Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX6609

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-07-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 1824 en AWB 12 / 526 en AWB 12 / 592
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinaire maatregelen van schorsing, inhouding van bezoldiging en ontslag t.a.v. chauffeur ministerie.

Privé gebruik van dienstvoertuig, onterechte declaraties maaltijd- en dagvergoedingen en onjuiste registratie diensturen en werktijden. Auto wassen en aftanken in het weekeinde is niet afdoende verklaring voor gebruik dienstauto. Registratiesysteem ritten. SAP-registratiesysteem kent automatisch maaltijdvergoeding of dagvergoeding toe bij invoer werktijden. Het is aan eiser werktijden juist in te voeren. Hier niet sprake van incidentele foutieve invoer. Zeer ernstig plichtsverzuim. Evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11 / 1824 en AWB 12 / 526 en AWB 12 / 592

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2012 in de zaken tussen

[eiser], te Heerlen, eiser,

(gemachtigde mr. R. Cats.)

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. V.P.H. Sijben)

Procesverloop

Eiser heeft tegen de besluiten van 5 oktober 2011, 5 maart 2012 en 22 maart 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die betrekking hebben op de zaak aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 5 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Cats.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd alsmede door mr. drs. F. Scheffer en J.A.T. Oortwijn.

Overwegingen

Eiser is sinds 1 april 2005 werkzaam als chauffeur voor het Ministerie van Financiën. Bij schrijven van 22 juni 2011 en 1 augustus 2011 is aan eiser kenbaar gemaakt dat hem wegens plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag wordt opgelegd en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld daarover een zienswijze te geven.

Verweerder heeft daartoe gesteld - kort en zakelijk weergeven - dat op zaterdag 5 maart 2011 een controlemedewerker van de belastingdienst Limburg in het kader van het project ‘windhapper’ een zwarte BMW met kenteken 06-NDD-4 in Klimmen, gemeente Voerendaal heeft waargenomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze auto in gebruik is bij de belastingdienst. Uit de bij die auto behorende rittenadministratie is gebleken dat deze auto die dag in gebruik was bij eiser, althans dat zijn travelcontrolpas (TC-pas) op die dag gebruikt werd in deze auto. Naar aanleiding van een gesprek met eiser op 22 maart 2011 heeft verweerder informatie uit het SAP tijdwerk registratiesysteem (SAP) en de rittenadministratie van eiser opgevraagd.

Op 27 april 2011 is eiser geconfronteerd met de eerste bevindingen over het privégebruik door eiser van dienstauto’s, eisers registratie van zijn werktijden in SAP en zijn declaratiegedrag ten aanzien van maaltijdcomponenten en dagvergoedingen.

Verweerder verwijt eiser dat hij zonder toestemming privé gebruik heeft gemaakt van dienstvoertuigen dan wel deze heeft laten gebruiken anders dan voor dienstdoeleinden. Deze voertuigen zijn dan niet verzekerd. Bovendien heeft eiser zich door het verbruik van benzine tijdens deze ritten verrijkt ten koste van de belastingdienst. Tevens heeft eiser ten onrechte maaltijd- en dagvergoedingen gedeclareerd en ten onrechte diensturen dan wel werktijden geregistreerd, terwijl hij die uren verlof had, geen dienst verrichtte of zich niet bezig hield met de uitoefening van zijn functie.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf wegens plichtsverzuim te reageren en bij besluit van 1 augustus 2011 heeft verweerder eiser met ingang van de tweede dag na dagtekening van die brief geschorst en tevens bepaald dat tijdens de eerste zes weken van die schorsing één derde deel van zijn bezoldiging wordt ingehouden. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en bij besluit van 5 oktober 2011 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 september 2011 heeft verweerder besloten dat eisers volledige bezoldiging na afloop van bovengenoemde termijn van zes weken wordt ingehouden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 5 maart 2012 ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 5 oktober 2011 heeft verweerder besloten eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen met ingang van de tweede dag na dagtekening van dat besluit. Eiser heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt en bij besluit van 22 maart 2012 heeft verweerder dit bezwaar eveneens ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de besluiten van 5 oktober 2011, 5 maart 2012 en 22 maart 2012 beroep ingesteld en daarbij het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser stelt dat hem in het verleden door zijn toenmalige leidinggevende is medegedeeld dat hij per jaar 500 kilometer privé gebruik mag maken van de dienstauto’s.

De dienstauto’s worden in het weekend gewassen en getankt; van privégebruik is op die momenten geen sprake. Dit geldt ook ten aanzien van het voorval op 5 maart 2011, alleen heeft eiser op die dag na een verontrustend telefoontje met betrekking tot de gezondheid van zijn moeder, een kleine omweg gemaakt naar Klimmen om zijn moeder te bezoeken. Vanuit de dienst zijn nimmer richtlijnen of instructies gegeven met betrekking tot het gebruik van de dienstauto’s. Ook over het verantwoorden van rittenstaten in de zogenaamde SAP administratie is nooit uitleg gegeven.

Voorts zijn er problemen geweest met het functioneren van het registratiesysteem dat in de BWM is ingebouwd en ontkent eiser dat hij in december 2010 670 kilometer privé heeft gereden met de Renault Megane.

Er is geen sprake van het ten onrechte declareren van 616 diensturen in perioden dat eiser verlof had. Verlof wordt door de chauffeurs nooit gevraagd en ook nooit verleend omdat het gebruikelijk is dat dit onderling geregeld wordt door middel van het ruilen van diensten. De consequentie daarvan is dat eiser op bepaalde dagen werkte terwijl hij eigenlijk geen dienst had en soms geen dienst had op een dag dat hij eigenlijk zou moeten werken. Wellicht is sprake van in de loop der jaren ingesleten onjuiste administratie, maar van enige opzet om de belastingdienst te benadelen ten voordele van eiser is geen sprake. Eiser is de hele dag op de weg en heeft geen tijd en ook geen opleiding genoten om zich in die registratiesystemen te kunnen verdiepen.

Voorts is geen sprake van het ten onrechte indienen van declaraties met betrekking tot maaltijd- en dagvergoedingen. Toekenning van een betaalde lunch is standaard bij thuiskomst van de chauffeur na 21:00 uur. De afgelopen vijf jaar zijn eisers declaraties altijd geaccordeerd en zonder problemen uitbetaald. Het had op de weg van verweerder gelegen om in een eerder stadium eiser te wijzen op onjuistheden en niet jaren later allerlei gedetailleerde verwijten te maken over onduidelijke declaraties. Omdat eiser zijn agenda over 2010 niet meer heeft (omdat zijn leidinggevende al zijn registraties geacoorderd had was deze immers niet meer nodig) kan hij die periode nu niet meer verantwoorden.

Voor zover door eiser onzorgvuldig zou zijn gehandeld, is de opgelegde straf buiten proportioneel. Hetgeen eiser verweten wordt, dient voor rekening van zijn leidinggevende te komen nu het volledig heeft ontbroken aan enige vorm van adequaat toezicht en aansturing. Eiser heeft altijd uitstekend als chauffeur gefunctioneerd en door het inhouden van zijn bezoldiging zal hij in onoverkomelijke financiële problemen komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 80 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) luidt als volgt.

1. De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

3. Tenzij door Ons of met Onze machtiging door Onze Minister anders is bepaald, wordt de straf opgelegd door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in het door de ambtenaar beklede ambt. Indien deze bevoegdheid bij Ons berust, geschiedt de bestraffing, behalve voor zover betreft de straffen genoemd in artikel 81, eerste lid, onder i en l, door Onze Minister.

Artikel 81, eerste lid, van het ARAR luidt - voor zover thans relevant – als volgt.

1.De disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd, zijn:

(…)

k schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;

l ontslag.

Ingevolge artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR kan onverminderd het bepaalde in artikel 81, eerste lid onder k, de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is opgelegd.

Ingevolge artikel 92, eerste lid, van het ARAR kan tijdens de schorsing de bezoldiging voor één derde worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag der bezoldiging, plaatsvinden.

Met de bestreden besluiten is toepassing gegeven aan bovenstaande artikelen van het ARAR. In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het in geding zijnde handelen van eiser aannemelijk is, moet worden aangemerkt als plichtsverzuim en zo ja, in welke mate, en of dit plichtsverzuim eiser valt toe te rekenen. Vervolgens is de vraag aan de orde of de maatregel van schorsing, inhouding van bezoldiging en onvoorwaardelijk strafontslag in het licht van de eiser verweten gedragingen evenredig is te achten.

De rechtbank overweegt met betrekking tot verweerders stelling dat eiser zonder toestemming privé gebruik heeft gemaakt van dienstauto’s als volgt. De rechtbank stelt vast dat verweerder het voorval op 5 maart 2011 niet als onderbouwing van plichtsverzuim aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Dit voorval is enkel de aanleiding geweest voor het onderzoek naar vermeend plichtsverzuim. Mede gelet op het gegeven dat eiser heeft erkend dat hij op die datum in de dienstauto heeft gereden, behoeft hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd geen bespreking.

Verweerder heeft met verwijzing naar de overgelegde rittenstaten gewezen op diverse data waarop eiser privé gebruik zou hebben gemaakt van de BMW. Tijdens diverse gesprekken waaronder het gesprek op 22 maart 2011, 27 april 2011 en de ambtelijke hoorzitting van

14 september 2011 is eiser hiermee geconfronteerd. Eiser heeft voor de hem door verweerder voorgehouden gegevens geen afdoende verklaring kunnen geven. De stelling van eiser dat hij in het weekend de auto ging wassen en ging tanken, kan - wat daar ook van zij - niet als een afdoende verklaring worden beschouwd voor alle hem door verweerder verweten voorvallen waarin hij privé gebruik heeft gemaakt van zijn dienstauto. Zo is eiser onder andere op zaterdag 19 maart 2011 om 17:46 uur vanaf zijn huisadres te Heerlen met de BMW naar de [adres] te Heerlen gereden om vervolgens eerst drieëneenhalf uur later weer naar huis terug te keren. Een dag later, op zondag 20 maart 2011, rijdt eiser op een vergelijkbaar tijdstip naar hetzelfde adres om vervolgens twee uur later via een korte stop op een adres te Heerlen en een adres te Klimmen weer thuis te arriveren. Niet valt in te zien dat eiser zowel op zaterdag als op zondag moet tanken dan wel de dienstauto moet wassen. Bovendien valt niet in te zien waarom dit enkele uren moet duren. Ook ten aanzien van zondag 17 oktober 2010 heeft eiser geen verklaring kunnen geven waarom hij met de BMW vanaf zijn thuisadres naar de Steenstraat te Valkenburg is gereden om vervolgens aansluitend na een stop van 20 minuten naar de Emmaberg te Arensgenhout te rijden en vervolgens daarna, na een stop van 4 minuten, weer naar huis is gegaan. Eiser heeft daarmee meer dan 35 kilometer gereden, hetgeen verweerder hem terecht heeft kunnen verwijten. Ook al zou eiser die dag hebben getankt en de auto hebben gewassen dan nog valt niet in te zien waarom daarvoor in totaal 35 kilometer gereden moet worden. Volgens de rittenstaten heeft eiser in de periode van juni 2010 tot en met maart 2011 in weekenden dergelijke ritten meerdere malen gereden. Als voorbeelden van een dergelijk voorval noemt de rechtbank de zondagen 27 juni 2010, 3 oktober 2010, 10 oktober 2010, 28 november 2010 en zondag 9 januari 2011. Eiser heeft voor deze ritten eveneens geen verklaring gegeven waarom circa 30 kilometer is gereden, enkel om te tanken en de auto te wassen. Daarnaast heeft eiser geen duidelijke verklaring kunnen geven voor het gebruik van de dienstauto op donderdag 24 juni 2010. Uit de rittenstaten blijkt dat de auto 43 minuten op dan wel nabij het Vrijthof te Maastricht heeft gestaan.

Eisers stelling dat het registratiesysteem dat in de BMW is ingebouwd niet goed functioneert, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ter zitting heeft verweerder weliswaar erkend dat het registratiesysteem een bepaalde periode niet goed functioneerde, maar verweerder brengt hiertegen in dat het systeem in die periode in het geheel geen ritten registreerde. Op de momenten dat het systeem wel functioneerde heeft het de ritten correct geregistreerd. De rechtbank acht deze uitleg van verweerder ter zitting niet onaannemelijk en eiser heeft dit niet afdoende weerlegd. Eiser heeft meerdere ritten gemaakt waarover hij geen verklaring kan afleggen. Deze ritten strekken zich uit over de periode van juni 2010 tot en met maart 2011. Het enkele gegeven dat het registratiesysteem in een bepaalde periode op sommige momenten niet heeft geregistreerd, kan daarom niet aan het vorenstaande afdoen.

Eisers stelling dat hem in het verleden door zijn toenmalige leidinggevende is medegedeeld dat hij per jaar 500 kilometer privé gebruik mag maken van de dienstauto’s, kan niet slagen. De rechtbank neemt daartoe in overweging dat eiser dit standpunt niet kan onderbouwen met schriftelijke afspraken met zijn werkgever of richtlijnen of regelingen afkomstig van zijn werkgever. Daarnaast heeft eiser zijn stelling dat hij per jaar nimmer meer dan 500 kilometer privé rijdt niet kunnen onderbouwen met een registratie van zijn privékilometers. Evenmin heeft eiser een verklaring kunnen geven voor het gegeven dat deze privé kilometers in de rittenstaat zijn geregistreerd als dienstkilometers terwijl het registratiesysteem in de dienstauto’s verlangt dat bij privégebruik het knopje ‘P’ ingeschakeld wordt. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen waarde gehecht aan eisers stelling dat hem is toegezegd dat hij per jaar 500 kilometer privé gebruik mag maken van de dienstauto’s. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat eiser meermalen privé gebruik heeft gemaakt van de dienstauto’s.

Verweerder heeft tevens aannemelijk kunnen achten dat eiser in december 2010, 670 kilometer heeft gereden met een dienstauto, te weten de Renault Megane, terwijl eiser in die maand verlof had. Eiser heeft in dit verband enkel gesteld dat hij in deze periode op vakantie was en dat hij niet weet hoe de registratie van de rittijden op zijn naam heeft kunnen plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit verband terecht in aanmerking heeft genomen dat uit de rittenstaat blijkt dat de betreffende auto steeds is verplaatst vanaf de nabije omgeving van eisers huisadres en steeds weer is teruggekeerd naar hetzelfde adres. Ook is met die auto naar adressen gereden die eiser in de periode van juni 2010 tot en maart 2011 ook heeft aangedaan met de BMW. Eisers stelling dat hij in die periode drie weken op vakantie is geweest in Brugge heeft hij op geen enkele wijze nader met stukken onderbouwd en kan hierom niet als afdoende verklaring dienen. Eveneens heeft eiser daarmee niet de mogelijkheid weerlegd dat hij een ander heeft toegestaan om van die dienstauto gebruik te maken. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 80 van het ARAR.

Met betrekking tot verweerders stelling dat eiser ten onrechte declaraties heeft ingediend voor maaltijd- en dagvergoedingen en werktijden heeft ingevoerd in SAP, terwijl hij die dag geen dienst had, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verhandeld, stelt de rechtbank vast dat niet in geding is dat het aan eiser is om zijn werktijden op juiste wijze in het SAP registratiesysteem in te voeren. Afhankelijk van de ingevoerde werktijden wordt in SAP automatisch een maaltijdvergoeding dan wel een dagvergoeding gedeclareerd en uiteindelijk ook uitbetaald aan de desbetreffende medewerker.

Ter zitting heeft verweerder enkele voorbeelden van onjuiste declaraties aangehaald. Gewezen is op de registratie in SAP ten aanzien van 9 juni 2010. In SAP is voor die dag

18 uur werktijd gedeclareerd, terwijl eiser geen dienst had. Bovendien heeft deze declaratie tot gevolg dat € 36,66 aan lunch-, diner- en verblijfsvergoeding zijn gedeclareerd.

Op 14 juni 2010 is in SAP circa 8 uur meer werktijd geregistreerd dan in de rittenstaat van eiser is geregistreerd aan gereden tijd. Gelet hierop is ten onrechte € 32,50 voor lunch- en dinervergoeding gedeclareerd. Uit een vergelijking tussen SAP en de rittenstaat blijkt ten aanzien van 5 juli 2010 eenzelfde beeld te bestaan. Op 7 januari 2011 zijn - met uitzondering van een kleine rit van 10 minuten rondom het huis van eiser - geen ritten op zijn naam geregistreerd. Toch heeft eiser voor die dag in SAP 17 uur werktijd geregistreerd hetgeen wederom als gevolg heeft een declaratie van € 37,44 voor lunch-, diner- en verblijfsvergoeding. Op 19 januari 2011 zijn ten aanzien van eiser geen ritten geregistreerd. In SAP heeft eiser echter ingevoerd dat hij 15 uur diensttijd heeft gehad en wederom zijn vergoedingen gedeclareerd voor een bedrag van € 37,44. Reeds hierom acht de rechtbank aannemelijk dat eiser meermalen werktijden in SAP heeft ingevoerd, terwijl hij geen dienst had.

Eiser stelt dat hij aan het ten onrechte declareren van de overuren geen voordeel kan hebben gehad nu overuren nimmer worden uitbetaald. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het op zich juist is dat overuren niet uitbetaald worden maar dat het onjuist invoeren van te veel werktijd tot gevolg heeft dat ten onrechte lunch-, diner- en verblijfsvergoedingen wordt gedeclareerd Voorts worden volgens verweerder door het registeren van deze “grijze overwerkuren” reguliere verlofuren niet opgenomen hetgeen uiteindelijk tot uitbetaling kan leiden.

Eisers stelling dat hem is medegedeeld dat hij in SAP elke week zijn diensturen moest aanvullen tot 48 uur kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond waarop deze stelling is gebaseerd. Bovendien neemt de rechtbank in overweging dat eiser wist dat hij door deze wijze van invoeren van zijn werktijden, ten onrechte vergoedingen declareerde. Immers, eiser heeft deze vergoedingen, waarvan verweerder heeft gesteld dat het in totaal over de periode van juni 2010 tot en met maart 2011 een bedrag betreft van [bedrag], uitbetaald gekregen. Eiser heeft erkend dat hem dergelijke vergoedingen zijn uitbetaald en eiser had moeten beseffen dat hij daar geen recht op had. De rechtbank neemt voorts in overweging dat bovenstaande voorbeelden slechts een greep zijn uit de door verweerder overgelegde stukken. Gelet hierop kan niet gesteld worden dat het hier slechts om een incidentele foutieve invulling van het SAP registratiesysteem gaat.

Voor zover eiser stelt dat hij niet op de hoogte was van de wijze van declareren dan wel dat hij zonder duidelijk instructies van zijn leidinggevende geen kennis had van de systemen, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen om aan zijn leidinggevende daarover duidelijkheid te vragen. Immers, eiser declareerde veelvuldig ten onrechte een bedrag van meer dan € 30,- terwijl hij daar geen recht op had. De rechtbank acht het opmerkelijk dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat eisers leidinggevende de door eiser en zijn collega’s ingevoerde declaraties niet controleert. Nog opmerkelijker vindt de rechtbank dat deze leidinggevende ter zitting heeft aangeven niet dan wel nauwelijks op de hoogte te zijn van de werkzaamheden die zijn chauffeurs zijn verrichten. Dit kan echter niet aan eisers eigen verantwoordelijkheid af doen om op juiste wijze te declareren. Gelet hierop kan eisers stelling dat zijn leidinggevende hem in een veel eerder stadium op deze onvolkomenheden had dienen te wijzen niet tot een ander oordeel leiden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn collega’s op dezelfde wijze declareren en eveneens op grote schaal ten onrechte declaraties hebben ingevoerd. Bovendien heeft verweerder deze stelling ter zitting ontkend. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van eisers ten onrechte ingediende declaraties sprake is van plichtverzuim als bedoeld in artikel 80 van het ARAR.

Eiser heeft gesteld dat hij in SAP zijn werkuren altijd aanvulde tot 48 uur per week, ook in de periodes dat hij de afgelopen jaren met verlof was. Eiser heeft dit ook gedaan in

december 2010 toen hij vakantie had. Als gevolg van deze registratie heeft eiser een groot verlofsaldo opgebouwd. Daargelaten of eiser verlofdagen heeft geruild met een collega; hij heeft niet bestreden dat hij feitelijk verlof heeft gehad in december 2010. Eiser heeft immers ter zitting gesteld dat hij in december 2010 drie weken op vakantie is geweest in Brugge. Nu eiser daadwerkelijk verlof heeft genoten, had hij zich moeten realiseren dat het niet juist kan zijn dat een groot saldo van verlofuren wordt opgespaard, terwijl hij wel voor zijn vakantie verlofdagen in zou moeten leveren. Nu eiser de mogelijkheid heeft het opgespaarde verlof uit te laten betalen heeft hij zichzelf verrijkt ten koste van de Belastingdienst. Eiser had zich dit dienen te realiseren en bij zijn werkgever navraag moeten doen over de juiste wijze van registreren. Ook ten aanzien van dit punt acht de rechtbank aannemelijk dat eiser op onjuiste wijze zijn werktijden dan wel verlof in SAP heeft geregistreerd. Dat eisers leidinggevende hier wellicht eerder op had dienen te controleren, kan aan eiser eigen verantwoordelijkheid niet af doen. Het is immers eiser zelf die wist dat hij zich ten onrechte verrijkte ten koste van de Belastingdienst. Ook deze gedragingen dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als plichtverzuim als bedoeld in het bovenstaande.

De rechtbank is concluderend van oordeel dat eiser over een ruime periode veelvuldig privé gebruik gemaakt van de dienstauto’s en op grote schaal op onjuiste wijze zijn werktijden heeft ingevuld in de daarvoor bedoelde systemen. Dat laatste heeft geleid tot onterecht gedeclareerde en uitbetaalde vergoedingen. Deze gedragingen van eiser zijn zowel ten aanzien van de afzonderlijke onderdelen dan wel in samenhang bezien aan te merken als zeer ernstig, aan eiser toe te rekenen, plichtsverzuim.

De rechtbank dient voorts te beoordelen of de maatregelen van schorsing, inhouding bezoldiging en strafontslag in het licht van de aan eiser verweten gedragingen evenredig zijn te achten. In dit kader acht de rechtbank de stelling van eiser dat hij 6 jaar goed heeft gefunctioneerd, niet voldoende voor het oordeel dat voornoemde maatregelen niet kunnen worden opgelegd. Ook eisers stelling dat hij door inhouding van zijn bezoldiging in onoverkomelijke financiële problemen zal geraken, kan niet tot dat oordeel leiden. Verweerder heeft zich in dat verband terecht op het standpunt kunnen stellen dat dit inherent is aan het opleggen van een dergelijke straf. Bovendien heeft eiser verweerders stelling dat zijn vriendin een inkomen heeft boven het minimum inkomen, niet bestreden. Ook is gesteld noch gebleken dat eiser niet in aanmerking kan komen voor ander werk bij een andere werkgever. Dat eiser wellicht niet in aanmerking komt voor een vergelijkbare functie, kan - wat daar ook van zij - daar niet aan af doen. Ook heeft verweerder gewicht toe kunnen kennen aan het gegeven dat eiser zich als chauffeur dagelijks in de auto bevindt met een topambtenaar van de belastingdienst die als zodanig werkzaamheden verricht in de auto. Van eiser mag dan verwacht worden dat hij zich integer opstelt en betrouwbaar is. Gelet op eisers bovengenoemde gedragingen heeft hij het vertrouwen daarin ernstig geschaad.

Voor zover eiser in dit verband een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft gesteld dat geen sprake is van collega’s van eiser die op dezelfde wijze privé gebruik maken van dienstauto’s dan wel op eenzelfde wijze (onterecht) declareren als eiser. Eiser heeft gewezen op rittenstaten waaruit zou blijken dat zijn collega’s eveneens in de weekenden privé gebruik maken van dienstauto’s. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met een verwijzing naar de rittenstaten van zijn collega’s niet aannemelijk gemaakt dat deze collega’s op dezelfde wijze werktijden declareren en daardoor eveneens ten onrechte vergoedingen laten uitbetalen. Daarnaast blijkt uit die rittenstaten niet dat daar sprake is van een vergelijkbaar overmatig gebruik van dienstauto’s voor privégebruik zoals eiser wordt verweten. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat uit hetgeen ter zitting is verhandeld niet blijkt dat verweerder het incidenteel tanken en wassen van de dienstauto in het weekend afkeurt. Nu uit de rittenstaat van eisers collega’s niet blijkt van het rijden van grote afstanden in het weekend voor privédoeleinden, is geen sprake van een vergelijkbare situatie en kan eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

Hetgeen overigens nog is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, voorzitter en mr. A.W. Oosterman en

mr. W.A.M. de Loo, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. de Keijzer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2012.

w.g. G. de Keijzer w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

afschrift verzonden aan partijen op:

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.