Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX6353

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-09-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
03/994003-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in het kader van de Geneesmiddelenwet; verstrekken van humane geneesmiddelen aan dierenartspraktijken; vrijspraak van verduistering/diefstal; toepassing artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/994003-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 september 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

[geboortedatum-en geboorteplaats],

[adresgegevens]

Raadsman is mr. J.H.M. van Dinten, advocaat te Eindhoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: UR-geneesmiddelen aan een ander of anderen ter beschikking heeft gesteld zonder daartoe bevoegd te zijn;

Feit 2: geneesmiddelen van zijn werkgever heeft verduisterd, dan wel deze heeft gestolen.

3 De voorvragen

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Gelijkheidsbeginsel

De raadsman heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat andere werknemers van het ziekenhuis waar verdachte werkzaam was hem actief hebben geholpen met het verzamelen van de medicijnen die verdachte ter beschikking heeft gesteld aan de dierenartspraktijken van de medeverdachte. Deze andere werknemers worden echter niet door het Openbaar Ministerie vervolgd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De enkele omstandigheid dat derden, wier gedragingen - net als die van de verdachte - het voorwerp van strafvervolging zouden dienen te zijn, ten onrechte niet worden vervolgd, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte (vgl. HR 18 december 2001, LJN AD5207). Daarbij komt dat er geen sprake is van gelijke gevallen, nu alleen verdachte de medicijnen daadwerkelijk uit het ziekenhuis heeft meegenomen en ter beschikking heeft gesteld aan zijn vader, die de medicijnen op zijn beurt meenam naar dierenartspraktijken.

Redelijke termijn

De raadsman heeft daarnaast een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het Openbaar Ministerie (te) lang heeft gewacht met de beslissing verdachte te vervolgen.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer en overweegt daartoe dat bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) als aanvang van het in aanmerking te nemen tijdsverloop, het tijdstip dient te gelden waarop vanwege de overheid jegens betrokkene een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat strafvervolging zou volgen. In deze zaak werd verdachte op 8 september 2010 in verzekering gesteld. Dit heeft volgens de Hoge Raad als zodanige handeling te gelden. Naar het oordeel van de rechtbank is 8 september 2010 dan ook het tijdstip waarop de redelijke termijn een aanvang heeft genomen.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden. Nu de rechtbank heden, 3 september 2012, vonnis wijst, stelt zij vast dat de redelijke termijn niet is overschreden.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 heeft zij aangevoerd dat verdachte niet bevoegd was het geneesmiddel Propofol, al dan niet met een verstreken houdbaarheidsdatum, aan zijn vader en medeverdachte [naam medeverdachte] ter hand te stellen. Dat het ziekenhuis gedoogde dat verdachte geneesmiddelen met een verstreken houdbaarheidsdatum voor anderen meenam, doet aan de strafbaarheid van die gedraging niet af. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 primair heeft de officier van justitie betoogd dat dit feit slechts ziet op de volle doos Propofol, waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken. Zij is van mening dat uit het tapgesprek tussen verdachte en zijn vader, het feit dat verdachte noch zijn vader opheldering geven over dit gesprek, de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] en lijsten van geneesmiddelenverbruik in het ziekenhuis, blijkt dat verdachte deze doos niet per abuis heeft meegenomen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadman heeft ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten vrijspraak bepleit. Met betrekking tot het tenlastegelegde onder 1 heeft hij aangevoerd dat het opzet niet bewezen kan worden, nu jarenlang door de werkgever van verdachte werd gedoogd dat hij medicijnen meenam ten behoeve van dierenartspraktijken. Daardoor had verdachte geen laakbare intentie. Daarbij komt volgens de raadsman dat de Geneesmiddelenwet is geschreven ter bescherming van de volksgezondheid. Nu verdachte de medicijnen die hij meenam enkel ter beschikking stelde aan zijn vader, die beroepshalve bekend is met medicijngebruik en van wie verdachte wist dat deze die medicijnen in de dierenartspraktijk gebruikte, is de volksgezondheid nimmer in het geding geweest. Met betrekking tot het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat het bestanddeel “wederrechtelijk” niet bewezen kan worden, nu 18 jaar lang door de werkgever van verdachte is gedoogd dat hij medicijnen, waarvan de houdbaarheidsdatum was verstreken, uit het ziekenhuis meenam ten behoeve van dierenartspraktijken. Dat verdachte eenmaal een doos Propofol heeft meegenomen, waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken, is als een vergissing te bestempelen. Dat blijkt uit het getapte telefoongesprek tussen verdachte en zijn vader, waarin verdachte zegt dat het niet goed is en terug moet. Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat er – om dezelfde reden als hierboven weergegeven – geen sprake is van het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening.

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van een of beide feiten zou komen, heeft de raadsman een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Verdachte heeft volgens de raadsman geen kwade intenties gehad en hij heeft nooit geld ontvangen voor de door hem meegenomen medicijnen. De raadsman concludeert subsidiair dan ook tot ontslag van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Tijdens een doorzoeking op 9 augustus 2010 in de dierenartspraktijk [naam dierenartspraktijk] te Heerlen is het humane geneesmiddel Propofol aangetroffen. Dit betreft een zogenoemd UR-geneesmiddel, dat alleen op basis van een recept van een arts door een apotheker aan een eindgebruiker ter hand kan worden gesteld. De Propofol is afkomstig van de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Elkerliek Ziekenhuis te Helmond. Verdachte heeft verklaard dat hij werkzaam is als verpleegkundige op de spoedeisende hulp in het Elkerliek ziekenhuis te Helmond en al jaren geneesmiddelen verzamelt waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is. Hij heeft verder verklaard dat hij deze geneesmiddelen vervolgens aan zijn vader, [naam vader], geeft, die de geneesmiddelen gebruikt in een dierenkliniek te Heerlen waar hij werkzaam is. Ook heeft verdachte verklaard dat hij geen arts, apotheker of vrijgestelde bij ministeriële regeling is.

Feit 1

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onbevoegd het UR-geneesmiddel Propofol aan zijn vader ter hand heeft gesteld. Er is sprake van een economisch delict, waarbij niet is vereist dat verdachte zogenaamd ‘boos opzet’ heeft gehad op de verweten gedragingen. Vereist is slechts dat verdachte ‘kleurloos opzet’ heeft gehad op het ter hand stellen van het geneesmiddel. De vraag of verdachte op de hoogte was van het feit dat het strafbaar is om dit geneesmiddel ter hand te stellen, doet dan ook niet ter zake. Aangezien verdachte niet heeft ontkend dat hij het geneesmiddel willens en wetens aan zijn vader ter hand heeft gesteld, is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte het ten laste gelegde opzettelijk heeft begaan.

Feit 2

Verdachte heeft verklaard dat hij het verzamelen en aan zijn vader geven van de verlopen geneesmiddelen doet met medeweten en toestemming van zijn leidinggevende. Ook heeft hij verklaard dat hij de doos Propofol, waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet verstreken was, per abuis heeft meegenomen. Toen zijn vader ontdekte dat de houdbaarheidsdatum van deze doos nog niet was verstreken, heeft hij telefonisch contact met verdachte opgenomen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij deze doos terug wilde halen en wilde retourneren aan het ziekenhuis, maar dat de doos toen al in beslag was genomen tijdens de doorzoeking in de dierenartspraktijk. De vader van verdachte, [naam vader van verdachte], bevestigt de verklaring van verdachte. Op 12 augustus 2010 is er een telefoongesprek getapt tussen verdachte en zijn vader. In dit gesprek wordt gesproken over de betreffende doos Propofol. Verdachte zegt onder andere dat hij de verkeerde doos heeft meegenomen.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet naar voren komt dat er in de dierenartspraktijken behalve de bewuste doos Propofol nog meer geneesmiddelen zijn aangetroffen waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken. Evenmin is in het dossier informatie aanwezig die erop wijst dat uit het ziekenhuis meer geneesmiddelen zijn weggenomen waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken. Uit het getapte telefoongesprek tussen verdachte en zijn vader kan de rechtbank, anders dan de officier van justitie stelt, ook niet afleiden dat verdachte de bewuste doos Propofol opzettelijk uit het ziekenhuis heeft weggenomen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte daarom geloofwaardig en is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich de doos Propofol, waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken, wederrechtelijk heeft toegeëigend.dan wel deze heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Zij zal verdachte dan ook van het tenlastegelegde onder 2 primair en subsidiair vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Heerlen opzettelijk, niet zijnde apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en niet zijnde huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in het achtste of negende lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en niet zijnde daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon en/of instantie in de in die regeling bedoelde omstandigheden UR-geneesmiddelen, te weten propofol, ter hand heeft gesteld aan [naam vader].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 1:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 40 uren, bij niet verrichten te vervangen door 20 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair tot een algehele vrijspraak geconcludeerd en subsidiair tot ontslag van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft hij verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte zijn baan is kwijtgeraakt, dat hij drie dagen in voorarrest heeft gezeten en dat daardoor veel spanningen binnen zijn gezin zijn ontstaan. De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft, zonder daartoe bevoegd te zijn, meermalen het UR-geneesmiddel Propofol ter beschikking gesteld aan zijn vader. Hij deed dit in de wetenschap dat zijn vader dit medicijn op zijn beurt aan een dierenartspraktijk gaf.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met zijn blanco strafblad. Ook neemt zij in acht dat uit het dossier naar voren komt dat het gangbare praktijk was dat verdachte medicijnen, waarvan de houdbaarheidsdatum was overschreden, uit het ziekenhuis meenam ten behoeve van dierenartspraktijken en dat zijn leidinggevende hiervan op de hoogte was en dit ook goed vond. De rechtbank vindt dat dit verdachte niet ontslaat van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Als verpleegkundige die veel werkt met medicijnen en hier gemakkelijk toegang toe heeft, zou hij op de hoogte moeten zijn van de wettelijke regels omtrent het ter hand stellen van medicijnen. Daar staat tegenover dat het binnen het ziekenhuis waar verdachte werkzaam was kennelijk alom bekend en geaccepteerd was dat verdachte verlopen medicijnen verzamelde om hier nog een (in zijn ogen) goede bestemming aan te geven als diergeneesmiddel. Daarnaast houdt de rechtbank ten voordele van verdachte nog rekening met het feit dat sinds de inverzekeringstelling van verdachte in deze strafzaak bijna twee jaar is verstreken en dat verdachte, ondanks dat hij toestemming van zijn leidinggevende had, naar aanleiding van de onderhavige beschuldiging zijn baan is kwijtgeraakt.

De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te passen en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van enige straf of maatregel.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 61 van de Geneesmiddelenwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, niet zijnde apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en/of niet zijnde huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in het achtste of negende lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en/of niet zijnde daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon en/of instantie in de in de regeling bedoelde omstandigheden UR-geneesmiddelen, te weten propofol, ter hand heeft gesteld aan [naam vader van verdachte] en/of [naam medeverdachte];

2.

Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Helmond, althans in Nederland, opzettelijk enig goed, te weten humane geneesmiddelen (onder meer propofol), dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde en dat hij anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft hij, als medewerker van de afdeling spoedeisende hulp van het Elkerlyck ziekenhuis te Helmond, humane geneesmiddelen (onder meer propofol) toebehorend aan dit Elkerlyckziekenhuis en ten behoeve van spoedeisende hulp aanwezig op de afdeling spoedeisende hulp, van deze afdeling weggenomen;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Helmond, althans in Nederland, enig goed, te weten humane geneesmiddelen (onder meer propofol) dat geheel of ten dele aan een ander, het Elkerlyckziekenhuis, toebehoorde weg heeft genomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.