Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX5663

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
03-703700-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woningoverval. Onder feit 1 wordt bewezenverklaard: diefstal in vereniging door middel van geweld/bedreiging met geweld. Verdachte ontkende aan de overval te hebben deelgenomen.

Voorts wordt bewezenverklaard: het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA en cocaïne (feit 2). Het verweer van de raadsman dat van slechts twee pillen kan worden bewezen dat deze MDMA bevatten, wordt door de rechtbank verworpen.

Verdachte wordt vrijgesproken van de handel in synthetische drugs en cocaïne (feit 3).

Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703700-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juli 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 juli 2012, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen:

- [naam medeverdachte 1] met parketnummer 03/703573-11,

- [naam medeverdachte 2] met parketnummer 03/703597-11 en

- [naam medeverdachte 4] met parketnummer 03/700312-12.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: samen met anderen [naam slachtoffer] in zijn woning heeft beroofd, waarbij werden weggenomen: een personenauto, een portemonnee, een rijbewijs en bankpassen;

feit 2: samen met een ander of anderen opzettelijk 70,74 gram van een verboden synthetische drug en 38,16 gram cocaïne voorhanden heeft gehad;

feit 3: samen met een ander of anderen opzettelijk verboden synthetische drugs en cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht de ten laste gelegde overval wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe verwijst hij naar de aangifte van [naam slachtoffer], de medische verklaring omtrent diens letsel en de verklaringen van verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 4].

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de overval in de woning van [naam slachtoffer] is geweest. Hoewel hij heeft aangegeven dat hij tevoren niet wist dat er een overval zou worden gepleegd, maar meende dat ze in de woning van [naam slachtoffer] wiet gingen kopen, is hij toch strafrechtelijk aansprakelijk voor de overval, nu hij zich hiervan niet heeft gedistantieerd.

Hiertoe verwijst de officier van justitie naar diverse uitspraken van de Hoge Raad.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie acht het opzettelijk aanwezig hebben van 70,74 gram amfetamine en 36,24 gram cocaïne wettig en overtuigend bewezen, gelet op het aantreffen van deze middelen in de woning van verdachte.

Ten aanzien van feit 3

De officier van justitie acht de handel in amfetamine en cocaïne wettig en overtuigend bewezen, gelet op de observatie en de tapgesprekken.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van de overval op [naam slachtoffer] dient te worden vrijgesproken. Verdachte is niet voornemens geweest de overval te plegen en heeft het feit bovendien niet medegepleegd.

Over het beramen van de overval wordt door de betrokkenen totaal tegenstrijdig verklaard. Volgens [naam medeverdachte 1] zou sprake zijn van een overval, volgens [naam medeverdachte 2] van een inbraak en [naam medeverdachte 4] en verdachte verklaarden wiet te willen kopen. Bovendien blijkt in het geheel niet van voorbereidingshandelingen.

Over de gebeurtenissen tijdens de overval legt [naam medeverdachte 2] een voor verdachte belastende verklaring af. [naam medeverdachte 4] en verdachte verklaren hierover echter anders en [naam medeverdachte 1] was er naar eigen zeggen niet bij. Aangever [naam slachtoffer] heeft weliswaar verklaard over het jegens hem toegepaste geweld, maar hij plaatst de donkere man in de bijkeuken. Dat is de plek waarvan verdachte ook aangeeft dat hij er stond. Bovendien heeft verdachte geen buitenlands accent, zoals [naam slachtoffer] over de dader(s) heeft verklaard.

De buit van de overval is niet bij verdachte, maar grotendeels bij [naam medeverdachte 1] terechtgekomen. Verdachte en [naam medeverdachte 2] gingen weliswaar samen weg, doch verdachte ging naar huis, terwijl [naam medeverdachte 2] probeerde te pinnen met de bankpas van het slachtoffer. Verdachte heeft dus niet in de buit gedeeld.

Voorts voert de verdediging aan dat:

- [naam slachtoffer] drie personen heeft gezien en dat dit [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] geweest moeten zijn;

- het enkel zich niet distantiëren nimmer bewijs voor medeplegen kan zijn. Het is hooguit een aanwijzing;

- in geval van een bewezenverklaring een partiële vrijspraak van de diefstal van de auto dient te volgen, nu het oogmerk hierop ontbreekt. Ze waren immers op zoek naar geld.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging voert aan dat slechts van twee pillen is aangetoond dat deze MDMA bevatten. Van de andere pillen staat dat niet vast, nu niet duidelijk is of de onderzochte pillen naar hun uiterlijke verschijningsvorm overeenkwamen met de overige in de woning van verdachte aangetroffen pillen.

Gelet hierop verzoekt de verdediging om een partiële vrijspraak van feit 2.

Ten aanzien van feit 3

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen bewijs is voor het door verdachte dealen in synthetische drugs of cocaïne. De observatie waaruit blijkt van een kort contact met mensen in een auto levert geen enkel bewijs op. Voorts wordt in de taps gesproken over grammen, waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat het om wiet ging. Over de bestelling van m&m’s op pagina 946 van het dossier merkt de verdediging op dat niet vaststaat dat de levering is doorgegaan. De verdediging pleit dan ook voor een vrijspraak van feit 3.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Korte inleiding

In de nacht van 9 op 10 september 2011 werd [naam slachtoffer] in zijn woning te Gulpen overvallen. Na de overval ging men ervandoor in diens auto. Naar aanleiding van de melding van de overval bij de politie ging een politiepatrouille op weg naar de woning van [naam slachtoffer]. Onderweg zagen de verbalisanten de gestolen auto rijden, waarop ze de achtervolging inzetten. Uiteindelijk werd de auto bij de Nederlands-Duitse grens verlaten aangetroffen. Bij een zoekactie in de buurt werd [naam medeverdachte 1] liggend op zijn buik in de struiken van een voortuin gevonden. Hij had een portemonnee bij zich met daarin een rijbewijs op naam van [naam slachtoffer].

Het plan voor de overval/inbraak

Bij de politie verklaarde [naam medeverdachte 1] over het plan om bij [naam slachtoffer] in te breken. Hij verklaarde dat hij een dag voor de overval aan ([naam medeverdachte 2]) liet weten dat hij in financiële moeilijkheden verkeerde. Hierop opperde [naam medeverdachte 2] een idee om geld te krijgen. Hij vertelde over [naam slachtoffer]. Daar was veel geld te halen. [naam medeverdachte 1] stemde ermee in. Vervolgens belde [naam medeverdachte 2] met [naam verdachte], omdat [naam verdachte] dat al vaker had gedaan en beschikte over een auto. De dag erna kwam [naam verdachte] met de Marokkaan. [naam medeverdachte 2] vertelde aan [naam verdachte] en de Marokkaan wat de bedoeling was. [naam slachtoffer] zou niet thuis zijn. Ze wisten niet wat er van waarde in de woning was. Misschien was er wel contant geld. Er werd gezegd dat er mogelijk grotere bedragen aan geld waren.

Ook [naam medeverdachte 2] verklaarde over het plan om bij [naam slachtoffer] in te breken. Hij verklaarde dat [naam medeverdachte 1] en hij bij [naam slachtoffer] wilden inbreken en daarvoor vervoer nodig hadden. Hierop belde hij op 8 september 2011 met [naam verdachte]. Op 9 september 2011 kwam [naam verdachte] samen met [bijnaam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 2] vertelde tegen [naam verdachte] dat ze naar de woning van [naam slachtoffer] wilden gaan en dat de woning leeg was. Met z’n vieren, te weten [naam medeverdachte 1], [naam verdachte], [bijnaam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 2], gingen ze met de auto van [naam verdachte] naar de woning van [naam slachtoffer].

Ook [naam medeverdachte 4] verklaarde dat hij wist van het plan. Hij verklaarde dat hij door twee Oost-Europese jongens werd benaderd voor de overval. Er was geld te verdienen.

De uitvoering van de overval

Op 10 september 2011 deed aangever [naam slachtoffer] aangifte van een overval in zijn woning aan de [N.straat]te Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem. Hij verklaarde dat op 9 september 2011 tussen 23:00 uur en 24:00 uur plotseling drie personen in zijn woning waren. Hij zag dat de mannen bovenop hem sprongen, terwijl hij op een zitbank zat. Een van de mannen liet los, de anderen bleven op hem zitten. Een van de personen draaide het hoofd van [naam slachtoffer] weg, zodat hij hen niet kon zien. [naam slachtoffer] kon nagenoeg geen adem halen.

Een van de personen vroeg: ‘Waar is het geld?’ Er werd gezegd: ‘Wij hebben vanmiddag informatie gekregen dat je € 60.000,- in huis hebt, waar is kluis?’

[naam slachtoffer] zag dat een van de personen door de woonkamer liep en alle kasten en lades opende. Daarna werd door de personen naar zijn beurs, zijn pinpas en autosleutels gevraagd.

Op een gegeven moment werd [naam slachtoffer] bij zijn trui vastgepakt en meegesleept naar de bijkeuken. Er werd regelmatig naar zijn geld en pinpas gevraagd.

[naam slachtoffer] probeerde te vluchten. Even later werd hij weer vastgepakt en weggesleept naar de bijkeuken.

De benen en handen van [naam slachtoffer] werden met kabels bij elkaar gebonden. Hij werd met kracht op zijn hoofd en schouders geslagen. Verder voelde hij dat hij met kracht in zijn rug werd getrapt. Door het slaan en trappen voelde hij hevige pijn. Door een van de personen werd een stropdas gepakt. Deze werd om het hoofd van [naam slachtoffer] gebonden, kennelijk met als doel zijn mond te snoeren. Dit lukte niet goed. Hierop werd geprobeerd een andere doek in [naam slachtoffer]’ mond te duwen.

De personen drukten de handen van [naam slachtoffer] plat op de grond. Er werd gezegd: ‘Vertel waar het geld is of ik sla je vingers over.’ Hierbij wekte de persoon met de hamer in zijn hand de indruk dat hij met de hamer op de vingers van [naam slachtoffer] wilde slaan.

Vervolgens had een van de personen een broodmes in zijn handen. Deze persoon zette het broodmes op de keel van [naam slachtoffer]. De overvaller die het mes tegen zijn keel plaatste zei letterlijk: ‘Ik snijd je keel door als je niet zegt waar de kluis is.’

De personen hebben nog even in de woning gezocht, waarna zij de woning verlieten. Even later bleek dat de daders de auto van [naam slachtoffer] hadden weggenomen. [naam slachtoffer] vermoedt dat de beurs in zijn auto lag.

In zijn portemonnee zaten onder meer zijn rijbewijs, en diverse bankpassen van hem.

Aan de overval hield [naam slachtoffer] het volgende letsel over: een gebroken rib, een zwelling op het hoofd en enkele striemen op armen en benen.

[naam medeverdachte 2] verklaarde dat ze met z’n vieren, te weten [naam medeverdachte 1], [naam verdachte], [bijnaam medeverdachte 4] en hij, de woning van [naam slachtoffer] binnen gingen. Eerst doorzochten ze de keuken. [naam slachtoffer] merkte dat niet. Daarna hebben ze met vieren [naam slachtoffer] vastgepakt. Hij werd op de grond gelegd, waarbij hij door een van hen werd geslagen en geschopt.

[naam verdachte] bleef bij [naam slachtoffer]; [naam medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 2] gingen op zoek naar het geld. [naam verdachte], [bijnaam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 2] vroegen [naam slachtoffer] waar het geld was. [naam medeverdachte 2] heeft [naam slachtoffer] horen schreeuwen.

Op enig moment zette een van hen een mes op de keel van [naam slachtoffer] en vroeg hem waar het geld was. Daarna kwam dezelfde persoon met een hamer terug. Hij zei dat [naam slachtoffer] zijn handen op de grond moest leggen. Vervolgens werd met de hamer naast de vingers van [naam slachtoffer] geslagen. Ook werd een stropdas in de mond van [naam slachtoffer] gebonden, zodat hij niet kon schreeuwen. Daarna pakte een van hen een kabel. Hiermee werd [naam slachtoffer] vastgebonden met de handen op de rug.

Uiteindelijk besloten ze om weg te gaan. Buiten gaf [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 2] de pinpas van [naam slachtoffer]. Ook gaf [naam verdachte] de pincode. Ze hadden ook de autosleutel en een beurs gevonden.

Ze besloten dat [naam medeverdachte 1] met [bijnaam medeverdachte 4] in de auto van [naam slachtoffer] zou wegrijden en [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] in de auto van [naam verdachte]. Ze spraken dit af voordat ze de woning verlieten. [naam verdachte] reed vervolgens in zijn eigen auto en [bijnaam medeverdachte 4] in de auto van [naam slachtoffer].

Ook verdachte verklaarde dat ze op 9 september 2011 met z’n vieren, te weten [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 4] en hijzelf de woning van [naam slachtoffer] binnengingen.

[naam medeverdachte 4] heeft als getuige ter terechtzitting verklaard dat hij op 9 september 2011 samen met [naam verdachte] en de twee Oost-Europese jongens in de woning van [naam slachtoffer] is geweest.

Het vertrek

Verdachte verklaarde na de overval met [naam medeverdachte 2] te zijn weggereden. Hij zag de auto van [naam slachtoffer] langsrijden, waarin blijkbaar [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] zaten. [naam medeverdachte 2] zei dat verdachte erachteraan moest blijven rijden.

[naam medeverdachte 1] verklaarde dat hij na de overval bij de Marokkaan in een auto stapte. De Marokkaan zat achter het stuur. Dit was een andere auto dan de grijze stationcar waarmee ze naar [naam slachtoffer] reden. Tijdens het rijden moest [naam medeverdachte 1] van de Marokkaan in het handschoenenkastje kijken. Daarin zag hij onder meer een beurs liggen. De beurs stak hij vervolgens bij zich.

Getuige [naam getuige 2] verklaarde dat hij in de nacht van 10 september 2011 zag en hoorde dat de auto van de buurman [naam slachtoffer] werd gestart. Hij zag dat het bijrijderportier werd geopend en de binnenverlichting aanging. Hij zag dat er twee mensen in de auto zaten. Een derde persoon stond op straat bij het geopende bijrijderportier. De auto reed weg en die derde persoon liep de berg omhoog.

Op zaterdag 10 september 2011 om 00:11 uur kregen de verbalisanten [F] en [H] de opdracht om te rijden naar de [N.straat]te Gulpen, waar zojuist een overval had plaatsgevonden. De daders waren gevlucht in de auto van het slachtoffer, merk/type Renault Espace met kenteken [xx-xx-xx].

Ter hoogte van de rotonde Randweg – Lemierserberg – Maastrichterlaan te Vaals zagen de verbalisanten dat vanuit de richting van de Lemierserberg een groene Renault Espace met voornoemd kenteken de rotonde opreed. In de Renault zagen ze twee personen zitten.

De verbalisanten reden achter de Renault aan en gaven een stopteken. De Renault ging er vandoor. Uiteindelijk reed de Renault de doodlopende Akenerstraat te Vaals in. De auto werd stilstaand tegen de aldaar op de weg geplaatste betonnen paaltjes, de grens tussen Duitsland en Nederland, aangetroffen.

De inzittenden van de Renault waren Duitsland ingevlucht. Een persoon vertelde dat een dader – de bijrijder – in de richting van de Pungelerstrasse was weggerend.

Nadat een andere eenheid ter plaatse was gekomen, werd begonnen met de zoektocht naar de mogelijke verdachten.

Omstreeks 00:30 uur troffen zij in de voortuin van perceel Pungelerstrasse een verdachte aan die werd aangehouden en overgedragen aan de Duitse politie. Deze verdachte bleek te zijn [naam medeverdachte 1], geboren [geboortegegevens] in Hongarije. Tijdens de veiligheidsfouillering werd door een verbalisant in het shirt van [naam medeverdachte 1] een portemonnee aangetroffen met daarin een rijbewijs op naam van de heer [naam slachtoffer].

Conclusie

Op grond van hetgeen is vermeld onder het kopje ‘het plan voor de overval/inbraak’ is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 4], voordat zij bij de woning van [naam slachtoffer] waren aangekomen, op de hoogte waren van het plan van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] om in die woning in te breken. De verklaring van verdachte dat hij er eerst in de woning van [naam slachtoffer] achterkwam dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] wilden inbreken, dan wel een overval wilden plegen, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Voorts is de rechtbank op grond van hetgeen is vermeld onder het kopje ‘de uitvoering van de overval’ van oordeel dat verdachte samen met de medeverdachten [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] de woning van [naam slachtoffer] is binnengegaan. Daar zijn ze gezamenlijk op [naam slachtoffer] gesprongen en is door een aantal personen de woning doorzocht. Tijdens het doorzoeken van de woning werd tegen [naam slachtoffer] geweld gebruikt en werd met geweld gedreigd.

Uiteindelijk is het viertal er gezamenlijk vandoor gegaan, waarbij verdachte en [naam medeverdachte 2] vertrokken in verdachtes auto en [naam medeverdachte 1] en verdachte vertrokken in de auto van [naam slachtoffer].

De verdediging heeft nog aangevoerd dat [naam slachtoffer] heeft verklaard dat hij de donkere man, zijnde verdachte, in de bijkeuken heeft gezien, hetgeen overeen zou komen met de verklaring van verdachte zelf en hetgeen de verklaring van verdachte zou staven. Indien het klopt [naam slachtoffer] verdachte aldaar heeft gezien, dan was dit, zo bijkt uit de verklaring van [naam slachtoffer], nádat de overvallers op [naam slachtoffer] zijn gesprongen, nadat tegen [naam slachtoffer] is gezegd dat ze wisten dat hij € 60.000,- zou hebben, nadat zijn woning deels werd doorzocht en nadat ze hem naar de bijkeuken hadden gesleept. Dit komt dus geenszins overeen met de verklaring van verdachte dat hij op dat moment al was vertrokken.

De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 juli 2012, dat hij zich van de overval heeft gedistantieerd door weg te gaan. De rechtbank merkt daartoe nog het volgende op.

Weliswaar heeft [naam slachtoffer] verklaard dat hij slechts drie overvallers heeft waargenomen, doch naar het oordeel van de rechtbank sluit dit geenszins uit dat ze met vier personen naar binnen zijn gegaan en met vieren op [naam slachtoffer] zijn gesprongen, zoals [naam medeverdachte 2] heeft verklaard.

Dat verdachte mogelijk niet in de buit heeft gedeeld, heeft naar het oordeel van de rechtbank meer te maken met het feit dat de politie snel in actie kwam en [naam medeverdachte 1] heeft kunnen aanhouden, waarbij een groot deel van de buit werd gevonden, dan dat verdachte niet aan de overval zou hebben deelgenomen.

Gelet op het plan van de inbraak waarvan verdachte en zijn medeverdachten wisten voordat ze bij de woning van [naam slachtoffer] aankwamen, gelet op de gezamenlijke uitvoering door samen naar binnen te gaan, samen op [naam slachtoffer] te springen en samen de woning te doorzoeken, alsmede gelet op het gezamenlijke vertrek, waarbij de auto van [naam slachtoffer] en diverse andere goederen werden meegenomen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van medeplegen van de overval door [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 4] en verdachte. Er is immers sprake geweest van een gezamenlijk plan en een gezamenlijke uitvoering. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk geworden dat een van de verdachten zich van de overval heeft gedistantieerd.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Op 9 november 2011 vond in perceel [K.laan] te Roermond, bewoond door verdachte [naam verdachte], een doorzoeking ter aanhouding en inbeslagneming plaats. Inbeslaggenomen werden onder meer een plastic zakje met pillen en diverse zakjes met poeder.

Uit onderzoek is gebleken dat het onder meer ging om bruto 70,74 gram pillen die MDMA bevatten en om bruto 35,84 gram cocaïne.

Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen verdovende middelen van hem waren. Hij had XTC-pillen in huis, alsmede cocaïne.

De raadsman heeft aangevoerd dat slechts van de twee onderzochte pillen vaststaat dat deze MDMA bevatten. De rechtbank deelt deze mening niet. Uit het proces-verbaal doorzoeking woning blijkt immers dat het gaat om een partij pillen uit één zakje. Er is geen reden om te veronderstellen dat het niet om soortgelijke pillen gaat. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij een zakje XTC-pillen in huis had. Hij verklaarde niet over verschillende partijen.

Ten aanzien van feit 3

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van de handel in synthetische drugs en cocaïne. De door de officier van justitie aangehaalde observatie en taps zijn voor velerlei uitleg vatbaar, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat verdachte de ten laste gelegde verdovende middelen heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig gehad.

De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

in de periode van 9 september 2011 tot en met 10 september 2011 in de gemeente Gulpen-Wittem tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk/type Renault Espace) en een portemonnee en een rijbewijs en bankpassen, toebehorende aan [naam slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- op die [naam slachtoffer] is gesprongen, terwijl deze op een zitbank zat en

- het hoofd van die [naam slachtoffer] heeft weggedraaid en

- aan die [naam slachtoffer] heeft gevraagd waar geld en een kluis zijn en daarbij heeft toegevoegd dat er informatie zou zijn dat er 60.000 euro in een kluis zou liggen en

- die [naam slachtoffer] aan een trui heeft vastgepakt en meegesleept en

- die [naam slachtoffer] heeft vastgebonden en

- die [naam slachtoffer] meermalen tegen het lichaam heeft getrapt en

- doende is geweest om met een stropdas en een tot een prop gewikkelde doek die [naam slachtoffer] de mond te snoeren en

- met een hamer in de hand die [naam slachtoffer] heeft toegevoegd dat hij moet vertellen waar het geld is omdat anders zijn vingers worden overgeslagen en

- die [naam slachtoffer] een (brood)mes op de keel heeft gezet en daarbij heeft toegevoegd "ik snijd je de keel door als je niet zegt waar de kluis is";

feit 2

op 9 november 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,74 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en ongeveer 35,84 gram cocaïne telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Hiertoe verwijst hij naar de ernst van de overval waarbij het slachtoffer een rib heeft gebroken en waarbij is gedreigd met een hamer en een mes. Vanwege de feiten 2 en 3 eist hij een hogere straf dan de gevangenisstraf van drieënhalf jaar die hij tegen de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] heeft gevorderd.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging brengt naar voren dat het oriëntatiepunt van het LOVS voor een woningoverval een gevangenisstraf van drie jaren is. Gelet daarop verzoekt de verdediging niet boven een gevangenisstraf van drieënhalf jaar uit te gaan.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft samen met drie mededaders een man overvallen in zijn woning. Dit betreft een zeer ernstig strafbaar feit. De impact van een dergelijk misdrijf op een slachtoffer is erg groot. Je wordt immers overvallen in je eigen woning, de plek waar je je bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Het is dan ook een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daarvan langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Bovendien vergroten dergelijke misdrijven het gevoel van onveiligheid in de samenleving.

Verdachte en zijn mededaders handelden uit financieel gewin.

Voorts heeft verdachte opzettelijk ongeveer 70,74 gram MDMA en ongeveer 35,84 gram cocaïne in zijn woning aanwezig gehad.

Bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat zoekt de rechtbank, indien beschikbaar, aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS.

Het oriëntatiepunt voor een overval op een woning met licht geweld/bedreiging is een gevangenisstraf van drie jaar. De definitie van licht geweld is een enkele ruk/duw zonder noemenswaardig letsel. Voor de bewezenverklaarde overval neemt de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

De rechtbank acht strafverzwarend dat:

- verdachte en zijn mededaders met meerdere personen tegelijk op het slachtoffer zijn gesprongen;

- het slachtoffer meermalen tegen het lichaam werd getrapt en

- het slachtoffer aan de overval een gebroken rib heeft overgehouden;

- toen bleek dat er iemand in de woning was verdachte er niet voor terugdeinsde om geweld tegen deze persoon te gebruiken, ondanks dat was afgesproken dat het “alleen” om een simpele diefstal zou gaan.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voor de overval een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op zijn plaats.

Voor het aanwezig hebben van ruim 100 gram harddrugs bestaat geen oriëntatiepunt van het LOVS. De rechtbank acht hiervoor een gevangenisstraf van zes weken passend.

De rechtbank zal aan verdachte voor de feiten 1 en 2 een gevangenisstraf van vier jaren en zes weken opleggen. Zij is dan ook van oordeel dat de straf die de officier van justitie heeft gevorderd (voor de feiten 1, 2 en 3) onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.

6 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 7.747,-, bestaande uit de posten: auto, fysiotherapie en CZ. De post ‘fysiotherapie’ wordt onderbouwd met een factuur van € 77,- van Osteopathie [S]. De post ‘CZ’ wordt onderbouwd met de polis 2011 van CZ met daarop de mededeling dat er sprake is van eigen risico van € 170,-. De post ‘auto’ is niet met stukken onderbouwd.

De officier van justitie vordert de toewijzing van de kosten voor fysiotherapie en CZ, alsmede de toewijzing van een voorschot van € 1.500,- voor de auto. De officier van justitie vordert voorts dat de schade hoofdelijk wordt toegewezen en dat de schadevergoedings-maatregel wordt opgelegd.

De verdediging verzoekt – in het geval van een bewezenverklaring van feit 1 – de post ‘auto’ ter grootte van € 7.500,- af te wijzen, dan wel de benadeelde partij in haar vordering ten aanzien van die post niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe wordt aangevoerd dat de vordering niet helder is. Bovendien heeft nader onderzoek op de website autorunner.nl de verdediging geleerd dat de waarde van een soortgelijke auto slechts € 1.450,- zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van rechtstreekse schade door het bewezenverklaarde feit. Nu de hoogte van de schade van de posten ‘fysiotherapie’ en ‘CZ’ niet door de verdediging is betwist en het de rechtbank onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, stelt de rechtbank dit schadebedrag zonder meer vast. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 247,- dan ook toe.

Ten aanzien van de post ‘auto’ overweegt de rechtbank het volgende. Door de benadeelde partij is het gevorderde bedrag van € 7.500,- voor de auto niet met stukken onderbouwd. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij aanvankelijk hulp van Slachtofferhulp Nederland wenste, doch zijn afspraken met deze instantie niet nakwam. Vervolgens heeft hij laten weten geen ondersteuning (meer) van Slachtofferhulp Nederland te wensen. Dat is spijtig, omdat Slachtofferhulp Nederland hem had kunnen wijzen op het gebrek aan onderbouwing van zijn vordering. Het onderzoek ter terechtzitting is nog onderbroken om de benadeelde partij de vordering nader te laten onderbouwen. Dit is echter niet meer gelukt. Het schorsen van het onderzoek ter terechtzitting teneinde de benadeelde partij nogmaals in de gelegenheid te stellen zijn vordering te onderbouwen zou een mogelijkheid zijn geweest. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren voor de gedetineerde verdachte. Hierbij houdt de rechtbank er rekening mee dat de benadeelde partij voor aanvang van de inhoudelijke zitting voldoende in de gelegenheid is geweest zijn vordering met stukken te onderbouwen. Ten aanzien van de post ‘auto’ zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel toewijzen voor een bedrag van € 247,-, nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Zowel de schadevergoeding aan de benadeelde partij als ook de schademaatregel zullen hoofdelijk worden opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 4 jaren en 6 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], te betalen een bedrag van € 247,- (zegge: tweehonderdzevenenveertig euro);

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] het bedrag van € 247,- (zegge: tweehonderdzevenenveertig euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. C.M.J. van den Acker en mr. A.M.A. Eijck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 juli 2012.

Buiten staat

Mr. A.M.A. Eijck is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met 10 september 2011 in de gemeente Gulpen-Wittem, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk/type Renault Espace) en/of een portemonnee en/of een rijbewijs en/of een of meer bankpas(sen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- op die [naam slachtoffer] is gesprongen, terwijl deze op een zitbank zat en/of (vervolgens)

- het hoofd van die [naam slachtoffer] (met kracht) heeft weggedraaid en/of (vervolgens)

- aan die [naam slachtoffer] heeft gevraagd waar geld en een kluis zijn en daarbij heeft toegevoegd dat er informatie zou zijn dat er 60.000 euro in een kluis zou liggen en/of (vervolgens)

- die [naam slachtoffer] (met kracht) aan een trui heeft vastgepakt en/of (vervolgens) meegesleept en/of (vervolgens)

- die [naam slachtoffer] heeft vastgebonden en/of (vervolgens)

- die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of tegen de schouders althans tegen het lichaam heeft getrapt en/of (vervolgens)

- doende is geweest om met een stropdas en een tot een prop gewikkelde doek die [naam slachtoffer] de mond te snoeren en/of (vervolgens)

- met een hamer in de hand die [naam slachtoffer] heeft toegevoegd dat hij moet vertellen waar het geld is omdat anders zijn vingers worden overgeslagen en/of (vervolgens)

- die [naam slachtoffer] een (brood)mes op de keel heeft gezet en daarbij heeft toegevoegd "ik snijd je de keel door als je niet zegt waar de kluis is", of woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2

hij op of omstreeks 09 november 2011 in de gemeente Roermond, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,74 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en amfetamine en/of ongeveer 38,16 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (telkens) (een) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 3

hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2011 tot en met 9 november 2011 in de gemeente Roermond, althans in het arrondissement Maastricht en/of Roermond, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA (=MDEA) en amfetamine en/of een hoeveelheid cocaïne (telkens) (een) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.