Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX5790

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
03/700338-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplegging ISD maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700338-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsvrouw is mr. S.M. Kurvers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 april 2012 met geweld negen gouden colliers heeft gestolen toebehorende aan “CD juwelier”, waarbij verdachte een tablet met die colliers met kracht uit de handen van [benadeelde partij] heeft gegrist en/of heeft losgerukt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de diefstal van de negen gouden colliers wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft gewezen op de aangifte van [benadeelde partij], de verklaringen van de getuigen met betrekking tot de specifieke kenmerken van de ogen van verdachte, de ter terechtzitting getoonde camerabeelden waarop, volgens de officier van justitie, verdachte is te zien en de herkenning op de camerabeelden van verdachte door de verbalisanten. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte bij de diefstal van de colliers geweld heeft gebruikt, omdat daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat verdachte ontkent dat hij degene is die op de camerabeelden van de juwelier te zien is. Bij een bewezenverklaring is de raadsvrouw het eens met de officier van justitie dat er geen bewijs is dat verdachte bij de diefstal geweld zou hebben gebruikt. Ook de verbalisant die beschrijft wat er op de camerabeelden van de juwelier te zien is, heeft niet kunnen vaststellen dat er geweld is gebruikt.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Door [benadeelde partij] is aangifte gedaan van diefstal van negen gouden colliers uit de juwelierszaak genaamd “CD-juwelier” te Kerkrade op 21 april 2012. Omstreeks 14.30 uur zag [benadeelde partij] op de beelden van de bewakingscamera dat er iemand de zaak binnenkwam die een petje op zijn hoofd droeg. Wat haar aan deze persoon opviel was dat zijn rechteroog scheef stond. Hij had een zogenaamd “lui oog”. Deze persoon bleek geïnteresseerd in colliers die op een tablet lagen. Op een gegeven moment lukte het deze persoon om het tablet met colliers te bemachtigen en rende hij ermee de zaak uit.

De beelden van de bewakingscamera van de juwelierszaak zijn door een verbalisant bekeken en hiervan is proces-verbaal opgemaakt. De verbalisant relateert hierin dat hij ziet dat een hem onbekende jongeman op 21 april 2012 omstreeks 14.30 uur de hiervoor genoemde juwelierszaak binnenloopt. De man blijkt geïnteresseerd in sieraden die op een tableau liggen en raakt hierover in gesprek met een verkoopster. De verbalisant ziet dat de man op een bepaald moment met zijn beide handen een tableau van de toonbank graait en hiermee de winkel uitrent.

De bewuste camerabeelden werden ook bekeken door de verbalisanten van A. en D. Beiden herkenden de persoon op de beelden als de hen ambtshalve bekende verdachte [naam verdachte]. Van A. kent verdachte van diverse meldingen, het zien lopen over straat en de diverse keren dat verdachte met naam, toenaam en foto bij de politie op de briefing stond. D. kent verdachte van eerdere verhoren.

Ter terechtzitting heeft ook de rechtbank kennis genomen van de camerabeelden. De rechtbank heeft op deze beelden waargenomen dat een jongeman met een wit petje op zijn hoofd de juwelierswinkel binnenkomt en geïnteresseerd lijkt in de aankoop van een collier. Het gezicht van deze persoon is een aantal keren duidelijk zichtbaar in beeld, zowel frontaal als en profile. Op een bepaald moment is te zien dat deze persoon bij de toonbank staat dichtbij de uitgang van de winkel en dat hij naar voren leunt en aandachtig op het tableau met sieraden kijkt. Even later graait deze persoon het tableau met colliers van de toonbank en rent de zaak uit.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van een in het dossier aanwezige foto van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen twijfel over dat de persoon op de foto, verdachte dus, dezelfde persoon is die op de camerabeelden te zien is en ook door verbalisanten als zodanig herkend is kunnen worden. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder acht geslagen op het profiel van het gezicht, de haardracht en de ogen van verdachte.

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 april 2012 bij de juwelierszaak genaamd “CD juwelier” negen gouden colliers heeft gestolen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte daarbij geweld heeft gebruikt door het tableau met colliers met kracht uit de handen van [benadeelde partij] te grissen of los te rukken. De rechtbank overweegt daartoe dat zij dit, evenals de verbalisant die de beelden van de diefstal heeft bekeken, niet op de beelden van de bewakingscamera heeft kunnen waarnemen, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 21 april 2012 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen negen gouden colliers, toebehorende aan "CD juwelier".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaar. Daarnaast heeft zij gevorderd om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft er bij een bewezenverklaring voor gepleit om geen ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. De verdachte zou, zoals blijkt uit een aantekening op een detentieoverzicht waarover de raadsvrouw beschikt, al tijdens een eerdere detentie van ruim een jaar een soort ISD traject hebben gevolgd en dat heeft kennelijk niet geholpen. Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat oplegging van een gevangenisstraf naast de ISD-maatregel niet mogelijk is.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte is bij justitie bekend als een zeer actieve veelpleger. Dit blijkt ook uit het uitgebreide strafblad van verdachte. Uit het strafblad blijkt ook dat verdachte in het recente verleden meerdere keren is veroordeeld wegens het plegen van vermogensdelicten. Ook nu heeft verdachte weer een diefstal gepleegd. Deze keer heeft hij, zich voordoende als klant, een tableau met sieraden onder het oog van de verkoopster en klanten gestolen – een hondsbrutaal optreden. Dat de juwelier zijn sieraden heeft teruggekregen is niet op het conto van verdachte te schrijven, maar is enkel te danken aan de oplettendheid van omstanders die de buiten de winkel verloren colliers hebben opgeraapt en naar de winkel hebben teruggebracht. In het onderhavige geval blijkt uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer dat zij sinds dit voorval angstig, emotioneel, nerveus, onrustig en verward is en dat zij vooral bang is dat dit weer zal gebeuren. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat verdachte dit feit heeft gepleegd, terwijl hij nog in drie proeftijden liep van veroordelingen voor vermogensdelicten én in een proeftijd van een vervroegde invrijheidsstelling. De gedachte achter een proeftijd is dat de veroordeelde geen strafbare feiten meer pleegt, maar dat besef heeft verdachte duidelijk niet. De rechtbank houdt ook hiermee rekening bij de bepaling van de strafmaat.

Door de officier van justitie is oplegging van de ISD-maatregel gevorderd. De rechtbank kan tot oplegging van deze maatregel overgaan indien is voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 38m, eerste en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het gestelde in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht overweegt de rechtbank dat:

- verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal en dat dit een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

- uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 21 juni 2012 blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige feit minstens drie keer eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf en daarbij een gevangenisstraf heeft gekregen;

- het bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van de bovengenoemde straffen.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van voornoemde bepaling als volgt.

De reclassering schat in haar advies van 29 juni 2012 het recidiverisico als hoog in. Verder blijkt uit dit advies dat zich op diverse leefgebieden problemen voordoen: verdachte mist een daginvulling, heeft een slechte financiële situatie, kampt met verslavings- en psychische problematiek, geeft geen openheid over zijn sociale contacten en heeft een beperkt intelligentieniveau. Eerdere interventies van de reclassering zijn op niets uitgelopen vanwege de geringe motivatie van verdachte. De reclassering acht een strak juridisch kader van belang om het recidiverisico te kunnen verminderen en adviseert om de ISD-maatregel op te leggen.

In het kader van de voorgeleiding van verdachte is er door drs. E.M.M. Mol, psychiater, een kort rapport geschreven. De heer Mol is niet in de gelegenheid geweest om persoonlijk met verdachte te spreken, maar kent verdachte van een eerder consult en de inhoud van diverse rapportages die over verdachte zijn uitgebracht. De heer Mol komt tot de conclusie dat in de afgelopen vijf jaar sprake is van recidiverende delicten en dat diverse pogingen tot hulpverlening, waaronder een klinische opname, zijn mislukt. Uit eerder onderzoek is gebleken dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, van zwakbegaafdheid en van drugsproblematiek. Gezien de aard van het onderhavige feit en gelet op het feit dat er veel informatie over verdachte beschikbaar is, acht de heer Mol geen indicatie aanwezig om in de huidige strafzaak, ook niet indien de officier van justitie de ISD-maatregel zou vorderen, te laten rapporteren door een onafhankelijk deskundige.

De rechtbank is, mede gelet op de inhoud van deze rapportages, van oordeel dat een langdurige vrijheidsbenemende maatregel, die voortzetting van het criminele gedragspatroon onmogelijk maakt, geïndiceerd is om de nu zichtbare reeks van detenties en grensoverschrijdende gedragingen van verdachte te stoppen. Deze maatregel is nodig ter beveiliging van goederen van derden en is bedoeld om een dermate grote gedragsbeïnvloeding bij verdachte te bewerkstelligen dat hij in de toekomst niet verder recidiveert en hij, zonder het plegen van verdere strafbare feiten, kan terugkeren in de maatschappij. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte.

Het voorgaande brengt mee dat geheel is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel.

Nu bovendien de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangegeven dat er voor verdachte een plaats in een inrichting voor stelselmatige daders beschikbaar is, is de rechtbank van oordeel dat er alle aanleiding is voor oplegging van de ISD-maatregel. Daarbij heeft de rechtbank zich er rekenschap van gegeven dat de ISD-maatregel ultimum remedium is.

De rechtbank is van oordeel dat bij het bepalen van de duur van de maatregel geen rekening moet worden gehouden met de tijd door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Zij overweegt daartoe dat deelname aan het gehele traject gedurende een periode van twee jaar een noodzakelijke voorwaarde is om de gewenste resocialisatie van verdachte in de maatschappij te kunnen bewerkstelligen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank aan verdachte opleggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden en zal aldus beslissen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering van de officier van justitie om naast de ISD-maatregel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen het volgende. Uit een arrest van de Hoge Raad (HR 21 maart 2006, LJN AV1161) blijkt dat cumulatie van een vrijheidsstraf en ISD-maatregel niet is aanvaard. De rechtbank komt hier dan ook niet aan toe.

De raadsvrouw heeft als verweer gevoerd dat geen ISD-maatregel aan verdachte moet worden opgelegd, omdat verdachte tijdens een door hem ondergane detentie van ruim een jaar al een soort ISD-traject zou hebben doorlopen.

De rechtbank overweegt dat, zelfs als dit al het geval is geweest, waarvan de rechtbank overigens in het geheel niets is gebleken, dit niet afdoet aan het feit dat de rechtbank, zoals hiervoor uitgebreid is overwogen, oplegging van de ISD-maatregel thans een passende sanctie vindt.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 303,00. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding ter zake van materiële schade ten bedrage van € 53,00 en een vergoeding ter zake van immateriële schade ten bedrage van € 250,00.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering. De materiële schade is niet onderbouwd en de immateriële schade, bestaande uit gevoelens van angst bij de benadeelde partij, valt niet onder de reikwijdte van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank is van oordeel dat de schade van voornoemde benadeelde partij [benadeelde partij] een rechtstreeks gevolg is van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Zowel de materiële als de immateriële schade is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank de vordering integraal zal toewijzen. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting nog eens aan de rechtbank duidelijk gemaakt welke gevolgen het bewezen verklaarde voor haar heeft gehad en heeft haar gevoelens treffend weten te verwoorden. De benadeelde partij heeft haar huisarts moeten consulteren en is voor behandeling verwezen naar een psycholoog. De rechtbank zal verder de gevorderde wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

- beslist tot een tussentijdse toetsing van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en bepaalt de termijn, waarbinnen het openbaar ministerie de rechtbank daarover bericht, op 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], [adresgegevens benadeelde partij] van een bedrag van € 303,00 (driehonderdendrie euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 21 april 2012 tot aan de dag van volledige voldoening:

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2012;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [benadeelde partij] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2012.

Mr. J. Wöretshofer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 april 2012 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen negen, althans een of meer gouden colliers, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "CD juwelier", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een tablet met die colliers met kracht uit de handen van voornoemde [benadeelde partij] heeft gegrist en/of heeft losgerukt.