Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX7918

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
03/700416-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de opzettelijke invoer van ongeveer 1 kilogram cocaïne door twee vanuit Brazilië verzonden postpakketten met daarin cocaïne op zijn adres en het adres van zijn vriendin te laten bezorgen. Naar het oordeel van de rechtbank waren de pakketten bestemd voor verdachte en had hij ook wetenschap van de inhoud van deze pakketten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. Hij heeft diverse stoffen in zijn woning voorhanden gehad die bedoeld waren voor de bereiding, verwerking en/of bewerking van cocaïne. De rechtbank heeft aan verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700416-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of anderen twee postpakketten met cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, dan wel opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad

Feit 2: voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het bewerken en/of verhandelen van cocaïne.

Feit 3: een hoeveelheid geld (€ 2.400,-) heeft witgewassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dat beide postpakketten met cocaïne waren bestemd voor verdachte. Door deze pakketten op zijn eigen adres en het adres van zijn vriendin te laten bezorgen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne.

Voorts zijn in de woning van verdachte chemische stoffen aangetroffen die gebruikt kunnen worden voor het bereiden, verwerken of bewerken van cocaïne. Dat deze stoffen ook daadwerkelijk hiervoor bedoeld waren, blijkt volgens de officier van justitie enerzijds uit het feit dat er pakketten met cocaïne naar verdachte werden gestuurd en anderzijds uit het feit dat in een van de aangetroffen stoffen een geringe hoeveelheid cocaïne zat.

De officier van justitie acht het onder 3 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem tenlastegelegde feiten.

Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat noch uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het verzenden van de twee postpakketten waarin de cocaïne werd aangetroffen. Verdachte kan daarom niet worden aangemerkt als medepleger van de invoer van de cocaïne. Daarbij komt dat hij geen wetenschap had van het feit dat in de twee pakketten verdovende middelen zaten.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de verdovende middelen zich nooit in de machtssfeer van verdachte hebben bevonden, zodat niet gezegd kan worden dat hij deze opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarbij komt dat ook ten aanzien van dit feit geen bewijs aanwezig is dat verdachte wist dat in de pakketten cocaïne zat.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de in tenlastelegging genoemde stoffen bedoeld waren voor het bereiden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne. Verdachte ontkent dat hij de stoffen met dat doel in zijn bezit had.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen enkel bewijs bevat waaruit blijkt dat het bij verdachte in beslag genomen geld (€ 2.400,-) van misdrijf afkomstig was. Het enkel voorhanden hebben van een groot contant geldbedrag is hiervoor in ieder geval onvoldoende. Daarbij komt dat verdachte geen enkele handeling heeft verricht die heeft bijgedragen tot het verhullen of verbergen van het bij hem in beslag genomen geld, zodat van witwassen geen sprake is.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en 2

Op 8 mei 2012 meldde de Liaison Officier IRC aan de regiopolitie Limburg-Zuid dat de Drug Enforcement Administration (DEA) in Memphis (Verenigde Staten) twee postpakketten had onderschept, waarin cocaïne zat verstopt. De pakketten waren op

2 mei 2012 verzonden vanuit Sao Paulo (Brazilië) en geadresseerd aan:

- [naam persoon], [adresgegevens verdachte], en;

- [naam vriendin verdachte], [adresgegevens vriendin verdachte].

Volgens de Gemeentelijke Basis Adminstratie stond op het adres [adresgegevens verdachte] te Maastricht ingeschreven: [naam verdachte] (hierna: verdachte). Op het adres [adresgegevens vriendin verdachte] te Maastricht stond ingeschreven: [naam vriendin verdachte] (hierna: [naam vriendin verdachte]).

Na overleg met de officier van justitie werd besloten dat beide postpakketten gecontroleerd zouden worden afgeleverd bij de geadresseerden. Met de autoriteiten in de Verenigde Staten werd vervolgens afgesproken dat de door de DEA onderschepte pakketten op normale wijze, gecontroleerd per vliegtuig naar het vliegveld in Schiphol zouden worden vervoerd.

Op 10 mei 2012 ontving de Nederlandse politie op het vliegveld Schiphol uit handen van een officier van de DEA de twee postpakketten. Beide pakketten werden in beslag genomen en onderzocht. In het postpakket dat was bestemd voor het adres [adresgegevens vriendin verdachte] zat in totaal ongeveer 493,3 gram cocaïne. In het postpakket dat was bestemd voor het adres [adresgegevens verdachte] zat in totaal ongeveer 506,6 gram cocaïne.

Op 11 mei 2012 werden de postpakketten, door politieagenten in burger, gecontroleerd afgeleverd bij de geadresseerden. Het pakket dat was geadresseerd aan het adres [adresgegevens verdachte] werd in ontvangst genomen door verdachte, die vervolgens direct werd aangehouden.

Tijdens de daaropvolgende doorzoeking in de woning van verdachte werden in de kelder van de woning drie plastic zakjes met wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. De zakjes wogen respectievelijk 104,9 gram, 103,2 gram en 15,23 gram.

Uit nader onderzoek door het NFI bleek dat de 15,23 gram wit poeder voornamelijk lactose bevatte, maar ook circa 2% cocaïne. De andere twee hoeveelheden poeder werden positief getest op de aanwezigheid van fenacetine. Uit de toelichting in het onderzoeksrapport blijkt dat zowel lactose als fenacetine kan worden gebruikt als versnijdingmiddel voor cocaïne.

Het pakket dat was bestemd voor het adres [adresgegevens vriendin verdachte] werd in ontvangst genomen door [naam vriendin verdachte], die daarna eveneens direct werd aangehouden.

[naam vriendin verdachte] verklaarde tegenover de politie dat zij bevriend was met verdachte en dat verdachte haar de dag vóór haar aanhouding had verteld dat een voor hem bestemd postpakket op haar adres zou worden bezorgd. Hij had haar vervolgens gevraagd of zij dit pakket voor hem in ontvangst wilde nemen. [naam vriendin verdachte] had daarmee ingestemd, maar wist naar eigen zeggen niet dat er cocaïne in het pakket zat.

Uit het dossier blijkt voorts nog dat op 27 april 2011 door de douane op vliegveld Schiphol een postpakket was onderschept met daarin een hoeveelheid op heroïne gelijkende stof. Het pakket was afkomstig uit India en geadresseerd aan het adres: [adresgegevens verdachte]. Ook op 24 oktober 2011 was door de douane op Schiphol een pakket onderschept met daarin 100 gram van een op cocaïne gelijkende stof. Dit postpakket was afkomstig uit Panama en eveneens geadresseerd aan het adres: [adresgegevens verdachte]. De afzender betrof ene [naam afzender]. Tot slot bleek dat op 23 mei 2012 nogmaals was getracht een postpakket uit Brazilië te bezorgen op het adres van [naam vriendin verdachte]. Zij had dit pakket echter niet in ontvangst genomen. Uit nader onderzoek door de politie bleek dat ook in dit pakket verdovende middelen zaten.

Uit het hiervoor vermelde is gebleken dat vanuit Brazilië een postpakket met cocaïne is verstuurd naar het adres van verdachte. Een soortgelijk pakket met cocaïne is verstuurd naar het adres van de (toenmalige) vriendin van verdachte genaamd [naam vriendin verdachte]. Beide pakketten zijn daadwerkelijk in Nederland gearriveerd en te Maastricht aan verdachte en [naam vriendin verdachte] aangeboden, zodat vast staat dat sprake is van invoer van cocaïne in Nederland. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of verdachte als medepleger van deze invoer kan worden aangemerkt.

De rechtbank merkt allereerst op dat de invoer van verdovende middelen via postpakketten alleen mogelijk is indien de afzender over een adres beschikt waarnaar de pakketten kunnen worden verzonden. Anders dan de raadsman heeft gesteld levert het hiertoe ter beschikking stellen van een adres naar het oordeel van de rechtbank ‘medeplegen’ op van de invoer van verdovende middelen. Immers, degene die zijn adres ter beschikking stelt, levert daarmee een voldoende significante bijdrage aan de verwezenlijking van het delict, zodat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medepleger(s).

De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat een persoon genaamd [naam persoon], door verdachte ook wel [naam persoon] genoemd, hem had gevraagd of hij vanuit Brazilië een postpakket kon laten bezorgen op het adres van verdachte. Verdachte heeft dit goed gevonden en heeft deze [naam persoon] zijn eigen adres gegeven en het adres van zijn vriendin ([naam vriendin verdachte]). De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan het binnen Nederland (laten) brengen van de pakketten. Rest de vraag of verdachte ook wetenschap had van de inhoud van de beide pakketten.

Verdachte heeft ter zitting verklaard hier niet van op de hoogte te zijn geweest. De rechtbank vindt dat echter ongeloofwaardig. Op de vraag van de rechtbank waarom “[naam persoon]” de pakketten niet gewoon op zijn eigen adres liet komen, heeft verdachte verklaard dat [naam persoon] in Spanje woonde. Bovendien waren de pakketten niet voor [naam persoon], maar voor diens broer, bestemd die wel in Nederland woonde, maar hier geen adres had.

De verklaring van verdachte strookt niet met de verklaring van [naam vriendin verdachte], inhoudende dat het door haar in ontvangst genomen postpakket was bestemd voor verdachte. Daarnaast acht de rechtbank het onaannemelijk en bovendien onbegrijpelijk dat een persoon die woonachtig is in Spanje, vanuit Brazilië twee postpakketten verstuurt (laat versturen) naar twee afzonderlijke adressen in Nederland, terwijl deze pakketten niet eens voor hem zijn bestemd, te meer omdat verdachte tevens heeft verklaard dat [naam persoon] in Nederland was om de pakketten zelf in ontvangst te nemen. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat beide postpakketten met daarin cocaïne waren bestemd voor verdachte. Daarbij betrekt de rechtbank bovendien in haar overwegingen dat eerder pakketten met verdovende middelen aan verdachtes adres zijn gestuurd en ook nadien nog aan het adres van [naam vriendin verdachte]. Nu uit het dossier voorts blijkt dat in de woning van verdachte stoffen zijn aangetroffen die gebruikt worden voor de bewerking van cocaïne, acht de rechtbank wettig bewezen dat verdachte wetenschap had van het feit dat cocaïne in de aan hem en [naam vriendin verdachte] geadresseerde pakketten zat.

De rechtbank komt, gelet op vorenstaande, tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich tezamen met een ander/anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van – circa 1 kg – cocaïne en dat hij opzettelijk stoffen aanwezig heeft gehad die waren bestemd voor het bereiden, bewerken of verwerken van cocaïne.

Feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

De raadsman heeft – behoudens de hiervoor onder 3.2 weergegeven standpunten – tevens naar voren gebracht dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd tijdens de eerste twee verhoren bij de politie niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om voor aanvang van deze verhoren een advocaat te consulteren. Volgens de raadsman is aldus gehandeld in strijd met de geldende Salduz-jurisprudentie.

Nu de rechtbank de genoemde verklaringen van verdachte niet heeft gebezigd voor het bewijs, komt zij aan de bespreking van het Salduz-verweer niet toe.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 2 mei 2012 tot en met 11 mei 2012 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 493,3 gram cocaïne en ongeveer 506,6 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 11 mei 2012 in de gemeente Maastricht om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken of verwerken van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,

- ongeveer 104,9 gram fenacetine, en

- ongeveer 103,2 gram fenacetine, en

- ongeveer 14,23 gram van een materiaal (grotendeels) bevattende lactose (en circa 2% cocaïne)

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat die stoffen bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 2:

een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, uitgaande van de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en gelet op hetgeen volgens hem bewezen kan worden verklaard, verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan drie maanden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de door de officier van justitie gevorderde straf, gelet op het blanco strafblad van verdachte, te matigen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het bijzonder het volgende in overweging genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander of anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van circa 1 kilogram cocaïne en het verrichten van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. Verdachte heeft immers diverse stoffen in zijn woning voorhanden gehad die bedoeld waren voor de bereiding, verwerking en/of bewerking van cocaïne. De rechtbank acht beide feiten ernstig. De ingevoerde hoeveelheid cocaïne was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat het gebruik van cocaïne gezondheidsrisico’s oplevert voor de gebruikers ervan. Daarnaast gaat de invoer van cocaïne, evenals het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de productie/verwerking van harddrugs, veelal gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft zich van al deze negatieve gevolgen kennelijk niets aangetrokken en louter gehandeld uit financieel gewin. Tot slot vindt de rechtbank het zeer kwalijk dat verdachte zijn nietsvermoedende vriendin ernstig in de problemen heeft gebracht door ook op haar adres een postpakket met daarin cocaïne te laten bezorgen. Dat heeft erin geresulteerd dat zij ook enige tijd vastgezeten heeft. Een treffende illustratie van hoever verdachte bereid is te gaan in zijn winstbejag.

Op grond van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, waaruit blijkt dat voor de invoer van 500-1000 gram harddrugs, uitgaande van de categorie standaard, een gevangenisstraf tussen de 6 en 8 maanden als uitgangspunt kan worden gehanteerd. Gelet op het feit dat verdachte in totaal bijna 1 kilogram cocaïne heeft ingevoerd, acht de rechtbank voor het onder 1 primair bewezenverklaarde feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden op zijn plaats. De rechtbank ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak van deze straf af te wijken.

Nu voor de strafoplegging van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet geen oriëntatiepunten voorhanden zijn, heeft de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf voor het onder 2 bewezenverklaarde feit aansluiting gezocht bij de door de rechtbanken in het recente verleden in soortgelijke zaken opgelegde straffen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet nodig om een proeftijd van drie jaren op te leggen, maar kan worden volstaan met een tweejarige proeftijd, nu verdachte een blanco strafblad heeft.

6 Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen cocaïne dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is begaan en omdat dit voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De bij verdachte in beslag genomen telefoon dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verbeurdverklaard, nu het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van deze telefoon.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het bij verdachte in beslag genomen geld, het in beslag genomen schrift en de in beslag genomen papieren dienen te worden bewaard voor de rechthebbende.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de onder verdachte in beslag genomen GSM, merk: Nokia, goednummer: 2075604;

- verklaart aan het verkeer onttrokken de onder verdachte in beslag genomen verdovende middelen, goednummer: AAEF2940NL;

- beveelt de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen:

- geld (€ 2.400,-);

- stuk papier, goednummer: 2075558;

- stuk papier, goednummer: 2075635;

- stuk papier, goednummer: 2075617;

- stuk papier, goednummer: 1080227;

- stuk papier, goednummer: 2080230.

- schrift, goednummer: 2075609;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Romme, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 augustus 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 02 mei 2012 tot en met 11 mei 2012 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 493,3 gram cocaïne en/of ongeveer 506,6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 mei 2012 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 492,3 gram cocaïne en/of 506,6 gram cocaïne en/of 15,3 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2012 in de gemeente Maastricht om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- ongeveer 104,9 gram fenacetine, in elk geval een materiaal bevattende fenacetine en/of

- ongeveer 103,2 gram fenacetine, in elk geval een materiaal bevattende fenacetine en/of

- ongeveer 14,23 gram van een materiaal (grotendeels) bevattende lactose (en circa 2% cocaïne) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij op of omstreeks 11 mei 2012, in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, een voorwerp, te weten 2400 euro, in elk geval een (grote) hoeveelheid geld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.