Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX6349

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-09-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
03/996007-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:3659, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in het kader van de Diergeneesmiddelenwet; aanwezig hebben en gebruik van humane geneesmiddelen in dierenartspraktijken; vrijspraak van heling; oplegging voorwaardelijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/996007-10

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 september 2012

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

geboren [geboortedatum-en plaats],

wonende te [adresgegevens].

Raadsman is mr C.F.M.P. Spreksel, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met (een) ander(en) niet-geregistreerde diergeneesmiddelen voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of bij dieren heeft toegepast;

Feit 2: samen met (een) ander(en) de diergeneesmiddelen Novem 5 en/of Novem 20 heeft toegepast bij kleine huisdieren, terwijl deze volgens de registratiebeschikking geregistreerd zijn voor toepassing bij kalveren, runderen en varkens;

Feit 3: Propofol heeft geheeld;

Feit 4: onbevoegd en buiten noodzaak de diergeneeskunde heeft uitgeoefend door operaties op dieren te verrichten, dan wel diergeneeskundige handelingen te verrichten.

3 De voorvragen

De niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft bij pleidooi geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie op verschillende gronden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Redelijk vermoeden van schuld

De raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende verdenking was om tot vervolging over te gaan, nu die verdenking enkel gebaseerd is op een dagboek van een gefrustreerde en ontslagen werknemer van verdachte, terwijl de inhoud van dit dagboek slechts op punten ondersteund wordt door een korte verklaring van een andere werknemer tegen wie een ontslagprocedure loopt. Beide werknemers hebben een eigen belang bij hun verklaringen tegen verdachte. Het Openbaar Ministerie dient volgens de raadsman het dagboek en de verklaringen aan objectieve feiten te toetsen, hetgeen in deze zaak niet is gebeurd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Het onderzoek is gestart nadat een ex-werknemer van verdachte, [naam ex-werknemer], een dagboek ter beschikking heeft gesteld aan de Divisie Inlichtingen en Opsporing van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA). Dit dagboek beschrijft de gang van zaken binnen de dierenartspraktijken van verdachte. Er wordt onder andere genoemd dat verdachte onbevoegd operaties bij dieren verricht, niet-geregistreerde geneesmiddelen gebruikt en deze omkat naar flesjes van wel geregistreerde diergeneesmiddelen. Naar aanleiding van dit dagboek is [naam ex-werknemer] op 21 juli 2010 gehoord. Op deze datum is ook [naam persoon] gehoord, die de verklaring van [naam ex-werknemer] grotendeels heeft bevestigd. Daarnaast is op 2 augustus 2010 een andere werknemer van verdachte, [naam werknemer], gehoord die de verklaringen van zowel [naam ex-werknemer] als [naam persoon] heeft bevestigd. Naar aanleiding van deze drie belastende verklaringen is verdachte op 9 augustus 2010 gearresteerd en in verzekering gesteld. Verder heeft verdachte een strafblad, waaruit blijkt dat zij in 2008 en 2009 transacties heeft betaald in het kader van overtredingen van de Diergeneesmiddelenwet.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de hiervoor genoemde belastende verklaringen, die elkaar op cruciale punten ondersteunen, in samenhang met het strafblad van verdachte, voldoende aanwijzingen op die een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering rechtvaardigen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Vormverzuimen in voorbereidend onderzoek

De raadsman heeft aangevoerd dat is verzuimd aan verdachte een bevel van inverzekeringstelling uit te reiken. Ook heeft de verdediging pas in 2012 het dossier ontvangen en had zij ten tijde van de inverzekeringstelling en de verhoren van verdachte geen stukken tot haar beschikking. Door deze vormverzuimen is de verdediging in haar belangen geschaad.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank constateert met de verdediging dat in deze sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu het bevel inverzekeringstelling van verdachte niet aan haar is uitgereikt. Dat dit verzuim in een later stadium op een ongeëigende wijze is hersteld, doet daaraan niet af. Nu verdachte niet in haar verdediging is geschaad, volstaat de rechtbank echter met de constatering dat een vormverzuim heeft plaatsgevonden en verbindt daaraan geen gevolgen.

Ten aanzien van het verweer dat de verdediging geen stukken tot haar beschikking had ten tijde van de inverzekeringstelling en de verhoren van verdachte overweegt de rechtbank dat het Wetboek van Strafvordering aangeeft dat in een dergelijk geval de verdediging een bezwaarschrift kan indienen tegen de onthouding van stukken. Nu de raadsman dit heeft nagelaten zal de rechtbank ook dit verweer verwerpen.

Schending beginselen van behoorlijke procesorde

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in strijd met een aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal, in de onderhavige zaak ten onrechte is overgaan tot strafrechtelijke handhaving terwijl civielrechtelijke handhaving was geïndiceerd. Hij heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie waaruit dit zou blijken.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Zij overweegt daartoe dat de aanwijzing waar de raadsman naar verwijst niet ziet op handhaving van de Diergeneesmiddelenwet en dat er voor wat betreft de onderhavige materie geen aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal bestaat.

De rechtbank is van oordeel dat een cumulatie van de door de raadsman aangevoerde argumenten evenmin tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan leiden.

Ambtshalve zal de rechtbank wel tot partiële nietigheid van de dagvaarding concluderen. Omwille van de helderheid van dit vonnis zal zij deze voorvraag bespreken bij de hierna te behandelen feiten.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat in de dierenartspraktijken van verdachte verscheidene humane geneesmiddelen en een niet in Nederland geregistreerd diergeneesmiddel zijn aangetroffen, zonder dat is voldaan aan de cascaderegeling. Volgens de officier van justitie heeft verdachte deze middelen gebruikt vanwege commercieel gewin en omdat hiervoor een dierlijke noodzaak was.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het gebruik van de diergeneesmiddelen Novem 5 en 20 volgens de registratiebeschikking slechts is toegestaan bij kalveren, runderen en varkens. Toepassing bij andere diersoorten is niet toegestaan. Dat dit diergeneesmiddel ook op kleinere huisdieren werd toegepast is in de ogen van de officier van justitie aan verdachte toe te schrijven, nu zij – als eigenaresse van de dierenpraktijken – eindverantwoordelijk was voor het diergeneesmiddelengebruik en de administratieve afhandeling daarvan.

Ten aanzien van feit 3 is de officier van justitie van mening dat verdachte wist, dan wel had moeten weten, dat het doosje met Propofol met een nog niet verstreken houdbaarheidsdatum door misdrijf was verkregen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke geneesmiddelen slechts op voorschrift van een arts of apotheker te verkrijgen zijn.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte paraveterinair van beroep is en niet bevoegd is zelfstandig operaties en andere diergeneeskundige handelingen te verrichten. Uit de aangifte en verschillende getuigenverklaring komt naar voren dat verdachte deze handelingen wel degelijk zelfstandig heeft verricht.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft tot een algehele vrijspraak geconcludeerd.

Ten aanzien van feit 1 heeft hij met betrekking tot de geneesmiddelen Propofol en Sevofluraan aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van deze middelen in haar praktijken. Subsidiair heeft hij bepleit dat de middelen humane geneesmiddelen zijn en daarom niet strafbaar zijn op basis van de Diergeneesmiddelenwet.

Met betrekking tot de geneesmiddelen Primperan en Efedrine heeft de raadsman primair bepleit dat het in bezit hebben van deze middelen niet strafbaar is, omdat deze gewoon via de catalogus besteld kunnen worden bij de groothandel voor diergeneesmiddelen. Subsidiair heeft hij ook hier aangevoerd dat deze middelen humane geneesmiddelen zijn en niet onder het bereik van de Diergeneesmiddelenwet vallen. Meer subsidiair heeft hij zich beroepen op dwaling. Met betrekking tot het geneesmiddel Hostamox heeft de raadsman bepleit dat dit middel goedkoper en efficiënter is dan andere middelen en in Duitsland wel geregistreerd is, waardoor de cascaderegeling van toepassing is. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat niet is vastgesteld dat het aangetroffen middel daadwerkelijk Hostamox is.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte ontkent het middel Novem op kleine huisdieren te hebben toegepast. Zij heeft Meloxican toegediend, wellicht uit een flesje Novem. De verklaring van [naam ex-werknemer] is niet bruikbaar voor het bewijs, nu zij sinds 2008 niet meer werkzaam is geweest in de praktijken van verdachte. Verder is er geen enkel bewijsmiddel voorhanden waaruit blijkt dat verdachte dit middel heeft toegepast op kleine huisdieren. Ook heeft de raadsman erop gewezen dat het middel Novem exact dezelfde samenstelling heeft als het wel voor kleine huisdieren toegestane Metacam. Metacam is echter stukken duurder dan Novem.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist en ook niet kon weten dat medeverdachte [naam medeverdachte] een doos Propofol, waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken, via zijn vader ter beschikking van haar dierenartspraktijk had gesteld. Het was wel gangbare praktijk dat [naam medeverdachte] geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum was verstreken aan zijn vader meegaf ten behoeve van haar praktijken. Hij deed dat volgens eigen zeggen met toestemming van zijn leidinggevende in het ziekenhuis. Daarmee kan echter niet bewezen worden dat de betreffende doos Propofol door hem verduisterd of gestolen is.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman bepleit dat verdachte in de tenlastegelegde periode niet zelfstandig heeft geopereerd. Hij heeft deze stelling onderbouwd met ondertekende verklaringen van negen werknemers van verdachte. De aangifte en de verklaringen van [naam persoon] en [naam werknemer] zien op de periode voorafgaande aan de tenlastegelegde periode. De raadsman heeft betoogd dat verdachte altijd onder supervisie van één van de dierenartsen heeft geopereerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Tijdens een doorzoeking op 9 augustus 2010 in de dierenartspraktijken [naam dierenartspraktijk] te Heerlen en [naam dierenartspraktijk] te Schinnen, zijn de humane geneesmiddelen Propofol, Sevofluraan, Primperan en Efedrine aangetroffen. Voor de geneesmiddelen dan wel anesthesiemiddelen Propofol, Sevofluraan, Primperan en Efedrine zijn vervangende geregistreerde diergeneesmiddelen voorhanden. [Vader van naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij de narcose verzorgt bij dieren in de praktijken van verdachte. Over de geneesmiddelen Propofol, Primperan en Efedrine verklaart hij dat hij deze middelen wellicht in de praktijken van verdachte heeft afgeleverd, nadat hij deze van zijn zoon, medeverdachte [naam medeverdachte], had gekregen. Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat de middelen Efedrine, Primperan en Propofol aanwezig zijn op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis waar hij werkzaam is. Ook heeft hij verklaard dat hij al jaren geneesmiddelen verzamelt waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is om deze, via zijn vader, ter beschikking te stellen aan verschillende dierenartspraktijken. Verdachte heeft verklaard dat zij eigenaresse is van de beide dierenartspraktijken in Schinnen en Heerlen. Voorts heeft zij verklaard dat er Propofol wordt meegenomen door de anesthesisten die werkzaam zijn in haar praktijken. Verder heeft zij verklaard dat zij niet weet welke middelen de anesthesisten allemaal meenemen. Wel weet zij dat het middelen zijn die in het ziekenhuis niet meer gebruikt worden, omdat bijvoorbeeld de houdbaarheidsdatum verstreken is. Ook heeft zij verklaard dat de humane Propofol wordt toegepast in haar praktijken.

Tevens zijn in de dierenartspraktijk van verdachte te Heerlen twee flesjes met een etiket van Suramox aangetroffen, waarvan werd vermoed dat deze Hostamox bevatten. Eén van deze flesjes werd tijdens de doorzoeking door verdachte overhandigd, nadat haar was gevraagd naar het omkatten van Hostamox in flesjes Suramox. Onderzoek aan de twee flesjes met etiketten van het middel Suramox wijst uit dat de samenstelling van de inhoud overeenkomt met een monster originele Bimoxyl LA, dat volgens de fabrikant dezelfde samenstelling heeft als Hostamox LA. Verdachte heeft verklaard dat er twee flesjes Hostamox in haar praktijk aanwezig waren. De Hostamox werd gebruikt bij onder andere snotterkatten, omdat het een langere werking had dan het toegestane middel Suramox.

Nu aan verdachte onder de feiten 1 en 2 overtredingen van de Diergeneesmiddelenwet ten laste zijn gelegd, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of de bovengenoemde geneesmiddelen vallen onder het bereik van de Diergeneesmiddelenwet. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Onder ‘diergeneesmiddel’ moet ingevolge het bepaalde in artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet worden verstaan een “substantie die bestemd is om al of niet na be- of verwerking, te worden gebruikt voor:

a. het genezen, lenigen of voorkomen van enige aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn, verwonding of gebrek van een dier;

b. het herstellen, verbeteren of wijzigen van het functioneren van organen van een dier;

c. het onderkennen van een ziekte of gebrek bij dieren door toepassing bij een dier”.

De rechtbank stelt vast dat de humane geneesmiddelen, die zijn aangetroffen in de dierenartspraktijken van verdachte, werden gebruikt om dieren te genezen. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat de bij haar werkzame anesthesisten deze middelen meenamen en gebruikten. Gelet hierop kan bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat de middelen werden aangewend voor de genezing van dieren en dientengevolge vallen onder de definitie van ‘diergeneesmiddel’ zoals hiervoor weergegeven. Nu de rechtbank voorts ook niet van enige uitzondering is gebleken die tot een ander oordeel zou moeten leiden, moet het verweer dat de raadsman hieromtrent heeft gevoerd worden verworpen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden kan worden voor het in voorraad en voorhanden hebben en gebruik van bovengenoemde, niet als zodanig in Nederland geregistreerde diergeneesmiddelen.

De rechtbank overweegt dat verdachte als eigenaresse en manager van beide dierenartspraktijken kan worden verweten dat zij deze middelen opzettelijk voorhanden en in voorraad heeft gehad. Dat de bij haar in dienst zijnde dierenartsen ook geneesmiddelen bestelden en gebruikten, doet daaraan niet af. Verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat de middelen Sevofluraan, Primperan en Efedrine in haar praktijken aanwezig waren. Nu het bestendige praktijk was dat gepensioneerde anesthesisten humane geneesmiddelen meenamen naar de praktijken van verdachte en zij zelf heeft verklaard dat zij niet wist welke middelen dat waren, is de rechtbank van oordeel dat zij daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de anesthesisten ook niet toegestane geneesmiddelen zouden meebrengen.

Over de geneesmiddelen Propofol en Hostamox heeft verdachte verklaard dat zij wist dat deze middelen niet geregistreerd waren en dus niet als diergeneesmiddelen mochten worden toegepast. Ook heeft zij verklaard dat de beide middelen in haar praktijken op dieren werden toegepast. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de niet-geregistreerde geneesmiddelen Propofol en Hostamox ook opzettelijk heeft toegepast op dieren.

Door de raadsman is nog aangevoerd dat de genoemde geneesmiddelen zouden vallen onder het bereik van de cascaderegeling en dat verdachte deze op basis daarvan in voorraad mocht hebben. De rechtbank overweegt in dit verband dat de cascaderegeling onder meer inhoudt dat in een noodtoestand ook niet-geregistreerde geneesmiddelen gebruikt mogen worden. Het spreekt volgens de rechtbank voor zich dat niet-geregistreerde geneesmiddelen in het kader van noodtoestand dan ook in voorraad mogen zijn. Echter, verdachte heeft niet verklaard dat zij deze middelen in voorraad had om te gebruiken tijdens een noodtoestand. Zij heeft nu juist ter terechtzitting verklaard dat zij deze middelen had omdat deze goedkoper waren dan de geregistreerde middelen en een betere of langere werking hadden. Naar het oordeel van de rechtbank neemt de cascaderegeling in dit geval de strafbaarheid van het voorhanden of in voorraad hebben van de genoemde geneesmiddelen niet weg, gelet op het doel van het in voorraad hebben of toepassen van die middelen. Ook dit verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Hetzelfde geldt voor het beroep dat de raadsman heeft gedaan op dwaling. Het feit dat verdachte de bewuste geneesmiddelen via een catalogus van een groothandel in diergeneesmiddelen kan bestellen ontslaat verdachte niet van haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Gelet op het aantreffen van de in de tenlastelegging genoemde middelen, de hierboven aangehaalde verklaringen van getuige [vader van naam medeverdachte], medeverdachte [naam medeverdachte] en van verdachte zelf acht de rechtbank het tenlastegelegde onder 1 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Tijdens de doorzoeking op 9 augustus 2010 in de dierenartspraktijk te Schinnen werden ook drie flesjes Novem 5 aangetroffen, een diergeneesmiddel dat volgens de registratiebeschikking slechts mag worden toegepast op kalveren, runderen en varkens. [naam dierenarts] heeft verklaard dat zij als dierenarts werkzaam is in de dierenartspraktijken van verdachte en dat Novem hier wordt toegepast op honden. Als er Novem voorhanden is, wordt dit geneesmiddel gebruikt, omdat het goedkoper is dan andere middelen. Verdachte heeft verklaard dat de pijnstiller Novem in haar praktijk wordt toegepast op onder andere grotere honden. Het geëigende middel Metacam en Novem hebben volgens verdachte dezelfde werkzame stof en Novem is een stuk goedkoper, waardoor in haar praktijk alleen Novem gebruikt wordt.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het diergeneesmiddel Novem 5 opzettelijk meermalen heeft toegepast op kleine huisdieren, waartoe ook grotere honden zijn te rekenen, waarvoor dat middel niet geregistreerd is. Uit de omstandigheid dat ook de dierenarts [naam dierenarts] dit middel gebruikt en de reden waarom zij dit doet, leidt de rechtbank af dat verdachte dit middel toepast in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ook in de praktijk aangetroffen diergeneesmiddel Novem 20 heeft toegepast bij kleine huisdieren. Zij overweegt daartoe dat dit geneesmiddel slechts is aangetroffen in de dierenartspraktijk te Heerlen en verdachte heeft verklaard dat zij daar onder meer een schaap behandelde. Zij ontkent het gebruik van Novem 20 op kleine huisdieren. Er is verder geen enkel ander bewijsmiddel waaruit blijkt dat Novem 20 op kleine huisdieren werd toegepast. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Feit 3

Tijdens de doorzoekingen in de dierenartspraktijken van verdachte is voorts een doos van het humane geneesmiddel Propofol aangetroffen, waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken. Deze doos was afkomstig uit het Elkerliek Ziekenhuis te Helmond en was aldaar meegenomen door medeverdachte [naam medeverdachte]. [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij met toestemming van zijn werkgever vaker medicijnen meenam die over de datum waren en dat hij deze doos per abuis heeft meegenomen, in de veronderstelling dat ook deze medicijnen over de datum waren. Een leidinggevende van [naam medeverdachte] heeft bevestigd dat [naam medeverdachte] vaker met toestemming van het ziekenhuis medicijnen meenam. De vader van [naam medeverdachte] heeft de gang van zaken met betrekking tot de doos bevestigd. Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat er via [naam medeverdachte] vaker verlopen medicijnen werden aangeleverd, maar dat zij niet wist dat de genoemde doos in haar praktijk aanwezig was.

Gelet op het bovenstaande overweegt de rechtbank dat er onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn, waaruit blijkt dat de genoemde doos Propofol van verduistering of diefstal afkomstig is. Tevens zijn er onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden waaruit blijkt, dat verdachte wetenschap had van de bewuste doos Propofol. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Feit 4

Uit de aangifte en twee getuigenverklaringen komt naar voren dat verdachte zelfstandig operaties op dieren heeft verricht dan wel andere diergeneeskundige handelingen heeft verricht, waartoe zij als paraveterinair niet bevoegd was. Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat verdachte in 2010 eenmaal zelfstandig een tumor bij een hond heeft verwijderd. Verdachte heeft ontkend dat zij de genoemde handelingen zelfstandig heeft verricht en heeft verklaard dat zij enkel heeft geassisteerd bij operaties en onder het toeziend oog van een dierenarts alleen die diergeneeskundige handelingen heeft verricht, die zij als paraveterinair ook mocht verrichten. Ter terechtzitting heeft zij nog verklaard dat de handeling waar [naam getuige] het over had geen tumor betrof, maar dat zij toen een wrat heeft verwijderd en dat zij deze handeling als paraveterinair zelfstandig mag verrichten.

De rechtbank overweegt dat de aangifte en de twee getuigenverklaringen die deze ondersteunen, inhoudende dat verdachte zelfstandig operaties op dieren verrichtte en zelfstandig dieren entte, zien op de periode vóór 1 januari 2010. Zij kunnen dus niet als bewijsmiddelen gebruikt worden ten aanzien van de tenlastegelegde periode. De getuigenverklaring van [naam getuige] wordt door verdachte weerlegd. Daarmee blijft er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs over waaruit volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode zelfstandig operaties heeft verricht. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

In de tenlastelegging wordt verdachte onder feit 4 in subsidiaire vorm verweten dat zij (andere dan paraveterinaire) diergeneeskundige handelingen heeft verricht, althans dat zij enkele nader omschreven handelingen heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede “(andere dan paraveterinaire) diergeneeskundige handelingen” onvoldoende duidelijk is nu deze handelingen niet nader omschreven zijn. Zij verklaart dit onderdeel van de tenlastelegging daarom nietig. Verder is de rechtbank van oordeel dat de in de tenlastelegging beschreven handelingen nu juist handelingen zijn die verdachte als paraveterinair wel mocht verrichten, waardoor ook dit onderdeel van de tenlastelegging nietig is.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om tot een veroordeling te komen voor het onder 4 tenlastegelegde. Zij zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk meermalen diergeneesmiddelen, waaronder Propofol en Sevofluraan en Primperan en Efedrine en Hostamox die niet zijn geregistreerd, voorhanden of in voorraad heeft gehad en Propofol en Hostamox bij dieren heeft toegepast;

2.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meermalen heeft gehandeld in strijd met de in artikel 6, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet bedoelde voorschriften, immers heeft zij het diergeneesmiddel Novem 5 (Reg NL 10218) (volgens registratiebeschikking geregistreerd voor toepassing bij kalveren, runderen en varkens) toegepast bij kleine huisdieren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd;

feit 2:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd de volgende straffen aan verdachte op te leggen. Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 primair vordert zij een werkstraf van 180 uur, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, een geldboete van € 15.000, bij niet betaling te vervangen door 110 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Ten aanzien van feit 4 (zijnde een overtreding) vordert zij een geldboete van € 2.000, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair heeft hij tot een algehele vrijspraak geconcludeerd. Meer subsidiair heeft hij verzocht het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Meest subsidiair is hij van mening dat verdachte voldoende is gestraft en dat volstaan kan worden met de oplegging van een kleine geldboete. De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de schade die verdachte en haar dierenartspraktijken door deze strafzaak hebben opgelopen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte is paraveterinair van beroep en eigenaresse van twee dierenartspraktijken in respectievelijk Heerlen en Schinnen. Als eigenaresse is zij naar het oordeel van de rechtbank eindverantwoordelijk voor het reilen en zeilen binnen haar praktijken. Zij heeft verschillende (dier)geneesmiddelen in haar dierenartspraktijken aanwezig gehad die niet in Nederland als zodanig geregistreerd zijn. Daarnaast heeft zij een wel geregistreerd diergeneesmiddel, dat alleen bij kalveren, runderen en varkens mag worden toegepast, toegepast bij klein(ere) huisdieren.

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige zaak door de NVWA en het openbaar ministerie de sfeer is gecreëerd dat verdachte uit puur financieel gewin heeft gehandeld en dat de gezondheid en het welzijn van dieren haar weinig interesseert. Dit wordt verdachte erg kwalijk genomen. In het dossier wordt echter terloops opgemerkt dat er geen tijd was om een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) in te stellen. Nu dit niet is onderzocht en dit ook niet anderszins uit de bewijsmiddelen naar voren komt, kan naar het oordeel van de rechtbank er niet van worden uitgegaan dat verdachte puur uit financieel gewin heeft gehandeld en dat de gezondheid en het welzijn van dieren haar niet interesseert. De rechtbank neemt hierbij ook in ogenschouw dat zowel de aangifte als de twee getuigenverklaringen die een en ander bevestigen, zijn afgelegd door ex-werknemers van verdachte, waarbij werkgerelateerde problemen dan wel een ontslagprocedure aan de orde waren. Met andere woorden: de belastende verklaringen zijn allemaal afgelegd door personen die niet op goede voet met verdachte stonden. De negen huidige werknemers van verdachte hebben daarentegen een goed woordje voor verdachte willen doen, gelet op de verklaringen die de raadsman heeft overgelegd.

Hier staat tegenover dat, ook al heeft verdachte naar eigen zeggen vooral het dierenwelzijn voor ogen gehad en een eventueel geldelijk gewin in dit verband moet worden gezien, er niet zonder meer aan voorbij gegaan kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van wettelijke voorschriften. Ze wekt daarbij de indruk dat ze weinig weet heeft van de geldende regelgeving, terwijl dat – als eigenaresse van twee dierenartspraktijken – wel van haar verwacht en verlangd mag worden. Tevens blijkt dat zij van verschillende (dier)geneesmiddelen heel goed wist dat zij deze eigenlijk niet mocht gebruiken. Daarbij komt dat het binnen haar praktijken klaarblijkelijk bestendige praktijk is dat humane geneesmiddelen, waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is, worden gebruikt, terwijl de cascaderegeling niet van toepassing is en die door derden worden geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is door het gebruik van verlopen geneesmiddelen het dierenwelzijn juist in het geding, nu de werking van deze middelen niet kan worden gegarandeerd. In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank ook rekening met haar strafblad, waaruit blijkt dat zij al twee keer eerder een transactie heeft betaald ter zake van overtreding van de Diergeneesmiddelenwet.

Ten voordele van verdachte zal de rechtbank er tevens rekening mee houden dat deze zaak tot voor verdachte veel negatieve publiciteit heeft geleid, waardoor onder andere het contract met het dierenasiel te Heerlen is beëindigd.

Nu verdachte klaarblijkelijk weinig op heeft met voor haar geldende wettelijke regels, acht de rechtbank in de onderhavige zaak met name van belang dat verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van soortgelijke feiten. Gelet hierop en ter onderstreping van het belang tot naleving van de wettelijke voorschriften, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een geldboete van € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2 en 7 van de Diergeneesmiddelenwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding partieel nietig ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5000,- (zegge: vijfduizend euro) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de geldboete naar rato van € 50,- per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 september 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, diergeneesmiddelen, waaronder Propofol en/of Sevofluraan en/of Primperan en/of Efedrine en/of Hostamox dat/die niet is/zijn geregistreerd, voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of bij dieren heeft toegepast;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, heeft gehandeld in strijd met de in artikel 6, derde lid, van de Diergeneesmiddelenwet bedoelde voorschriften, immers heeft zij het diergeneesmiddel Novem 5 (Reg NL 10218) en/of het diergeneesmiddel Novem 20 (REG NL 10219) (volgens registratiebeschikking geregistreerd voor toepassing bij kalveren, runderen en varkens) toegepast bij kleine huisdieren, althans heeft zij in strijd gehandeld met de doeleinden waarvoor het diergeneesmiddel uitsluitend dan wel niet mocht worden gebruikt;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een goed, te weten propofol, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed (propofol, met een nog niet verstreken houdbaarheidsdatum) wist dat het een door misdrijf verkregen goed was;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, een goed (propofol, met een nog niet verstreken houdbaarheidsdatum) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 augustus 2010 in de gemeente Schinnen en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, als niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet een toelating vordert, te weten de uitoefening van de diergeneeskunde, buiten noodzaak, meermalen, althans eenmaal, dat beroep heeft uitgeoefend, immers heeft zij (onder meer) operaties op dieren verricht, althans heeft zij (andere dan paraveterinaire) diergeneeskundige handelingen verricht althans, heeft zij als beroep een of meer der navolgende handelingen verricht:

a. het onderzoeken van een dier, het voorschrijven of toepassen van een behandeling, operatie daaronder begrepen, bij een dier, één en ander voor zover zulks strekt ter voorkoming of genezing van een infectieziekte of een parasitaire ziekte bij dat dier dan wel ter genezing, leniging, onderkenning of opheffing van een aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, in- of uitwendig letsel, pijn of gebrek bij dat dier;

b. het toepassen bij een dier van algemene of plaatselijke verdoving, bedwelming in slachterijen of slachthuizen daaronder niet begrepen;

c. het verlenen van hulp met betrekking tot de geboorte of verwijdering van een vrucht van een dier, waaronder begrepen het verrichten van daarmede verband houdende operaties.