hoe summier wellicht ook, heeft aangetroffen, houdt de rechtbank het er in rechte voor dat de as van [kind] aldaar is uitgestrooid. De vordering van [eiseres] om

- samengevat - [gedaagde] te gelasten de urn met de as van [kind] terug te brengen naar het crematorium te Heerlen, wordt gelet hierop afgewezen.

Dit neemt niet weg dat de handelwijze van [gedaagde], het wegnemen van de urn en het verstrooien van de as zonder toestemming van [eiseres], zonder meer wederrechtelijk is geweest.

Algemeen

5.15. Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 29.172,95

(€ 4.750,00 + € 16.775,00 + € 60,27 + € 1.615,18 + € 3.000,00 + € 3.272,50 + € 300,00 +

€ 150,00 - € 750,00), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 3 mei 2010 tot de dag van volledige betaling,

6.2. bepaalt terzake van de (voormalige) woning van partijen aan de Auf der Heide 7 te [woonplaats], dat indien bij de verkoop ervan sprake was van een overwaarde deze gelijkelijk over de partijen dient te worden verdeeld, respectievelijk dat indien sprake was van een onderwaarde, de restschuld door ieder van partijen bij helfte moet worden gedragen,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken op

26 september 2012.

CM