Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX5788

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
03/700330-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewezenverklaring vervoeren heroïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700330-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2012, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen 1500 gram heroïne heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander 1500 gram heroïne heeft vervoerd. De officier van justitie heeft gewezen op de bevindingen van de politie en op het feit dat is vastgesteld dat het om heroïne ging.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat op het moment dat de verbalisanten op grond van artikel 9 van de Opiumwet de uitlevering vorderden van verdovende middelen en vervolgens de auto waarin verdachte reed onderzochten op de aanwezigheid van drugs, er geen redelijk vermoeden bestond dat verdachte bepalingen van de Opiumwet had overtreden. De conclusie van de raadsman is dat het bewijs onrechtmatig is verkregen en de vondst van de 1500 gram heroïne van het bewijs moet worden uitgesloten.

Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de enkele omstandigheid dat de bijrijder gedurende een hele korte periode in de auto is geweest, onvoldoende is voor medeplegen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De verbalisanten H. en V. waren op 19 april 2012 in de gemeente Heerlen belast met surveillance in het kader van het project “Doen”. De doelstelling van dit project is om de dealeractiviteiten van drugsdealers met een (persoons-) gerichte repressieve aanpak te bestrijden. Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat de straathandel zich in hoofdzaak afspeelt in de onmiddellijke nabijheid van het NS-station in het centrum van deze gemeente. De kopers van harddrugs worden veelvuldig in het centrum opgehaald met een auto en de runners en dealers zijn veelal van Marokkaanse/Afrikaanse afkomst.

Op 19 april 2012 zagen de verbalisanten dat er een personenauto, voorzien van het kenteken [kentekengegevens], geparkeerd stond ter hoogte van de achteruitgang van het Heerlense station en zij zagen dat de bestuurder in de richting van de achteruitgang van de stationstunnel bleef kijken. De bestuurder had een Noord Afrikaans uiterlijk. Na raadpleging van het kentekenregister bleek de auto op naam te staan van [kentekenhouder] en tevens bleek dat [kentekenhouder] tientallen vermeldingen had in het systeem van de politie als verdachte bij handel en bezit van harddrugs. De verbalisanten zagen dat de bestuurder wegreed en zagen even later dat er naast de bestuurder een passagier zat. Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat het veelvuldig voorkomt dat runners/dealers klanten een stuk meenemen in de auto waarbij de deal in de auto plaatsvindt en de klant een paar straten verder weer wordt afgezet. De verbalisanten gaven hun bevindingen door aan andere verbalisanten die eveneens belast waren met surveillance in het kader van het project “Doen”.

Verbalisant S. werd door verbalisant H. op de hoogte gesteld van zijn bevindingen en hij zag dat in eerste instantie twee personen in de auto zaten. Even later kwam de auto hem tegemoet gereden en S. zag dat alleen nog de bestuurder in de auto zat. S. gaf de bestuurder een stopteken en na controle bleek verdachte de bestuurder van de auto te zijn.

Bij onderzoek in de auto waarin verdachte reed werd op de vloer voor de bijrijderstoel een plastic zak aangetroffen met daarin 1500 gram heroïne.

De op heroïne gelijkende stof uit partij I (goednummer 2067489 en SIN-nummer AAEF4854NL) en partij II (goednummer 2067490 en SIN-nummer AAEF4855 NL) werden aan een onderzoek onderworpen en reageerden telkens positief op de aanwezigheid van heroïne.

De heroïne werd vervolgens voor onderzoek gestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI) en het NFI stelde vast dat het om heroïne ging.

Gelet op het vorenstaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1500 gram heroïne heeft vervoerd. De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is van medeplegen, omdat daarvoor onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier voorhanden zijn en de rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsman het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de verbalisanten op basis van wat hun ambtshalve bekend was over de handel in drugs bij het NS-station in Heerlen, het feit dat de auto, waarin na later pas bleek verdachte reed, op naam stond van iemand die antecedenten had op het gebied van de Opiumwet en de door de verbalisanten gedane waarnemingen omtrent het gedrag van de bestuurder en de bijrijder, de verbalisanten het redelijk vermoeden konden hebben dat verdachte in de auto waarin hij reed, drugs vervoerde. Dit betekent dat de aanhouding van verdachte en het daarop volgend onderzoek in de auto als rechtmatig moet worden geoordeeld. Het verweer van de raadsman wordt aldus verworpen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 april 2012 in de gemeente Heerlen opzettelijk heeft vervoerd 1500 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij een bewezenverklaring gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Tevens dient er reclasseringstoezicht aan verdachte te worden opgelegd, zoals geadviseerd door de reclassering.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door het vervoeren van harddrugs daaraan heeft bijgedragen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). De rechtbank neemt als uitgangspunt de oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs, categorie ‘standaard’. Het oriëntatiepunt bij een hoeveelheid van 1000-1500 gram harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 tot 12 maanden.

Gelet op de bewezenverklaarde hoeveelheid van 1500 gram heroïne, neemt de rechtbank als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden.

De raadsman heeft ervoor gepleit dat in de lijn van de jurisprudentie van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch dit uitgangspunt moet worden gehalveerd, omdat er geen sprake is van uitvoer.

De rechtbank deelt deze mening van de raadsman niet, nu bedoelde jurisprudentie ziet op het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, waarvoor geen oriëntatiepunten beschikbaar zijn en dat door de wetgever als een minder ingrijpend strafbaar feit wordt beschouwd dan de in- en uitvoer van harddrugs. In het onderhavige geval gaat het echter over het vervoeren van een grote hoeveelheid harddrugs. De rechtbank beschouwt het vervoeren daarvan als een handeling die vergelijkbaar is met het over de landsgrenzen vervoeren van harddrugs, met name omdat deze handelingen plaatsvinden in Zuid-Limburg waar die grenzen steeds dichtbij zijn. Om deze reden is het genoemde oriëntatiepunt in dit geval van toepassing.

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden op zijn plaats. De rechtbank zal bepalen dat een deel groot 3 maanden voorwaardelijk is. De rechtbank beoogt met dit voorwaardelijk deel verdachte in de toekomst ervan te weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal niet, zoals door de reclassering is geadviseerd, reclasseringstoezicht opleggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en deelname aan de Arbeidsvaardigheden training. Het beeld dat de rechtbank van verdachte heeft gekregen tijdens het onderzoek ter terechtzitting, is een beeld van iemand die een weinig gemotiveerde indruk maakt om echt werk te maken van zijn toekomst. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte in detentie weliswaar vrijwillig heeft deelgenomen aan het TRA-traject, maar ook dat zijn inzet oppervlakkig was en hij niet echt actief deelnam en met enige regelmaat “de clown” uithing tijdens de bijeenkomsten. Daarnaast schat de reclassering in dat er extra inzet nodig zal zijn om verdachte voor de interventies te motiveren.

Het is aan verdachte zelf om te laten zien dat hij het doel van de straf heeft begrepen door in de proeftijd – en daarna – geen strafbare feiten meer te plegen.

6 Het beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen paspoort en het identiteitsbewijs zullen, zoals de officier van justitie ook heeft gevorderd, worden terug gegeven aan de rechtmatige eigenaar.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedrag.

De rechtbank zal hiervan echter de teruggave gelasten aan verdachte, omdat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verband is met het bewezen verklaarde feit, namelijk het vervoeren van harddrugs. Vanwege het ontbrekende verband is het geldbedrag niet vatbaar voor verbeurdverklaring, zoals bedoeld in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [kentekenhouder], geboren op [geboortegegevens kentekenhouder], van het in beslag genomen paspoort en identiteitsbewijs;

- gelast de teruggave aan verdachte voornoemd van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.166,90.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en mr. G.L.P. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 april 2012 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1500 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.