Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX8691

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
03/810281-11 en 03/810096-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Aan verdachte is ten laste gelegd het onttrekken van twee minderjarige kinderen aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag uitoefent, door de kinderen niet aan hun vader over te dragen.

De rechtbank is van oordeel dat het naleven van een omgangsregeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever in beginsel dient te worden gehandhaafd door middel van maatregelen van civielrechtelijke aard. Maatregelen van strafrechtelijke aard zijn niet voorgesteld. Ook een aparte strafbaarstelling - naast de civielrechtelijke dwangmaatregelen - van een ouder die medewerking aan een omgangstregling weigert is door de wetgever vooralsnog niet overwogen. Het Wetboek van Strafrecht kent daartoe immers geen specifieke strafbepaling.

In de onderhavige zaak zijn door de civiele rechter tot op heden geen dwangmaatregelen als hiervoren bedoeld opgelegd ter verzekering van nakoming van de omgangsregeling door verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafrecht en met name artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht niet bedoeld is voor een situatie als de onderhavige. Er is geen plaats voor strafrechtelijke handhaving waar nog civielrechtelijke mogelijkheden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/244
EB 2013/52.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/810281-11 en 03/810096-12 (ter terechtzitting d.d. 11 juli 2012 gevoegd)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 september 2012

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren [geboortedatum en geboorteplaats],

wonende te [adresgegevens].

Raadsvrouw is mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

De zaken met bovengenoemde parketnummers werden op 11 juli 2012 door de politierechter in deze rechtbank gevoegd en verwezen naar de meervoudige strafkamer.

Vervolgens is de zaak op de zitting van 26 september 2012 behandeld, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie kenbaar hebben gemaakt.

Eveneens is ter terechtzitting verschenen de benadeelde partij [Naam benadeelde partij].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 03/810281-11:

de minderjarigen [naam minderjarig kind 1]en [naam minderjarig kind 2]heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag uitoefent, door de kinderen niet aan hun vader over te dragen;

parketnummer 03/810096-12

feit 1:

de minderjarige [naam minderjarig kind 1]heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag uitoefent, door dat kind niet aan de vader over te dragen;

feit 2:

de minderjarige [naam minderjarig kind 2]heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag uitoefent, door dat kind niet aan de vader over te dragen.

3 De voorvragen

3.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert een preliminair verweer. Hierin pleit zij ervoor om de officier van justitie in zijn vervolging niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe brengt ze twee punten naar voren, te weten:

1. Er is sprake van een civiele kwestie, waarbij aangever [Naam benadeelde partij] civielrechtelijke wegen had moeten bewandelen, als hij van mening was dat verdachte de omgangsregeling niet nakwam.

2. Het niet naleven van een omgangsregeling valt niet onder de delictsomschrijving van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij wordt verwezen naar een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 29 september 2009, LJN BK9072.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat de wetgever duidelijk heeft gemaakt dat er in zaken als deze geen plaats is voor strafrechtelijke handhaving, waar civielrechtelijk nog mogelijkheden zijn.

Om die reden vordert de officier van justitie hem in zijn vervolging niet-ontvankelijk te verklaren.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

In deze zaak heeft aangever [Naam benadeelde partij] meermalen aangifte gedaan tegen verdachte, zijn ex-partner, ter zake van onttrekking aan het wettelijk gezag van hun minderjarige kinderen [naam minderjarig kind 1]en [naam minderjarig kind 2]. Beide ouders hebben het gezag over de kinderen. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij verdachte, hun moeder. Daarnaast bestaat er een omgangsregeling, inhoudende dat [Naam benadeelde partij] de kinderen iedere zondagochtend ophaalt, waarna de kinderen tot 18:00 uur bij hem verblijven. Verdachte zou meermalen de kinderen niet conform deze omgangsregeling aan [Naam benadeelde partij] hebben overgedragen.

In het kader van de totstandkoming van de Wet bevordering ouderschap en zorgvuldige scheiding heeft de Minister van Justitie in een brief d.d. 4 december 2002 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal onder het kopje “Strafbaarstelling van het niet nakomen van een omgangsregeling” opgenomen:

“Ten aanzien van de aanbeveling een strafbepaling in de wet op te nemen sluit ik mij aan bij het door mijn voorganger ingenomen standpunt hiervan af te zien, onder meer omdat hiermee een handhavingsverplichting wordt geschapen, die onvoldoende toegevoegde waarde heeft ten opzichte van het middel van (civielrechtelijke) lijfsdwang (art. 585 Rv). We beschikken zoals eerder vermeld al over een uitgebreid scala aan civielrechtelijke dwangmiddelen. Ik wil bovendien benadrukken dat ik het strafrecht beschouw als een ultimum remedium en geen geëigend middel acht om deze problematiek op te lossen”

In de Memorie van Antwoord gericht aan de leden van de Eerste Kamer worden als civielrechtelijke dwangmiddelen, die kunnen worden opgelegd, genoemd dwangsom en lijfsdwang. Voorts wordt gewezen op de mogelijkheid dat de rechter op verzoek van een der partijen in de beschikking een afgiftebevel eventueel met behulp van de sterke arm kan opnemen. Een effectief middel lijkt voorts het (voorlopig) toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft. Ook bestaat de mogelijkheid het kind onder toezicht te laten stellen. Ten slotte wordt gewezen op de mogelijkheid een bijzonder curator te benoemen die het kind in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het naleven van een omgangsregeling naar de kennelijke bedoeling van de wetgever in beginsel dient te worden gehandhaafd door middel van genoemde maatregelen van civielrechtelijke aard. Maatregelen van strafrechtelijke aard zijn niet voorgesteld. Ook een aparte strafbaarstelling – naast de civielrechtelijke dwangmaatregelen – van een ouder die medewerking aan een omgangsregeling weigert is door de wetgever vooralsnog niet overwogen. Het Wetboek van Strafrecht kent daartoe immers geen specifieke strafbepaling.

In de onderhavige zaak zijn door de civiele rechter tot op heden geen dwangmaatregelen als hiervoren bedoeld opgelegd ter verzekering van nakoming van de omgangsregeling door verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafrecht en met name artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht niet bedoeld is voor een situatie als de onderhavige. Er is geen plaats voor strafrechtelijke handhaving waar nog civielrechtelijke mogelijkheden zijn.

De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Naam benadeelde partij] heeft twee voegingsformulieren ingediend. Hij vordert een schadevergoeding van in totaal € 14.092,91.

Nu aan de verdachte niet enige straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, zal de benadeelde partij in de vorderingen op grond van artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank:

Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

- bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Hazen, voorzitter, mr. I.T. Dautzenberg en mr. I. Becker-Hartenhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 september 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

parketnummer 03/810281-11

zij in of omstreeks de periode 29 mei 2011 tot en met 11 september 2011, in de gemeente [woonplaats], althans in Nederland, en/of [buitenland], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk de minderjarige(n), te weten [naam minderjarig kind 1]([geboortedatum]) en [naam minderjarig kind 2]([geboortedatum]), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefent, terwijl die minderjarige(n) ten tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar oud zijn/is, immers heeft verdachte daar toen (telkens) die/dat kind(eren) niet aan [Naam benadeelde partij] (vader van voornoemd<e> kind<eren>) overgedragen;

parketnummer 03/810096-12

feit 1

zij in of omstreeks in het tijdvak van 5 februari 2012 tot en met 26 februari 2012, in de gemeente [woonplaats], althans in Nederland, en/of [buitenland], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk de minderjarige, te weten [naam minderjarig kind 1]([geboortedatum]), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefent, terwijl die minderjarige(n) ten tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar oud zijn/is, immers heeft verdachte daar toen (telkens) dat kind niet aan [Naam benadeelde partij] (vader van voornoemd kind) overgedragen;

feit 2

zij in of omstreeks in het tijdvak van 11 december 2011 tot en met 26 februari 2012, in de gemeente [woonplaats], althans in Nederland, en/of [buitenland], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk de minderjarige(n), te weten [naam minderjarig kind 2]([geboortedatum]), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige(n) gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefent, terwijl die minderjarige(n) ten tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar oud zijn/is, immers heeft verdachte daar toen (telkens) dat kind niet aan [Naam benadeelde partij] (vader van voornoemd kind) overgedragen.