Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX5137

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
03/700101-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorbereiding van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet en overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Verdachte wist dan wel had ernstige reden om te vermoeden dat de in de door hem gehuurde loods aangetroffen voorwerpen en stoffen bestemd waren voor de productie van synthetische harddrugs. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700101-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard, Op de Geer 1.

Raadsman is mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met anderen voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of moest vermoeden dat die bestemd waren voor de productie en/of handel in synthetische harddrugs;

Feit 2: een wapen van categorie III voorhanden heeft gehad;

Feit 3: een wapen van categorie I voorhanden heeft gehad.

Tengevolge van een kennelijke verschrijving is in de tenlastelegging onder feit 2 vermeld ‘inscriptie [M]’ in plaats van ‘inscriptie [M]’. Voorts is tengevolge van een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging onder feit 3 vermeld ‘tweede lid’ in plaats van ‘eerste lid’. De rechtbank herstelt deze verschrijvingen. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte, dat de voorwerpen in zijn loods en de wapens in zijn woning van een vriend zijn, ongeloofwaardig. Verdachte heeft die verklaring eerst ter terechtzitting afgelegd, nadat hij zich al zes maanden op zijn zwijgrecht had beroepen. Verdachte weigert de naam van die vriend te noemen en heeft aldus zijn verklaring onvoldoende onderbouwd. De officier van justitie verwijst ter zake van feit 1 naar de CIE-melding en de voorwerpen en stoffen die naar aanleiding van deze melding door de politie in de loods van verdachte zijn aangetroffen. Het betreft goederen die oorspronkelijk niet bestemd zijn voor particulier gebruik. Voorts verwijst de officier van justitie naar de bevindingen van het LFO, waaruit volgt dat de aangetroffen goederen in gezamelijkheid typisch goederen zijn die gebruikt worden ten behoeve van de productie van synthetische drugs. In de woning van verdachte en in zijn auto zijn aantekeningen en allerhande informatie gevonden over de benodigdheden voor de productie van synthetische drugs. Ten slotte wijst de officier van justitie op de resultaten van het NFI-onderzoek. Hieruit volgt dat er in de loods van verdachte grote hoeveelheden microcellulose zijn aangetroffen, een stof die gebruikt wordt bij de productie van XTC-tabletten. Daarnaast is ook MDMA aangetroffen op een van de machines in de loods van verdachte.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie er op gewezen dat ook als verdachte de code van de kluis niet wist, hij de wapens die er in werden bewaard voorhanden heeft gehad, nu de kluis in zijn woning stond.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3.

Voor wat betreft feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat niet is gebleken dat er tijdens de gehele ten laste gelegde periode voorwerpen en/of stoffen in de loods aanwezig waren die vallen onder feit 1. De raadsman verwijst naar de meteropnames die getuige [naam getuige 1] eens per maand heeft uitgevoerd. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij de door de politie aangetroffen goederen niet eerder in de loods heeft gezien. Bij verdachte ontbrak de opzet op het onder feit 1 ten laste gelegde. Verdachte is leverancier van growshopartikelen voor de hennepteelt. Onder deze omstandigheid is het voorstelbaar dat verdachte niet wist dat de opslag van de aangetroffen voorwerpen anders was. Voorts kan volgens de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat er sprake was van medeplegen.

De raadsman wijst er op dat de tabletteermachine niet gebruiksklaar was, nu er een aantal stempels ontbrak. De aangetroffen microcellulose is enkel een algemene hulp- en vulstof en geen stof in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De raadsman voert vervolgens aan dat verdachte niet als heer en meester over de goederen in zijn loods kon beschikken.

Niet is vastgesteld dat de in de woning van verdachte aangetroffen aantekeningen ook daadwerkelijk van verdachte zijn. Nu onbekend is welke aantekeningen in de auto van verdachte zijn aangetroffen, kan hieraan geen betekenis worden toegekend.

Voor wat betreft de feiten 2 en 3 heeft de raadsman aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld of verdachte op de ten laste gelegde datum toegang had tot de kluizen in zijn woning, nu hij de codes van de kluizen niet wist. De verklaring van verdachte over de wapens wordt niet door de inhoud van het procesdossier weerlegd. De raadsman verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2011 (LJN-nummer BQ3804). Er is niet gebleken van enige wetenschap van verdachte, noch van dacty- of DNA-sporen van verdachte op deze wapens. De raadsman verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 november 1998 (LJN-nummer ZD1403). Ten slotte wijst de raadsman er op dat nu de magazijnhouder ontbrak het pistool niet gebruiksklaar was.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

In januari 2012 heeft de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) van de regiopolitie Limburg-Zuid een melding ontvangen over een tabletteerinrichting in een loods op het adres [adres].

Bevindingen van de politie, het LFO en het NFI

Naar aanleiding van deze CIE-informatie is de politie naar deze loods gegaan en heeft daar op 10 februari 2012 twee tabletteermachines, een mixer, een granuleermachine (typeYK 60 Wobble granulation machine, datum 2010.12), een doos met wit poeder en zeven blauwe plastic vaten met daarin een plastic zak van 25 kilogram wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. De tabletteermachine was afgedekt met een laken. De overige machines stonden verpakt in de loods en waren omringd door dozen en blauwe plastic vaten. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij de eigenaar van de loods is en dat hij deze heeft verhuurd aan verdachte. Vervolgens werd de woning van verdachte aan de [adres]te [plaats] door de politie doorzocht. In deze woning werd in de woonkamer, op de eettafel, een plastic zakje van de Mediamarkt aangetroffen. Daarin zaten diverse documenten aangaande de aangetroffen goederen in de loods. Op zolder stond op een bureau een kleine, afgesloten kluis. In deze kluis werden een op een pistool gelijkend voorwerp en een op een geluiddemper gelijkend voorwerp aangetroffen.

De documenten die zijn aangetroffen in het plastic zakje van de Mediamarkt zijn onderzocht door de politie. Deze zagen onder meer op tabletteermachines en granuleermachines soortgelijk aan die welke in de loods werden aangetroffen, alsmede op diverse types en prijzen tabletteermachines en mixers, diverse types en hoeveelheden grondstoffen om tabletten te drukken, kleurstoffen en vormen van tabletten. Voorts heeft de politie gerelateerd dat op 13 februari 2012 de personenauto op naam van verdachte in beslag werd genomen. In deze auto werd een kladblok aangetroffen met persoonlijke aantekeningen. Uit onderzoek aan de externe harde schijf en de laptop van verdachte bleek dat er onder meer de volgende zoekopdrachten waren gebruikt: “laboratoria chemische vaten”, “protocoll physikalisch” en “chemical structure”.

De in de loods van verdachte aangetroffen goederen en stoffen zijn onderzocht door het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, Unit dieptespecialisme & Innovatie, Team Forensische Opsporing, groep Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (hierna: LFO). Van de blauwe kunststof vaten waren diverse originele etiketten verwijderd, hetgeen volgens de LFO zeer kenmerkend is en vaak gezien wordt bij chemicaliën of stoffen die gebruikt worden ten behoeve van drugsproductie, zulks ter voorkoming van terugzoeken naar de leverancier van deze stoffen. De vaten en de kartonnen doos hadden identiek dezelfde inhoud, zeer fijn wit poeder. Hiervan zijn monsters genomen. Op de aangetroffen machines, die zoveel mogelijk waren schoongemaakt, werden nog zichtbare gebruikssporen aangetroffen, waaronder geel poeder in en nabij het beschermhuis van de motor van de industriële schud zeefmachine (wobble granulation machine, december 2010). Ook dit gele poeder werd bemonsterd. De tabletteermachine was - met uitzondering van de verwijderde stempels - productiegereed voor het fabriceren van 13.000 tabletten per uur. Alle aangetroffen machines waren voorzien van niet originele en niet industriële aansluitingen (stekkers) in plaats van een industriële vaste elektrische aansluiting.

Gelet op deze bevindingen is volgens de LFO sprake van duidelijke betrokkenheid met het voorhanden hebben van MDMA-productiematerialen waarmee MDMA-poeder en MDMA-pillen geproduceerd kunnen worden en mogelijk ook al zijn. De aangetroffen goederen wekten bij de LFO de indruk grondig schoongemaakt te zijn en evengoed gebruikssporen te vertonen. Bovenstaande duidt volgens de LFO op grootschalige productie van en/of handel in vermoedelijk MDMA-tabletten. De genoemde goederen zijn in gezamenlijkheid typische goederen die door de LFO aangetroffen worden op locaties waar MDMA vervaardigd of bewerkt wordt. De genoemde goederen en de gezamenlijkheid sluiten volgens de LFO ‘normaal’ huishoudelijk of bedrijfsmatig gebruik uit.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft de monsters, die het LFO heeft genomen, onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat het gele poeder uit de granuleermachine MDMA bevat. De monsters van het witte poeder uit de blauwe vaten en de doos bevatten microcellulose. Microcellulose is een algemene hulp- en vulstof die gebruikt kan worden bij het maken van tabletten.

Verklaringen van de verdachte

Bij de politie heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte een uitgebreide verklaring afgelegd. Een vriend had aan hem gevraagd of hij namens iemand anders wat goederen in zijn loods mocht opslaan. Het zou gaan om een tabletteerinrichting, die niet strafbaar was zolang deze niet in werking was. Via zijn vriend heeft verdachte telefonisch contact gehad met de persoon in wiens opdracht de goederen waren gestald. Deze persoon heeft ook tegen verdachte gezegd dat de inrichting niet strafbaar was. Verdachte wil de naam van zijn vriend niet noemen. Deze vriend is dezelfde persoon die de kleine kluis in het huis van verdachte heeft achtergelaten, nadat hij daar enige tijd had gelogeerd. Toen zijn vriend woonruimte had gevonden, heeft hij aan verdachte gevraagd of hij zijn kluisje nog een tijd in de woning van verdachte mocht laten staan. Volgens deze vriend zaten daar geld en bankpapieren in. Verdachte heeft verklaard dat het pistool en de demper, die in deze kluis werden aangetroffen, niet van hem waren. Hij wist niet dat deze voorwerpen in het kluisje in zijn woning lagen.

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de verklaring van verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting, ongeloofwaardig is. Hoewel verdachte een uitgebreide verklaring heeft afgelegd, heeft hij deze verklaring op geen enkel punt met feiten of omstandigheden nader geconcretiseerd. Er is noch op grond van de verklaring van verdachte, noch op grond van enig ander processtuk gebleken van de rol van een andere persoon dan verdachte. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een derde betrokken is geweest bij de opslag van de voorwerpen en stoffen in de loods die verdachte heeft gehuurd. Evenmin is gebleken van een derde die als logé heeft verbleven in de woning van verdachte en die verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van de wapens in het kluisje in die woning. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte dan ook als huurder van de loods te Meerssen en als eigenaar van de woning te Rothem in beginsel verantwoordelijk voor hetgeen in deze panden is aangetroffen.

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1

Gelet op de aangetroffen voorwerpen en stoffen in de door verdachte gehuurde loods, het feit dat de rechtbank de verklaring van verdachte daaromtrent ongeloofwaardig acht en de onderzoeksresultaten van de LFO en het NFI is de rechtbank van oordeel dat verdachte in zijn loods voorwerpen en stoffen voorhanden had ten behoeve van de productie van synthetische drugs. De rechtbank merkt in dit verband op dat zij, voor wat betreft de aangetroffen voorwerpen en stoffen, de bevindingen van de LFO zal volgen. Hieruit blijkt dat er één tabletteermachine, één mixer, één granuleermachine, zeven vaten à 25 kilogram microcellulose en één doos à 20 kilogram microcellulose is aangetroffen.

Het verweer van de raadsman dat de tabletteermachine niet gebruiksklaar was omdat bijna alle stempels ontbraken treft geen doel. De tabletteermachine was volgens de LFO wel degelijk productiegereed voor het fabriceren van 13.000 tabletten per uur. Het feit dat de stempels ontbraken doet hieraan volgens de rechtbank niet af.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat deze voorwerpen en stoffen bestemd waren voor de productie van synthetische harddrugs. Het verweer van de raadsman dat het niet onaannemelijk is dat verdachte, als legaal leverancier van growshopartikelen, dacht dat de opslag van de aangetroffen voorwerpen en stoffen ook toegestaan was, treft evenmin doel. De LFO heeft immers geconcludeerd dat de aangetroffen apparatuur in zijn samenstelling en omvang enkel wordt gebruikt om synthetische harddrugs te produceren en niet geschikt is voor ‘normaal’ huishoudelijk of bedrijfsmatig gebruik. Het is algemeen bekend dat de productie van harddrugs bij wet verboden is. Daarbij komt dat in de woning van verdachte aantekeningen zijn gevonden over de inrichting en dat ook op zijn laptop en externe harde schijf zoekopdrachten staan die hierop zien. Dit draagt bij aan de opvatting van de rechtbank dat verdachte over voldoende informatie over de inrichting beschikte om te weten dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat de inrichting bestemd was voor de productie van synthetische drugs. In de auto van verdachte zijn volgens de politie ook aantekeningen aangetroffen. Nu uit het procesdossier onvoldoende duidelijk volgt welke aantekeningen dit betrof, zal de rechtbank verder geen acht slaan op die aantekeningen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de aangetroffen microcellulose geen stof in de zin van de Opiumwet is. De rechtbank stelt vast dat dit op zichzelf bezien juist is, doch dat verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de zeer grote hoeveelheid microcellulose, te weten 195 kilogram, die in de directe nabijheid van de tabletteerinrichting is aangetroffen. De conclusie van de LFO dat de aangetroffen goederen in gezamenlijkheid typisch goederen zijn die door de LFO aangetroffen worden op locaties waar MDMA vervaardigd of bewerkt wordt, geldt onverkort voor de aangetroffen microcellulose.

Nu de rechtbank de verklaring van verdachte over de betrokkenheid van een derde onaannemelijk heeft geacht en ook uit de overige stukken van het procesdossier niet volgt dat een derde betrokken is geweest bij feit 1, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen.

Voor wat betreft de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat uit de huurovereenkomst blijkt dat verdachte de loods vanaf 1 januari 2011 heeft gehuurd van [naam getuige 1]. De raadsman heeft aangevoerd dat door [naam getuige 1] maandelijks een elektriciteitsopname werd gedaan in de loods en dat deze heeft verklaard de door politie aangetroffen voorwerpen niet eerder te hebben gezien. Dat [naam getuige 1] deze voorwerpen niet heeft gezien, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat deze voorwerpen zich niet in de loods hebben bevonden. [naam getuige 1] kwam daar immers alleen om de elektriciteit op te nemen en niet om de inhoud van de loods te controleren. Bovendien blijkt uit de bevindingen van de politie dat de goederen verdekt (onder een laken casu quo verpakt) opgesteld stonden. De rechtbank zal om deze reden dan ook de gehele ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de feiten 2 en 3

De in de kleine kluis op de zolder van de woning van verdachte aangetroffen geluiddemper en pistool zijn door het Bureau Forensische Opsporing onderzocht. Dit heeft geconcludeerd dat het pistool onder meer een inscriptie ‘[M]’ had en een kaliber van 7,65 mm had. Het voorwerp is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1e van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Tevens is de geluiddemper onderzocht. Deze past op het in de kleine kluis aangetroffen pistool. De geluiddemper heeft de inscriptie ‘337227’ en is een voorwerp in de zin van artikel 2, lid 1 categorie I onder 3e van de WWM.

Nu de rechtbank de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van deze wapens in zijn woning onaannemelijk acht, treft het verweer van de raadsman dat verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van de wapens, geen doel. Verdachte is als eigenaar van de woning verantwoordelijk voor hetgeen in zijn woning wordt opgeslagen. Het verweer van de raadsman dat de magazijnhouder van het pistool ontbrak en het pistool dus niet gebruiksklaar was, doet er niet aan af dat het een voorwerp is dat onder de WWM valt.

Gelet op het aantreffen van de wapens in de woning van verdachte en de bevindingen van het Bureau Forensische Opsporing is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze wapens in zijn woning voorhanden heeft gehad. De feiten 2 en 3 kunnen dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 februari 2011 tot en met 10 februari 2012 in de gemeente Meerssen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende hij, verdachte, opzettelijk daartoe een loods gehuurd alwaar hij

- één tabletteermachine en

- één mixer en

- één granuleermachine en

- zeven vaten à 25 kg en een doos à 20 kg van een materiaal bevattende microcellulose

voorhanden heeft gehad;

2.

op 10 februari 2012 in de gemeente Meerssen een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie III onder 1, te weten een pistool (inscriptie [M], kaliber 7.65 mm), voorhanden heeft gehad;

3.

op 10 februari 2012 te Meerssen een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper (met inscriptie 337227), voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de duur van het voorarrest van verdachte. De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. De officier van justitie kan zich niet verenigen met de conclusie van de reclassering, inhoudende dat er geen recidivegevaar bestaat. Volgens de officier van justitie is hiervan wel degelijk sprake, gelet op de lucratieve aard van het door verdachte gepleegde feit 1. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte een ‘first offender’ is.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman vrijspraak van verdachte bepleit van alle aan hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte een blanco strafblad heeft. De raadsman verzoekt de rechtbank voorbij te gaan aan de conclusie van de reclassering, nu deze onbegrijpelijk is. De raadsman verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 januari 2006 (LJN-nummer AZ0865) in verband met de eventueel op te leggen straf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal ernstige feiten. In de woning van verdachte zijn wapens aangetroffen en in zijn loods zijn grote hoeveelheden microcellulose en apparaten aangetroffen, waarvan het niet anders kan dan dat deze bestemd zijn voor de productie van harddrugs. Hoewel de apparatuur er volgens deskundigen uitziet alsof deze is gebruikt, is het echter niet duidelijk wanneer en hoe regelmatig dit is gebeurd. Gelet op de samenstelling van de aangetroffen voorwerpen, en op het feit dat in verdachtes woning aantekeningen en verwijzingen zijn aangetroffen die duiden op het produceren van synthetische harddrugs is het voor de rechtbank evenwel duidelijk dat verdachte op enigerlei wijze bij de productieketen van harddrugs is betrokken. De combinatie van drugs- en wapendelicten roept een beeld op van maatschappelijk zeer ongewenste en gevaarlijke bezigheden van verdachte. Gebruik van synthetische harddrugs levert gevaar op voor de gezondheid van (vaak jonge) gebruikers en kan leiden tot verslaving met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien. Naar het oordeel van de rechtbank kan bij de bestraffing van verdachte niet volstaan worden met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Dit is ook een gebruikelijke straf voor dit type feiten.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat productie van en handel in harddrugs gepaard gaan met diverse vormen van criminaliteit die ontwrichtend en gevaarlijk zijn, meer in het bijzonder nu drugscriminelen zich voorzien van vuurwapens en er ook regelmatig sprake is van het gebruik hiervan. Verboden (vuur)wapenbezit dient met kracht te worden tegengegaan, wat eveneens tot uitdrukking komt in het opleggen van onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook bij verdachte moet voor het bezit van (vuur)wapens voor die straf worden gekozen.

De rechtbank heeft gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS die gehanteerd worden voor verboden wapenbezit en voor drugsdelicten en rekening gehouden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. Voor het verboden wapenbezit acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden gepast. Ten aanzien van het drugsdelict acht de rechtbank gelet op al het voorgaande een straf van 12 maanden alleszins passend en ook geboden. De rechtbank zal dan ook in totaal een gevangenisstraf van 15 maanden opleggen. Die tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal hierop in aftrek dienen te worden gebracht.

6 Het beslag

De officier van justitie is van mening dat de in beslag genomen geldbedragen aan verdachte kunnen worden geretourneerd, nu een rechtsreeks verband met feit 1 niet kan worden aangetoond. De in beslag genomen papieren, documenten en gsm-toestellen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsman heeft zich ter zake van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de zaken die niet in nauw verband staan met de misdrijven waarvoor verdachte wordt veroordeeld, te weten de gsm-toestellen en de geldbedragen, aan verdachte kunnen worden teruggegeven. De overige voorwerpen, te weten de documenten en papieren, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit van deze documenten en papieren is in strijd met het algemeen belang. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat hiermee het bewezen verklaarde onder 1 is begaan of voorbereid. Deze documenten en papieren zullen dan ook aan het verkeer worden onttrokken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 13 en 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

in doss.gevoegd 6 1.00 STK Document

-

in doss.gevoegd 23 3.00 STK Papier

-

2041458

in doss.gevoegd 25 1.00 STK Papier

-

2041531 kladblokje;

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

2012015712 3 Geld Nederlands

-

955,- euro (ibg 10-02-2012)

2012015712 4 Geld Nederlands

-

1870,- euro (ibg 10-2-2012)

2012015712 14 Geld Nederlands

-

500,- euro (ibg 11-2-2012)

data cont.drz 1 1.00 STK GSM

NOKIA

2040598

data cont.drz 2 4.00 STK GSM

NOKIA

2040842

data cont.drz 9 1.00 STK GSM

NOKIA

2040845

data cont.drz 24 1.00 STK GSM

NOKIA

2041521

aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. J.H. Klifman en

mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 augustus 2012.

Buiten staat

mr. E.W.A. van den Berg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 10 februari 2012

in de gemeente Meerssen, in elk geval in het arrondissement Maastricht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied

van Nederland brengen van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of

N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval (een) middel(en) vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij

behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

te verschaffen

en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of (een)

voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) voorhanden heeft gehad, waarvan hij,

verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk daartoe een

loods/opslagruimte gehuurd alwaar

- twee tabletteermachines en/of

- één mixer en/of

- één granuleermachine en/of

- één doos met wit poeder en/of

- ongeveer zeven vaten à 25 kg en/of een doos à 20 kg, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende (micro)cellulose

voorhanden gehad;

2.

hij op of omstreeks 10 februari 2012 in de gemeente Meerssen een wapen als

bedoeld in artikel 2, eerste lid, van categorie III onder 1, te weten een

pistool (inscriptie [M], kaliber 7.65 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 10 februari 2012 te Meerssen een wapen als bedoeld in

artikel 2, tweede lid, van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper

(met inscriptie 337227), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700101-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 21 augustus 2012 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard, Op de Geer 1.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 7 augustus 2012 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Maastricht.