Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX6266

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
0370264812
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft twee anderen ertoe aangezet brand te stichten bij een woonwagen, door hen ieder een geldbedrag van 200 euro in het vooruitzicht te stellen. Ten tijde van de brandstichting lagen zes personen, onder wie vier kinderen, in de woonwagen te slapen. Hierdoor is niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar ontstaan. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij geen tekst en uitleg heeft willen geven over het motief van de brandstichting. Hierdoor leven de slachtoffers tot op de dag van vandaag in onzekerheid. Bovendien heeft verdachte anderen het vuile werk laten opknappen, om zo zelf uit beeld te blijven. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding de gevangenisstraf van twee jaren, die zij als uitgangspunt heeft genomen voor de brandstichters zelf, te verdubbelen.

Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702648-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard, Op de Geer 1.

Raadsman is mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen brand heeft gesticht in een woonwagen waardoor gevaar voor personen of goederen is ontstaan, dan wel dat hij anderen daartoe heeft uitgelokt.

Ten gevolge van een kennelijke verschrijving is in de tenlastelegging onder het subsidiaire feit, regel 4, vermeld ‘verdachte en/of zijn mededader’ in plaats van ‘zij’. De rechtbank herstelt deze verschrijving. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het medeplegen van verdachte van de brandstichting. Verdachte moet daarom van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. Volgens de officier van justitie kan het subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, in die zin dat verdachte de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2]) heeft uitgelokt om brand te stichten bij een woonwagen. Verdachte heeft [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] immers ieder 200 euro beloofd in ruil voor de brandstichting. Nu de woonwagen in kwestie een woonwagen betrof op een bewoond woonwagenkamp, kon verdachte weten dat er mensen in de buurt van de brand zouden zijn. Om deze reden was niet alleen gevaar voor goederen, maar tevens levensgevaar te duchten. Dit geldt te meer, nu ten tijde van de brandstichting zes personen in de woonwagen lagen te slapen. De officier van justitie verwijst voor de bewijsmiddelen in de eerste plaats naar de bekennende verklaring van [naam medeverdachte 1] bij de politie, waarin deze heeft verklaard dat verdachte de opdrachtgever was. Volgens de officier van justitie is deze verklaring geloofwaardig. Voorts verwijst de officier van justitie naar de verklaring van [naam medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris, de verklaring van getuige [naam getuige] en de aangifte van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1].

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde primaire en subsidiaire feit. Verdachte heeft immers alle betrokkenheid bij het aan hem ten laste gelegde ontkend en alleen [naam medeverdachte 1] heeft verdachte als de opdrachtgever aangewezen. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 1] hem heeft verteld dat verdachte de opdrachtgever is. Nu [naam medeverdachte 2] die informatie van [naam medeverdachte 1] heeft, is zijn verklaring geen zelfstandig bewijsmiddel. De raadsman acht ook de verklaringen bij de rechter-commissaris van getuige [naam getuige] op 28 juni 2012 en 11 juli 2012 onbetrouwbaar. Deze verklaringen van [naam getuige], de vriendin van [naam medeverdachte 1], komen op punten namelijk niet met elkaar overeen. De raadsman wijst er vervolgens op dat de verklaring van [naam medeverdachte 1] onbetrouwbaar is. Uit de verschillende verklaringen, die [naam medeverdachte 1] heeft afgelegd, volgen veel tegenstrijdigheden. Zo blijkt uit zijn verklaring op pagina 337 van het procesdossier dat [naam medeverdachte 1] een hele tijd samen met [naam medeverdachte 2] op één cel heeft gezeten. [naam medeverdachte 1] heeft echter in eerste instantie verklaard dat hij [naam medeverdachte 2] enkel bij het sporten in het Huis van Bewaring tegenkwam. De raadsman wijst er daarnaast op dat het telefoonverkeer tussen verdachte en [naam medeverdachte 1] geen afwijkend patroon vertoont op of rond de datum van de brandstichting. Het telefoonverkeer kan dan ook niet als belastend gelden voor verdachte, maar is eerder ontlastend. Uit deze gegevens volgt niet dat verdachte, anders dan [naam medeverdachte 1] heeft verklaard, op 20 augustus 2011 met [naam medeverdachte 1] heeft getelefoneerd. Uit deze gegevens volgt juist dat [naam medeverdachte 1] verdachte tweemaal heeft gebeld. Uit de GPS-gegevens van de bedrijfsauto van verdachte blijkt dat deze auto zich ten tijde van de brandstichting in Helmond bevond. Volgens [naam medeverdachte 1] is verdachte op 19 augustus 2011 met hem bij de woonwagen gaan kijken, maar op deze datum is juist weer geen telefonisch contact tussen hen geweest. Dit is volgens de raadsman maar een selectie van de discrepanties in de verklaringen van [naam medeverdachte 1].

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 20 augustus 2011, omstreeks 03:45 uur, werd via de meldkamer aan de politie doorgegeven dat er brand was op het adres [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht. Ter plaatse namen de verbalisanten waar dat het om een woonwagen ging. De bewoners hadden het vuur inmiddels geblust. Bewoner [naam benadeelde partij 2] en bewoonster [naam benadeelde partij 1] hebben verklaard dat zij en hun vier kinderen ten tijde van de brandstichting in de woonwagen lagen te slapen. [naam benadeelde partij 2] zag vlammen aan de achterzijde van de woonwagen ter hoogte van de kinderkamers. [naam benadeelde partij 1] zag een van de gordijnen in een slaapkamer branden en zag door de gaatjes in het rolluik dat het buiten brandde.

Uit sporenonderzoek volgt dat het perceel [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht een vrijstaande woonwagen op een woonwagenkamp betreft. Aan de linker- en de achterzijde van de woonwagen bevindt zich een stenen muur van ongeveer twee meter hoog. De kinderen van de bewoners lagen aan de achterzijde van de woonwagen te slapen. De woonwagen vertoonde op deze plek roetschade. Op het grasveld achter de woonwagen lag nabij de omheining een witte emmer met een geelkleurige vloeistof. Deze vloeistof reageerde tijdens een onderzoek positief op brandbevorderende stoffen. De conclusie uit het sporenonderzoek luidt dat aan de achterzijde van de woonwagen met behulp van een emmer een brandbevorderende vloeistof over de muur werd gegooid. Deze vloeistof kwam terecht op goederen nabij de woonwagen en werd ontstoken. De brandhaard bevond zich nabij de achtergevel van de woonwagen. Door het ontbreken van een andere brandoorzaak blijft brand als gevolg van het al dan niet opzettelijk inbrengen van vuur als enige brandoorzaak over. Door de aard en constructie van het gebouw was het gevaar voor uitbreiding van de brand aanwezig. Door de brand was gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten.

Op de aangetroffen emmer werd een dactyloscopisch spoor aangetroffen. Dit bleek afkomstig te zijn van [naam medeverdachte 1]. Uit onderzoek naar de inhoud van de emmer is gebleken dat er sprake was van twee verschillende vloeistoffen, waaronder de ontbrandbare vloeistof motorbenzine.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie iedere betrokkenheid bij de brandstichting ontkend.

De rechtbank dient nu te beoordelen of al dan niet sprake is van betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting op de [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht.

De rechtbank wijst in dit verband allereerst op de verklaring van [naam medeverdachte 1].

[naam medeverdachte 1] is op 10 januari 2011 aangehouden. Op 11 januari 2012 is hij door de politie verhoord over de brandstichting. Wanneer [naam medeverdachte 1] tijdens dit verhoor wordt voorgehouden dat er ten tijde van de brandstichting zes mensen in de woonwagen lagen te slapen, wordt hij zeer emotioneel en begint vervolgens spontaan te verklaren over de brand. Hij vertelt dat hij niet wist dat er mensen woonden in de woonwagen, omdat hem was verteld dat het een leegstand pand betrof. [naam medeverdachte 1] verklaart verder dat hij de brand samen met [naam medeverdachte 2] heeft gesticht en dat hij van “[naam verdachte]” opdracht heeft gekregen om de brand te stichten. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] ontvingen hiervoor elk 200 euro. Verdachte vertelt bovendien dat [naam verdachte] een paar dagen voor de brand bij hem thuis is geweest en dat hij toen in een Jeep reed.

De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam medeverdachte 1] betwist. De rechtbank acht genoemde verklaring van [naam medeverdachte 1] echter authentiek en geloofwaardig, nu [naam medeverdachte 1] deze direct heeft afgelegd nadat hij zich had gerealiseerd dat er zich mensen in de woonwagen bevonden op het moment dat hij en [naam medeverdachte 2] de brand stichtten. De inhoud van deze verklaring stemt ook overeen met de bevindingen van de politie. De rechtbank kent groot gewicht toe aan het feit dat [naam medeverdachte 1] in deze verklaring spontaan, zonder mogelijkheid tot beraad, de naam van verdachte heeft genoemd.

[naam medeverdachte 1] heeft in latere verklaringen ook openheid van zaken gegeven over de manier waarop er brand is gesticht bij de woonwagen. Samen met [naam medeverdachte 2] heeft hij benzine in een emmer gedaan, waarna [naam medeverdachte 1] de emmer over de muur bij het pand heeft gegooid. Volgens [naam medeverdachte 1] heeft [naam medeverdachte 2] vervolgens een brandend flikkersterretje over de muur gegooid. Deze verklaring van [naam medeverdachte 1] wordt bevestigd door de bevindingen van de politie in het hiervoor genoemde sporenonderzoek. Het Bureau Forensische Opsporing heeft bovendien gerelateerd dat een vuurwerkstokje, beter bekend als ‘vuurwerksterretje’, een absoluut deugdelijk middel is voor het tot ontbranding brengen vaneen brandbare vloeistof, gelet op de eigenschappen van de ontbranding van dit middel waarbij een open vuur ontstaat met zeer hoge temperaturen. De verklaring van [naam medeverdachte 1] over de wijze van brandstichten wordt bovendien bevestigd door de verklaring die [naam medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van [naam medeverdachte 1], afgelegd op 11 januari 2012, inhoudelijk wordt ondersteund door de eerste verklaring die getuige [naam getuige] heeft afgelegd. Getuige [naam getuige], de vriendin van [naam medeverdachte 1], is op 2 februari 2012 bij de politie gehoord. Op dat moment bevond [naam medeverdachte 1] zich in voorarrest en in beperkingen, zodat er na diens aanhouding geen contact meer mogelijk was met getuige [naam getuige]. De rechtbank constateert dat getuige [naam getuige] zich tijdens haar verhoor aanvankelijk op de vlakte houdt. Op het moment dat de politie haar confronteert met de verdenking tegen haar partner wordt zij echter emotioneel. Zij geeft daarbij aan dat [naam medeverdachte 1] nooit heeft geweten dat zich mensen in de woonwagen bevonden. Getuige [naam getuige] verklaart vervolgens dat verdachte de opdrachtgever is en dat [naam medeverdachte 1] en verdachte over de brand hebben gesproken. Tijdens een gesprek tussen [naam medeverdachte 1] en verdachte, enige tijd vóór de brand, heeft getuige [naam getuige] gehoord dat verdachte zei “dat die mensen op vakantie zijn en dat het nu moest gebeuren”. Getuige [naam getuige] verklaart voorts dat zij van [naam medeverdachte 1] heeft gehoord dat hij de brand samen met [naam medeverdachte 2] heeft gesticht. Getuige [naam getuige] heeft ten slotte verklaard dat verdachte reed in zowel een zilverkleurige stationwagon als in de Jeep van zijn vriendin. Volgens de getuige is dit een zwarte, dure Jeep met Duitse kentekenplaten en lederen bekleding.

De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [naam getuige] betwist.

De rechtbank acht deze eerste verklaring van getuige [naam getuige], afgelegd op een moment dat eventueel overleg met haar partner over de brand niet mogelijk was, wel betrouwbaar. Nu getuige [naam getuige] uit eigen waarneming over de betrokkenheid van verdachte heeft verklaard, is er geen sprake van een de auditu verklaring en kan deze verklaring als volwaardig steunbewijs voor de verklaring van [naam medeverdachte 1] worden gebruikt.

[naam medeverdachte 1] heeft in latere verhoren ook verklaard over de wijze waarop hij door verdachte is benaderd om brand te stichten bij de woonwagen. Volgens [naam medeverdachte 1] heeft verdachte hem een paar dagen voor de brandstichting benaderd om een klus voor hem te verrichten. [naam medeverdachte 1] heeft hierop [naam medeverdachte 2] benaderd.

[naam medeverdachte 1] heeft voorts nog verklaard dat hij op 18 augustus 2011 of op 19 augustus 2011, nadat verdachte hem had gebeld, met verdachte langs de in brand te steken woonwagen is gereden, waarbij verdachte hem de woonwagen heeft aangewezen. Verdachte reed op dat moment in een Jeep met witte leren bekleding. Volgens [naam medeverdachte 1] werd hij op 19 augustus 2011 omstreeks 21:00 of 22:00 uur weer door verdachte gebeld met de mededeling dat er “groen licht” was. Hierop heeft hij zich met [naam medeverdachte 2] richting de woonwagen begeven. Op 20 augustus 2011 heeft verdachte [naam medeverdachte 1] in de middag gebeld, waarna verdachte naar [naam medeverdachte 1] is toegekomen om hem het geld voor [naam medeverdachte 2] te geven. Zijn eigen beloning van 200 euro werd volgens [naam medeverdachte 1] verrekend met de schuld die hij bij verdachte had.

Uit het uitlezen van de telefoongegevens van [naam medeverdachte 1] is gebleken dat er herhaaldelijk telefonisch contact tussen hem en verdachte is geweest op woensdag 17 augustus 2011, vrijdag 19 augustus 2011 en zaterdag 20 augustus 2011. De telefooncontacten op 19 augustus 2011 (in het bijzonder de uitgaande gesprekken van verdachte naar [naam medeverdachte 1] om 20:45:45 uur en 21:59:20 uur) en 20 augustus 2011 ( om 14.57 en 15.43 uur) ondersteunen de verklaring van [naam medeverdachte 1] dat verdachte op deze dagen contact met hem heeft gehad om “groen licht” te geven voor de brand en om [naam medeverdachte 1] te treffen vanwege de uitbetaling. Op 18 augustus 2011 heeft er geen telefoonverkeer tussen verdachte en [naam medeverdachte 1] plaatsgevonden. [naam medeverdachte 1] kan zich echter niet meer precies herinneren of hij 18 augustus 2011 of op een andere dag met verdachte langs het in brand te steken pand is gereden. Dit betekent dus niet, zoals de raadsman stelt, dat de verklaringen van [naam medeverdachte 1] op dit punt onbetrouwbaar zijn. De GPS-gegevens van de bestelbus van verdachte doen hier evenmin aan af. Uit de GPS-gegevens van de bestelbus van verdachte, die tot zijn beschikking stond in het kader van zijn toenmalige dienstbetrekking en waarvan alleen verdachte de bestuurder was, volgt dat deze bestelbus op 18 augustus 2011 om 15:41 uur in Helmond was. Op 19 augustus om 02:38 uur is deze bestelbus weer vertrokken vanuit Helmond. De rechtbank is van oordeel dat deze tijdstippen niet uitsluiten dat verdachte in de tussenliggende periode, dus tussen 15.41 en 2.38 uur, vanuit Helmond naar Zuid-Limburg is gereden om vervolgens met [naam medeverdachte 1] naar de [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht te rijden. [naam medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat verdachte in een Jeep reed en dus inderdaad niet in een bestelbus. Bovendien acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat verdachte op een andere dag met [naam medeverdachte 1] naar de [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht is gereden, nu [naam medeverdachte 1] niet precies meet weet of dit op 18 augustus 2011 is geweest. De verweren van de raadsman op dit punt falen aldus.

Nu de rechtbank de verklaringen van [naam medeverdachte 2] niet voor het bewijs zal bezigen, komt zij aan een bespreking van het verweer van de raadsman omtrent de betrouwbaarheid van deze verklaringen niet toe.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk als opdrachtgever betrokken is geweest bij de brandstichting op [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht. Nu er echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] bij de brandstichting zelf, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair aan hem ten laste gelegde.

Gelet op de geloofwaardige verklaringen van [naam medeverdachte 1] en getuige [naam getuige] acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft uitgelokt dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] brand hebben gesticht bij de [adresgegevens benadeelde partijen] te Maastricht. Verdachte heeft aan ieder van hen daarvoor 200 euro beloofd en betaald, waarbij deze 200 euro voor wat betreft [naam medeverdachte 1] van diens schuld bij verdachte werd afgetrokken. Gelet op de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en het uitlezen van de telefoongegevens acht de rechtbank bovendien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [naam medeverdachte 1] heeft aangewezen om welke woonwagen het ging en dat verdachte opdracht heeft gegeven over het moment waarop de brand moest worden gesticht.

Het subsidiaire feit acht de rechtbank dus wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op 20 augustus 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met elkaar opzettelijk brand hebben gesticht aan een woonwagen gelegen aan de [adresgegevens benadeelde partijen], immers hebben zij toen aldaar opzettelijk benzine over die woonwagen gegoten/gegooid en vervolgens een vonkend voorwerp naar die woonwagen gegooid, ten gevolge waarvan brand is ontstaan aan die woonwagen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die gehele woonwagen en de zich daarin bevindende voorwerpen en inventaris en levensgevaar voor zes, zich in die woonwagen bevindende personen, te duchten was, welk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 1 juli 2011 tot en met 20 augustus 2011 in de gemeente Sittard-Geleen en in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft uitgelokt door beloften (betaling van 200 euro aan die [naam medeverdachte 1] en 200 euro aan diens mededader, waarbij voor [naam medeverdachte 1] die 200 euro zijn gebruikt voor aflossing van een schuld aan hem, verdachte) en door het verschaffen van inlichtingen (het aan die [naam medeverdachte 1] aanduiden om welke woonwagen het ging en opdracht aan die [naam medeverdachte 1] geven op welk moment de brand gesticht moest worden).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

uitlokken van het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de duur van het voorarrest van verdachte. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis rekening gehouden met de omstandigheid dat het uitlokken van brandstichting een zeer ernstig feit is. De officier van justitie is van mening dat in het nadeel van verdachte rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte niet over zijn motief heeft willen verklaren. De officier van justitie beschouwt de brandstichting daarom – van het ergste uitgaande – als een poging om een aanslag op iemands leven te doen en daarbij past deze eis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vrijspraak van de verdachte bepleit van het aan hem ten laste gelegde en heeft geen nader standpunt ter zake van de strafmaat ingenomen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft twee anderen ertoe aangezet brand te stichten bij een woonwagen, door hen ieder een geldbedrag van 200 euro in het vooruitzicht te stellen. Ten tijde van de brandstichting lag in de woonwagen een gezin van zes personen, onder wie vier kinderen, te slapen. Dat er bij deze brand enkel materiële schade is ontstaan, is een omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is. De brandstichting had aanzienlijk ernstiger gevolgen kunnen hebben.

Als het om brandstichting gaat, speelt de ernst van het feit een grote rol bij het bepalen van de strafsoort en -maat. Vanwege het gevaar dat een brand in een woning voor de bewoners of de omwonenden meebrengt, kan in principe niet anders gereageerd worden dan door het opleggen van een forse onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft bij het formuleren van de strafmaat ten aanzien van de uitvoerders van de brandstichting een gevangenisstraf van twee jaren als uitgangspunt genomen. Daarbij is ten voordele van beide brandstichters in aanmerking genomen dat zij (uiteindelijk) volledig openheid van zaken hebben gegeven.

Wat betreft de rol van verdachte, overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft, door opdracht aan anderen te geven om brand te stichten, erop aangestuurd dat het vuile werk door deze anderen werd opgeknapt, terwijl hij daarbij zelf buiten beeld bleef. Dat laatste is, totdat één van de brandstichters bij de politie is gaan praten, ook lange tijd gebeurd. Om die reden acht de rechtbank voor verdachte een fors zwaardere straf op zijn plaats dan voor de uitvoerders van de brandstichting.

Daarnaast rekent de rechtbank het verdachte zeer zwaar aan dat hij geen tekst en uitleg heeft willen geven over het hoe en waarom van de brandstichting. Hierdoor moeten de slachtoffers tot op de dag van vandaag gissen naar de reden waarom juist hun woonwagen in brand werd gestoken, met alle onzekerheid en angst van dien. Ter zitting is nog eens gebleken hoe angstaanjagend niet alleen de nacht van 20 augustus 2011 zelf voor de slachtoffers geweest is, maar ook hoe groot de onwetendheid en daarmee de angst bij hen is dat de daders wellicht nog een keer terug zullen komen om hun “werk af te maken”. Verdachte is degene die aan deze onzekerheid een einde had kunnen maken, maar heeft er om hem moverende reden vanaf gezien dat te doen. Ook in zoverre heeft verdachte dus een beduidend andere, en naar het oordeel van de rechtbank, nog veel kwalijker, rol gespeeld dan de brandstichters zelf. Ook dit gegeven dient zich te vertalen in een aanzienlijk zwaardere straf dan de straf die aan de brandstichters zelf zal worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaren voor verdachte als uitlokker van de brandstichting passend en geboden.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 7.986,00 ter zake van het aan verdachte ten laste gelegde feit, bestaande uit € 6.661,00 aan materiële schade en € 1.325,00 aan materiële schade. De benadeelde partij [naam benadeelde partij 1], echtgenote van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2], heeft een identieke vordering ingediend. Beide benadeelde partijen vorderen voorts vermeerdering van de vordering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen hebben ter terechtzitting verklaard dat zij in totaal éénmaal vergoeding van de materiële en immateriële schade vorderen en dat zij beiden een vordering daartoe hebben ingediend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van de materiële schade hoofdelijk toegewezen kunnen worden tot in totaal éénmaal de hoogte van het in de offerte – die bij de vordering is gevoegd – genoemde bedrag. De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende onderbouwd en verzet zich niet tegen een eventuele matiging door de rechtbank van de hoogte van de verzochte vergoeding. De gevorderde immateriële schade dient ook eenmaal volledig te worden toegewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de toegewezen bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens dient de schadevergoedingsmaatregel opgelegd te worden.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu hij de vrijspraak van verdachte heeft bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen gezamenlijk door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 6.661,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 1.325,00. De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partijen op beide posten bovendien voldoende onderbouwd en aldus voor toewijzing gereed, onder vermeerdering met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Gelet op de toelichting van de benadeelde partijen tijdens het onderzoek ter terechtzitting ziet de rechtbank aanleiding om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met dien verstande dat verdachte daartoe hoofdelijk zal worden veroordeeld.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Nu de vorderingen van [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 1] identiek zijn, zal de rechtbank bepalen dat verdachte, indien door hem dan wel door één van de andere verdachten aan één van de benadeelde partijen, te weten aan [naam benadeelde partij 2] of aan [naam benadeelde partij 1], de vordering is voldaan, hij jegens de andere benadeelde partij bevrijdend heeft betaald.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 46, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2], wonende te [adresgegevens benadeelde partijen], van een bedrag van € 7.986,= (zevenduizendnegenhonderdzesentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 20 augustus 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 74 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet

gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat verdachte, indien door hem dan wel door één van de andere verdachten aan één van de benadeelde partijen, te weten aan [naam benadeelde partij 2] of aan [naam benadeelde partij 1], de vordering is voldaan, hij jegens de andere benadeelde partij bevrijdend heeft betaald;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] van een bedrag van € 7.986,= (zevenduizendnegenhonderdzesentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 20 augustus 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken,tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 74 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat verdachte, indien door hem dan wel door één van de andere verdachten aan één van de benadeelde partijen, te weten aan [naam benadeelde partij 1] of aan [naam benadeelde partij 2], de vordering is voldaan, hij jegens de andere benadeelde partij bevrijdend heeft betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 augustus 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 augustus 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft

gesticht aan een woonwagen gelegen aan de [adresgegevens benadeelde partijen], immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk

benzine, in elk geval een brandbare stof, over die woonwagen gegoten/gegooid

en/of (vervolgens) een brandend en/of vonkend voorwerp naar/op die woonwagen

gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur en/of vonken in aanraking

gebracht met die met benzine, in elk geval met een brandbare stof,

overgoten/overgooide woonwagen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan die woonwagen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan aan die woonwagen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die gehele woonwagen en/of de zich daarin bevindende voorwerpen en/of

inventaris en/of belendende woonwagens en/of gebouwen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor zes, althans een of meer zich in die woonwagen bevindende

personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen te duchten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

[naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] op of omstreeks 20 augustus 2011 in de gemeente

Maastricht tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk

brand heeft/hebben gesticht aan een woonwagen gelegen aan de [adresgegevens benadeelde partijen], immers heeft/hebben zij toen aldaar opzettelijk

benzine, in elk geval een brandbare stof, over die woonwagen gegoten/gegooid

en/of (vervolgens) een brandend en/of vonkend voorwerp naar/op die woonwagen

gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur en/of vonken in aanraking

gebracht met die met benzine, in elk geval met een brandbare stof,

overgoten/overgooide woonwagen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan die woonwagen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan aan die woonwagen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

die gehele woonwagen en/of de zich daarin bevindende voorwerpen en/of

inventaris en/of belendende woonwagens en/of gebouwen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor zes, althans een of meer zich in die woonwagen bevindende

personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen te duchten was,

welk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 1 juli 2011 tot en met

20 augustus 2011 in de gemeente Sittard-Geleen en/of in de gemeente

Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk heeft

uitgelokt door giften en/of beloften (betaling van 200 euro aan die [naam medeverdachte 1] en

200 euro aan diens mededader, waarbij voor [naam medeverdachte 1] die 200 euro zijn gebruikt

voor aflossing van een schuld aan hem, verdachte) en/of door het verschaffen

van inlichtingen (het aan die [naam medeverdachte 1] en/of zijn mededader aanduiden om welke

woonwagen het ging en/of opdracht aan die [naam medeverdachte 1] en/of zijn mededader geven op

welk moment de brand gesticht moest worden);