Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX4827

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
03/855611-11 03/700706-11 03/702520-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan vier straatroven en een overval van een cafetaria. In alle gevallen werd er gebruik gemaakt van een imitatie vuurwapen en pleegde hij de feiten samen met anderen. Bij de overval van de cafetaria heeft hij niet de daadwerkelijke overval gepleegd maar blijkt uit alle omstandigheden dat hij steeds opnieuw een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van het delict. Verdachte moet onder die omstandigheden aangemerkt worden als medepleger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummers: 03/855611-11, 03/700706-11, 03/702520-12

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken d.d. 15 augustus 2012

in de strafzaak tegen de minderjarige

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in Het Keerpunt Opvang- en Behandelingscentrum te Cadier en Keer.

Raadsman is mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

In de strafzaak met parketnummer 03/855611-11:

Een bromfiets heeft gestolen dan wel een bromfiets heeft geheeld;

In de strafzaak met parketnummer 03/700706-11:

Feit 1: al dan niet samen met anderen [naam slachtoffer 1] op straat heeft beroofd dan wel [naam slachtoffer 1] op straat heeft afgeperst;

Feit 2: al dan niet samen met anderen [naam slachtoffer 2] op straat heeft afgeperst dan wel [naam slachtoffer 2] op straat heeft beroofd;

Feit 3: al dan niet samen met anderen heeft geprobeerd [naam slachtoffer 3] op straat af te persen dan wel heeft geprobeerd [naam slachtoffer 3] op straat te beroven;

Feit 4: al dan niet samen met anderen [naam slachtoffer 4] op straat heeft beroofd dan wel [naam slachtoffer 4] op straat heeft afgeperst en daarbij [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] heeft bedreigd;

In de strafzaak met parketnummer 03/702520-12:

Feit 1: al dan niet samen met anderen [naam cafetaria] heeft overvallen;

Feit 2: al dan niet samen met anderen heeft ingebroken bij de [naam winkel 1].

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich in de strafzaak met parketnummer 03/855611-11 op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bij gebrek aan bewijs niet bewezen kan worden. Wel kan worden vastgesteld dat verdachte de bromfiets voorhanden had, zodat de subsidiair tenlastegelegde heling bewezen kan worden

In de strafzaak met parketnummer 03/700706-11 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 primair bewezen kunnen worden verklaard. Het betreft hier steeds een straatroof. De aanhouding van verdachte was rechtmatig, nu de verbalisant gelet op de omstandigheden mocht overgaan tot staandehouding van verdachte. Ook wanneer het aangetroffen bewijsmateriaal zou worden uitgesloten, blijft voldoende bewijs over om tot een bewezenverklaring van de feiten te komen.

In de strafzaak met parketnummer 03/702520-12 heeft de officier van justitie zich ten slotte op het standpunt gesteld dat feit 1 bewezen kan worden. Verdachtes bijdrage bestond er met name uit dat hij de voorverkenning deed die uiteindelijk tot de overval leidde. De officier van justitie heeft, bij gebrek aan bewijs, vrijspraak gevorderd ten aanzien van feit 2.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde in de strafzaak met parketnummer 03/855611-11, nu er geen bewijs is voor verdachtes betrokkenheid bij de diefstal van de bromfiets. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

In de strafzaak met parketnummer 03/700706-11 heeft de raadsman betoogd dat de staandehouding van verdachte en de daarop volgende fouillering onrechtmatig was. De onrechtmatigheden hebben geleid tot de verdere opbouw van het dossier. Al het verkregen bewijs dient te worden uitgesloten. Verdachte dient dan bij gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd verdachte in zijn verklaring over de feiten te volgen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 in de strafzaak met parketnummer 03/702520-12 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft vrijspraak ten aanzien van feit 2 betoogd, nu de enige belastende verklaring, te weten de verklaring van [B.], door innerlijk tegenstrijdigheid en ongeloofwaardigheid dient te worden uitgesloten van het bewijs.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het tenlastegelegde in de strafzaak met parketnummer 03/855611-11

Op 4 november 2011 werd de bromfiets, merk Piaggio, type C25, van aangeefster [naam slachtoffer 7] op het Stadionplein te Maastricht gestolen. De politie zag verdachte op 5 november 2011 op deze bromfiets rijden.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de bromfiets gestolen was en dat hij op verzoek van een jongen, wiens naam verdachte niet wenst te noemen, de gestolen bromfiets ophaalde en de kappen van de bromfiets verwijderde.

Gelet op de aangifte, de bevindingen van de politie en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte op een gestolen bromfiets heeft gereden. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enige wijze betrokken was bij de diefstal van de bromfiets, dient verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Wel kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk een bromfiets heeft geheeld zoals subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd. Blijkens de verklaring van verdachte wist hij immers dat de bromfiets gestolen was.

Ten aanzien van het tenlastegelegde in de strafzaak met parketnummer 03/700706-11

Rechtmatigheid van de staandehouding en fouillering

De raadsman heeft betoogd dat de staandehouding en de daarop volgende fouillering van verdachte niet rechtmatig was, nu er geen sprake was van een redelijke verdenking of een redelijk vermoeden van schuld. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

Verbalisanten kregen in de nacht van 26 december 2011 op 27 december 2011 meldingen van enkele straatroven die in die bewuste nacht in Maastricht hadden plaatsgevonden. Bij de straatroven werd gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De daders reden rond op twee scooters. Een daarvan was een witte Piaggo, type Zipp.

Na deze meldingen zag een motorsurveillance om 04:10 in Maastricht een scooter rijden die voldeed aan deze beschrijving. Verdachte werd vervolgens staande gehouden en aan een veiligheidfouillering onderworpen. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden, waarbij de scooter van verdachte voldeed aan de beschrijving van de meldkamer en er tevens sprake was van een gevaarzetting door het mogelijke wapenbezit, er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld bij een strafbaar feit. De verbalisant was dan ook gerechtigd de verdachte staande te houden en te fouilleren.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

Op 27 december 2011 liepen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] over de Ambyerstraat Zuid te Maastricht, toen twee scooters hun richting op reden. Op één van de scooters zaten twee personen. Op de andere scooter zat één persoon.

Aangever [naam slachtoffer 1] zag vervolgens de scooters stil staan, beide bestuurders afstappen en in hun richting lopen. De bestuurder van de witte scooter, zijnde de scooter waarop twee personen zaten, hield een wapen in zijn handen. De twee bestuurders, beide jongens, liepen naar [naam slachtoffer 2] en één van hen vroeg om haar mobiele telefoon. [naam slachtoffer 2] gaf haar telefoon af. De jongens liepen vervolgens naar [naam slachtoffer 1]. De jongen met het wapen drukte het wapen tegen [naam slachtoffer 1] hoofd. Terwijl [naam slachtoffer 1] onder schot werd gehouden, werd hij door de andere jongen gefouilleerd. [naam slachtoffer 1] voelde dat zijn mobiele telefoon, een Blackberry Curve, uit zijn broekzak werd weggenomen. Beide jongens sprongen daarna op de scooters en reden weg. [naam slachtoffer 1] verklaarde later dat hij de jongen met het vuurwapen herkende als [naam verdachte] (de rechtbank begrijpt [naam verdachte], verdachte).

Aangeefster [naam slachtoffer 2] verklaarde dat - nadat beide scooters gestopt waren - een jongen op haar afliep en een pistool op haar richtte. Hij zei “Geef je Blackberry”. [naam slachtoffer 2] gaf daarop haar telefoon af. Daarna richtte één van de jongens het pistool tegen het hoofd van [naam slachtoffer 1], waarna hij werd gefouilleerd. Zijn telefoon werd hierbij afgepakt. [naam slachtoffer 2] herkende [naam verdachte] (de rechtbank begrijpt [naam verdachte], verdachte) als een van de jongens op de scooters. Hij was niet degene die het wapen vasthield.

[naam medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 27 december 2011 met verdachte en [naam medeverdachte 2] op twee scooters door Maastricht reed. [naam medeverdachte 1] reed alleen op zijn scooter. [naam medeverdachte 2] en verdachte zaten op één scooter. Zij waren voornemens om overvallen te plegen, waarbij een imitatiewapen zou worden gebruikt.

In Amby (Maastricht) kwamen zij een jongen en een meisje tegen. Nadat zij het tweetal voorbij waren gereden, zei verdachte “stop”. Hij zette zijn scooter op de standaard en liep naar de jongen toe en zei hem dat hij zijn telefoon moest inleveren. Hij hield hierbij een imitatiewapen in zijn hand. Hij hield dit wapen tegen de jongen aan. De jongen werd gefouilleerd. Ook het meisje werd gedwongen haar telefoon af te geven. [naam medeverdachte 1] heeft de telefoon van het meisje later van verdachte gekregen.

Verdachte heeft in een telefoongesprek met ene [D.] gesproken over de straatroof van [naam slachtoffer 2]. In dit gesprek zei hij “Ik heb haar met een pistool bedreigd”.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 27 december 2011 naar [naam medeverdachte 2] ging. Daar was ook [naam medeverdachte 1] aanwezig. Zij toonden hem een wapen. Vervolgens vertrokken verdachte, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] naar Amby. [naam medeverdachte 2] zat bij verdachte achterop de scooter. Verdachte had zijn kentekenplaat afgedekt met een zadelhoesje.

Bij het zien van een jongen en een meisje riep [naam medeverdachte 2] “stop”. [naam medeverdachte 2] liep vervolgens met het pistool richting de twee. Ook [naam medeverdachte 1] stapte van zijn scooter. [naam medeverdachte 2] zette het pistool tegen de slaap van de jongen. Er werd een telefoon meegenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens dit gebeuren op de scooter is blijven zitten.

Op basis van de aangiften van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en verdachte, stelt de rechtbank vast dat [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] op straat zijn overvallen. Hierbij werd bij [naam slachtoffer 1] onder bedreiging van een imitatiewapen zijn mobiele telefoon afgenomen. [naam slachtoffer 2] werd onder bedreiging van een imitatiewapen gedwongen haar mobiele telefoon af te geven.

De rechtbank stelt ook vast dat verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] bij de straatroof aanwezig waren. Dat verdachte op de scooter is blijven zitten, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Op basis van de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam medeverdachte 1] en de mededeling van verdachte in het telefoongesprek kan immers worden vastgesteld dat het juist verdachte was die het wapen vasthield en [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] daarmee bedreigde. Dat aangeefster [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat het niet verdachte was die het wapen vasthield, ziet de rechtbank

- gelet op het voorgaande - als een vergissing.

Uit de verklaring van [naam medeverdachte 1] en het feit dat verdachte zijn kentekenplaatje afdekte, kan worden afgeleid dat er sprake was van een vooropgezet plan tussen verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] om mensen op straat te beroven. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte de straatroven samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. De rechtbank acht de feiten 1 en 2 dan ook bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

Op 27 december 2011 reed aangever [naam slachtoffer 3] op zijn fiets over de Ambyerstraat-Noord te Maastricht. Hij hoorde achter zich een bromfiets naderen en voelde dat hij van de weg werd geduwd in de richting van het trottoir. [naam slachtoffer 3] kwam hierdoor ten val. Hij zag dat op de bromfiets twee passagiers zaten. Zij stapten van hun bromfiets en liepen in de richting van [naam slachtoffer 3]. Een van de twee personen riep “Geef je mobiel hier”. [naam slachtoffer 3] pakte zijn fiets op en zag dat één van de jongens met een zwart pistool op hem afliep. Het pistool werd op hem gericht. Hij kreeg vervolgens een klap met het pistool tegen zijn rechteroor. De persoon bleef roepen dat hij zijn telefoon moest geven. [naam slachtoffer 3] liep vervolgens, zonder zijn telefoon af te geven, weg.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 27 december 2011 naar [naam medeverdachte 2] ging. Daar was ook [naam medeverdachte 1] aanwezig. Zij toonden hem een wapen. Vervolgens vertrokken verdachte, [naam medeverdachte 2] en Stap naar Amby. [naam medeverdachte 2] zat bij verdachte achterop de scooter. Verdachte had de kentekenplaat van zijn scooter afgedekt met een zadelhoesje.

Na de overval op [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zat verdachte met [naam medeverdachte 2] op de scooter. Ze reden langs een jongen. [naam medeverdachte 2] stapte van de scooter en liep naar de jongen toe. De jongen kreeg meerdere klappen. De jongen wilde niets afgeven en rende weg.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 2] hem tevoren hadden verteld dat ze overvallen gingen plegen en daarom van hem het pistool (de rechtbank begrijpt dat hiermee het imitatiewapen wordt bedoeld) hebben geleend. [naam medeverdachte 1] is vervolgens met hen op pad gegaan, maar heeft - na de overval op [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] - de scooter met daarop verdachte en [naam medeverdachte 2] korte tijd uit het oog verloren. Toen hij [naam medeverdachte 2] en verdachte later weer zag, vertelde verdachte dat ze onderweg nog iemand waren tegengekomen.

Gelet op de aangifte, de verklaring van verdachte en de ondersteunende verklaring van [naam medeverdachte 1] stelt de rechtbank vast dat is geprobeerd om [naam slachtoffer 3] op straat af te persen. Verdachte heeft bekend bij de afpersing aanwezig te zijn geweest. Verdachte heeft daarnaast nog verklaard dat ook [naam medeverdachte 1] aanwezig zou zijn geweest bij de overval. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, nu de aangever slechts heeft verklaard over twee daders. Dit sluit aan bij de verklaring van [naam medeverdachte 1] dat hij verdachte en [naam medeverdachte 2] korte tijd uit het oog verloor en dat in deze tijd de overval zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de poging tot afpersing is gepleegd door verdachte en [naam medeverdachte 2]. Uit de verklaring van [naam medeverdachte 1] en verdachte blijkt dat er een plan was gemaakt om mensen te beroven op straat. Verdachte plakte daartoe zijn kentekenplaatje af. Er is dan ook sprake van medeplegen. De rechtbank acht daarom feit 3 bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

Op 27 december 2011 liep aangever [naam slachtoffer 4] samen met [naam slachtoffer 5] over de Viaductweg te Maastricht. [naam slachtoffer 4] liep een stukje voor [naam slachtoffer 5], toen een scooter voorbij reed. De scooter stopte en de bijrijder liep naar [naam slachtoffer 4] toe. Op dat moment kwam nog een tweede scooter aangereden. Ook deze scooter stopte.

De bijrijder trok vervolgens een vuurwapen en drukte dit tegen de slaap van [naam slachtoffer 4] aan. De persoon vroeg om een telefoon en geld. [naam slachtoffer 4] ontkende deze bij zich te hebben. Hij voelde dat hij gefouilleerd werd en dat zijn telefoon, een Blackberry Curve, uit zijn broekzak werd weggenomen. Terwijl [naam slachtoffer 4] nog steeds onder schot werd gehouden, riep de bestuurder van de eerste scooter dat hij geld moest hebben. [naam slachtoffer 4] gaf zijn beurs. De bestuurder nam het geld uit de beurs (ongeveer € 15,-) en gooide de beurs weg. Op het moment dat [naam slachtoffer 5] bij [naam slachtoffer 4] aankwam, werd er tegen hem gezegd dat hij weg moest gaan. Ook werd [naam slachtoffer 5] fiets omgetrapt.

Aangever [naam slachtoffer 5] zag dat bij [naam slachtoffer 4] twee scooters stonden met daarbij drie of vier personen. Toen hij [naam slachtoffer 4] op korte afstand was genaderd, zag hij dat een van de personen een op een pistool gelijkend voorwerp in zijn handen vasthield. Het pistool werd eerst op [naam slachtoffer 4] gericht. De persoon met het vuurwapen richtte het pistool opeens op [naam slachtoffer 5] en liep op [naam slachtoffer 5] af. Deze persoon trapte [naam slachtoffer 5] fiets om. Ook zei hij dat [naam slachtoffer 5] zich er niet mee moest bemoeien en moest doorfietsen.

Verdachte heeft verklaard dat ze - na de mislukte straatroof op [naam slachtoffer 3] - opnieuw een jongen tegenkwamen. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] stapten van de scooters. [naam medeverdachte 2] liep met het pistool op de jongen af en fouilleerde hem. Hij nam een telefoon en een beurs mee. [naam medeverdachte 1] liep op een andere jongen af. [naam medeverdachte 2] richtte het wapen ook op deze tweede jongen. [naam medeverdachte 2], verdachte en [naam medeverdachte 1] zijn daarna weggereden. De weggenomen telefoon werd later onder verdachte in beslag genomen.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 2] hem tevoren hadden verteld dat ze overvallen gingen plegen en daarom van hem een imitatiepistool hebben geleend [naam medeverdachte 1] is vervolgens met hen op pad gegaan. Ze reden langs een jongen en stopten. Verdachte liep met het wapen op de jongen af en vroeg om diens mobiele telefoon en beurs. Op het moment dat een andere jongen kwam aanfietsen, liep verdachte op deze jongen af en dreigde hem weg te gaan en gooide de fiets van de jongen op de grond.

Op basis van de aangiften van [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] en de verklaringen van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1], stelt de rechtbank vast dat [naam slachtoffer 4] op straat is beroofd. Hierbij werden hij en [naam slachtoffer 5] bedreigd met geweld en werd bovendien geweld gebruikt tegen [naam slachtoffer 5], door diens fiets omver te trappen. De rechtbank stelt ook vast dat deze straatroof door verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] is gepleegd. Weliswaar lopen de verklaringen van verdachte en [naam medeverdachte 1] over een ieders rol bij de beroving uiteen, maar dat doet er niet aan af dat ieders rol zodanig was dat zij het feit gezamenlijk hebben gepleegd. Verdachte, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hadden immers samen het plan opgevat om straatroven te plegen. Hiertoe werd een wapen meegenomen. Dat het ging om meerdere overvallers op twee scooters, heeft bijgedragen aan het bedreigende van de hele situatie voor de twee aangevers. Tenslotte werd de buitgemaakte telefoon bij verdachte aangetroffen. Er is dan ook sprake van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank acht feit 4 daarom bewezen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde in de strafzaak met parketnummer 03/702520-12

Ten aanzien van feit 1:

Op 22 december 2011 was aangeefster [naam slachtoffer 8] werkzaam in haar [naam cafetaria] te Meerssen. Opeens zag zij dat twee onbekende mannen, die beiden een bivakmuts droegen, de frituur binnenkwamen. Eén van hen zette een zwarte zak op de toonbank en riep “Overval, overval, wij willen geld.” [naam slachtoffer 8] pakte hierop het geld uit de kassalade. Zij zag dat er een wapen op haar werd gericht. De tweede man stond achter de man met het vuurwapen. Er werd vervolgens om meer geld gevraagd, waarna [naam slachtoffer 8] nog meer geld in de tas stopte. De mannen renden vervolgens de frituur uit.

[naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen met [naam medeverdachte 2] een gewapende overval heeft gepleegd. [naam medeverdachte 1] leverde de wapens. [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] (de rechtbank begrijpt [naam verdachte], verdachte) haalden frieten. Toen ze terug kwamen zeiden ze dat ‘we’ de friture zouden gaan overvallen. Vervolgens werd besproken hoe de overval zou plaatsvinden en hoe men na de overval zou gaan vluchten. Hierbij waren [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1] en verdachte aanwezig. Uiteindelijk werd besloten dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] de overval zouden plegen. Zij deden daartoe beiden een bivakmuts op en liepen met ieder een wapen in de hand de frituur binnen. [naam medeverdachte 3] zette een tas op de toonbank. Hij zwaaide met het vuurwapen en zei “Geld, geld nu”. [naam medeverdachte 2] richtte het wapen op de vrouw. De vrouw stopte het geld in de tas en vervolgens zijn [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] naar buiten gerend. Buiten stonden [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 1] en verdachte klaar met hun scooters. De buit werd later onder de vijf gelijkelijk verdeeld.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 3], verdachte en [naam medeverdachte 2] het plan hadden om een frituur te overvallen. [naam medeverdachte 1] werd gebeld met het verzoek een wapen te regelen. Ter plaatse hoorde [naam medeverdachte 1] over het plan. [naam medeverdachte 4] en verdachte haalden eten in de bewuste frituur. Bij terugkomst vertelde verdachte over de aanwezigheid van camera’s en de aanwezigheid van een vrouw achter de kassa. Er werd afgesproken wie de overval zou plegen. [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] boden aan de overval te plegen. [naam medeverdachte 1] stelde hen twee imitatievuurwapens ter beschikking. [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] trokken een bivakmuts over hun hoofd en liepen naar de frituur. Ze hadden ook een tas bij zich. [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 1] en verdachte zaten ieder op hun eigen scooter, in afwachting van de terugkomst van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2]. Bij terugkomst sprong [naam medeverdachte 3] bij [naam medeverdachte 4] achterop en [naam medeverdachte 2] bij verdachte. Ze reden vervolgens samen weg naar Houthem. Aldaar werd de buit verdeeld.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij samen met [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] bij de Jumbo stond. Ook [naam medeverdachte 1] kwam later te voet langs voegde zich bij de groep. Verdachte en [naam medeverdachte 4] gingen vervolgens frieten halen. Verdachte keek aldaar in de kassa en vertelde aan [naam medeverdachte 4] over het geld. [naam medeverdachte 4] vertelde dit op zijn beurt bij terugkomst aan de rest. Verdachte verklaart verder dat [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] de frituur wilden overvallen.

Gelet op de verklaringen van de aangeefster, [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 1] en verdachte stelt de rechtbank vast dat er op 22 december 2011 een gewapende overval heeft plaatsgevonden in [naam cafetaria], waarbij geld werd buitgemaakt. De rechtbank stelt ook vast dat verdachte hierbij betrokken is geweest. Hierbij gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij niet aanwezig was bij de uitvoering van de overval. [naam medeverdachte 4] zou hem gevraagd hebben zijn scooter ter beschikking te stellen teneinde de vlucht mogelijk te maken. Verdachte zou daarmee hebben ingestemd, waarna hij door [naam medeverdachte 4] werd weggebracht naar ene [T.]. Na de overval zouden [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] ook naar [T.] zijn gekomen. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] hebben beiden verklaard over de aanwezigheid van verdachte bij de overval. Hij was betrokken bij het maken van het plan van de uitvoering en de vlucht en hij was mede verantwoordelijk voor het mogelijk maken van de vlucht. De rechtbank acht de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] geloofwaardig, omdat zij kort na hun aanhouding een verklaring hebben afgelegd over de overval en in hun verklaringen bovendien zichzelf hebben belast.

Uit bovengenoemde verklaringen blijkt niet alleen dat verdachte wist van het plan om de frituur te overvallen, maar ook dat hij de voorverkenning deed bij de frituur. Hij keek immers in de kassa en vertelde later over het geld. Vooraf werd besproken wie de overval zou plegen. Hierbij was ook verdachte aanwezig. Dat niet verdachte, maar anderen de overval pleegden, is dan ook willekeurig. Verdachte bleef ten tijde van de overval samen met twee anderen buiten wachten om uiteindelijk de vlucht van de overvallers mogelijk te maken. Uiteindelijk heeft verdachte gelijk gedeeld in de buit. Uit dit alles blijkt dat steeds opnieuw een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van het delict,. Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte onder deze omstandigheden aangemerkt worden als medepleger. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte samen met anderen de overval heeft gepleegd. Feit 1 kan derhalve bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2:

Op 18 december 2011 werd er ingebroken bij de [naam winkel 1] te Bunde. Hierbij werd een grote hoeveelheid parfum weggenomen.

[naam medeverdachte 3] heeft een verklaring afgelegd over deze inbraak. Hierbij heeft hij belastend verklaard over verdachte. Gelet op het feit dat alleen [naam medeverdachte 3] belastend heeft verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak, kan dit feit niet bewezen worden verklaard. Te meer nu verdachte steeds heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de inbraak.

Verdachte dient dan ook van feit 2 te worden vrijgesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

In de strafzaak met parketnummer 03/855611-11

Subsidiair

op 5 november 2011 in de gemeente Maastricht een bromfiets (Piaggio C25) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die bromfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

In de strafzaak met parketnummer 03/700706-11:

1. Primair

op 27 december 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Blackberry Curve), toebehorende aan [naam slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] heeft gehouden en

- vervolgens die [naam slachtoffer 1] heeft gefouilleerd en

- vervolgens voornoemde telefoon uit de kleding van die [naam slachtoffer 1] heeft weggenomen, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

2. Primair

op 27 december 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Blackberry), toebehorende aan die [naam slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [naam slachtoffer 2] en

- vervolgens tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd (zakelijk weergegeven) dat ze haar telefoon moest afgeven, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

3. Primair

op 27 december 2011 in de gemeente Maastricht op de openbare weg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon, toebehorende aan die [naam slachtoffer 3], met dat oogmerk, tezamen en in vereniging met een ander,

- rijdende op een scooter die [naam slachtoffer 3] - welke op een fiets reed - van de weg heeft geduwd en ten val heeft gebracht en

- vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond aan en gericht op die [naam slachtoffer 3] en

- vervolgens meermalen tegen die [naam slachtoffer 3] heeft gezegd "geef je mobiel hier" en/of "geef je telefoon" en

- vervolgens die [naam slachtoffer 3] met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. Primair

op 27 december 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Blackberry Curve) en een hoeveelheid geld (15 euro), toebehorende aan [naam slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 4] en/of tegen [naam slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 4] heeft gehouden en

- vervolgens die [naam slachtoffer 4] om geld en zijn telefoon heeft gevraagd en

- vervolgens die [naam slachtoffer 4] heeft gefouilleerd en

- vervolgens voornoemde telefoon uit de kleding van die [naam slachtoffer 4] heeft gehaald en geld uit de beurs van die [naam slachtoffer 4] heeft gehaald en

- vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [naam slachtoffer 5] en

- vervolgens de fiets van die [naam slachtoffer 5] omver heeft getrapt en

- vervolgens tegen die [naam slachtoffer 5] heeft gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij zich er niet mee moest bemoeien en dat hij moest doorfietsen, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

In de strafzaak met parketnummer 03/702520-12:

1.

op 22 december 2011 in de gemeente Meerssen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 8] (eigenaresse van [naam cafetaria]) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [naam slachtoffer 8], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders

- gemaskerd met een bivakmuts voornoemd cafetaria zijn binnengegaan en

- vervolgens een tas op de toonbank hebben gezet en

- vervolgens hebben geroepen: "Overval, overval, wij willen geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- vervolgens een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben getoond aan en gericht op die [naam slachtoffer 8] en

- vervolgens om meer geld hebben gevraagd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

In de strafzaak met parketnummer 03/855611-11

Ten aanzien van subsidiair:

Opzetheling.

In de strafzaak met parketnummer 03/700706-11:

Ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2 primair:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 3 primair:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 4 primair:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt

gepleegd op de openbare weg, door twee of meer verenigde personen.

In de strafzaak met parketnummer 03/702520-12:

Ten aanzien van feit 1:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van de duur van het voorarrest. Hij heeft voorts gevorderd aan de proeftijd de bijzondere voorwaarde van toezicht van de jeugdreclassering te koppelen, ook indien dit inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan het ITB Harde Kern traject, zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de duur van de onvoorwaardelijke jeugddetentie te beperken tot de duur van het reeds ondergane voorarrest, zodat verdachte zijn school kan hervatten. Ook kan het geadviseerde hulpverleningstraject dan direct aanvangen. De raadsman heeft verzocht het hulpverleningstraject op te leggen als onderdeel van de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie of werkstraf. Hij heeft ten slotte verzocht in de strafmaat mee te wegen dat verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn betrokkenheid bij de strafbare feiten.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. Zij heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft samen met anderen een gewapende overval gepleegd op een cafetaria/frituur. Amper vijf dagen later heeft verdachte samen met anderen vier slachtoffers op de openbare weg beroofd. Onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werden de slachtoffers afgeperst of bestolen, waarvan een afpersing in een poging is blijven steken. Ook heeft verdachte opzettelijk een bromfiets geheeld.

De rechtbank acht het zorgwekkend dat verdachte, ondanks zijn nog jonge leeftijd, is overgegaan tot het plegen van deze zeer ernstige feiten. Verdachte heeft bij de feiten kennelijk enkel zijn eigen belang, te weten geldelijk gewin, voor ogen gehad. Dat de slachtoffers daarbij zeer angstige momenten hebben doorgemaakt op het moment dat zij bedreigd werden met een op een wapen gelijkend voorwerp, was blijkbaar van ondergeschikt belang. Uit de aanvullende verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij de gebeurtenis niet alleen als traumatiserend hebben ervaren, maar dat dit ook verstrekkende gevolgen heeft gehad voor hun dagelijkse functioneren.

Gelet op het zeer korte tijdsbestek waarbinnen de feiten zijn gepleegd en de brutaliteit en gemakzucht waarmee te werk is gegaan, lijkt het erop alsof het voor verdachte de normaalste zaak van de wereld is om dit soort feiten te plegen. Verdachte moet zich echter realiseren dat zulk gedrag absoluut niet getolereerd wordt en dat zijn gedrag verre van normaal is.

Ook de houding van verdachte gedurende het onderzoek baart de rechtbank zorgen. Tijdens het in totaal bijna zeven maanden durende voorarrest heeft hij zijn betrokkenheid bij alle feiten ontkend, ook nadat hij werd geconfronteerd met zeer belastende verklaringen. Ook ter zitting heeft verdachte niet de gehele waarheid gesproken. De rechtbank plaatst daarom vraagtekens bij de verklaring van verdachte dat hij zijn verantwoordelijkheid wenst te nemen.

Gelet op de ernst van de feiten is een jeugddetentie de enige passende strafmodaliteit. Waar bij een meerderjarige verdachte dergelijke feiten een hoge gevangenisstraf zou opleveren, is de rechtbank bij minderjarige verdachten vanaf 16 jaar tot 18 jaar, ingevolge artikel 77i, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht, gebonden aan het strafmaximum van 24 maanden jeugddetentie. Hoewel een dergelijke straf niet in verhouding staat tot de ernst van de feiten, dient niet uit het oog te worden verloren dat het jeugdstrafrecht ook een pedagogisch karakter heeft, gericht op de verdere ontwikkeling van de jeugdige.

In de onderhavige strafzaak is de rechtbank van oordeel dat verdachte meer gebaat is bij passende hulp in een verplicht, juridisch kader, dan bij het laten voortduren van een jeugdgevangenisstraf. De rechtbank zal weliswaar de maximale jeugddetentie voor de duur van 24 maanden opleggen, maar zij zal het onvoorwaardelijke deel beperken tot de duur van het voorarrest. Dit stelt verdachte in staat om direct aan een opleiding te beginnen. De rechtbank acht dit in het belang van de ontwikkeling van verdachte. Op die manier heeft hij immers een zinnige dagbesteding en kan hij werken aan zijn toekomst. De rechtbank hoopt dat dit bijdraagt aan het voorkomen van het opnieuw plegen van strafbare feiten. Het is aan verdachte om te laten zien dat hij zich in de toekomst verre houdt van het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank zal daarnaast een groot deel, te weten 530 dagen, voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Hierbij heeft de rechtbank niet alleen gelet op de ernst van de feiten, maar ook op het feit dat verdachte een flinke stok achter de deur nodig heeft om recidive in de toekomst te voorkomen. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, een proeftijd van drie jaren passend.

In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en het rapport van de psycholoog [naam psycholoog] wordt geadviseerd om aan verdachte een intensief begeleidingstraject op te leggen, bestaande uit begeleiding door de jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt deelname aan het ITB Harde Kern traject en deelname aan ambulante behandeling bij Sedna. De rechtbank sluit zich bij deze adviezen aan. De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte medio augustus van start kan gaan met een opleiding. Om er voor te zorgen dat verdachte daadwerkelijk aan de slag zal gaan met een opleiding, zal de rechtbank ook als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte verplicht is een opleiding te volgen.

Een intensief begeleidingstraject gedurende drie jaren zal voor verdachte de nodige beperkingen met zich brengen. Hier staat echter tegenover dat verdachte niet hoeft terug te keren in detentie en verder kan werken aan zijn toekomst. De rechtbank dient echter ook rekening te houden met de wijze waarop verdachte grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft gehad. De rechtbank doelt bij dit laatste met name op het feit dat enkele slachtoffers, door toedoen van verdachte, hun (toekomst)plannen hebben moeten laten varen. Om verdachte hiervan te doordringen zal de rechtbank naast een deels voorwaardelijke jeugddetentie ook nog een werkstraf opleggen voor de duur van 100 uren.

6 De benadeelde partij

Benadeelde partij [naam slachtoffer 7]:

De benadeelde partij [naam slachtoffer 7] heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde in de strafzaak met parketnummer 03/855611-11 in het strafproces tegen verdachte gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.334,- bestaande uit materiële schade.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade is ontstaan ten gevolge van de diefstal en niet de heling van de bromfiets. Nu zij beiden hebben betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat slechts schade die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij heeft de kosten voor de aanschaf van een nieuwe bromfiets in rekening gebracht. Deze kosten komen echter niet geheel voor vergoeding in aanmerking, omdat deze het rechtstreeks gevolg zijn van de diefstal van de bromfiets. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken. Wel heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij de kappen van de bromfiets heeft verwijderd, teneinde deze op een andere bromfiets te plaatsen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen wel deels verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ontstane schade, namelijk de schade die is ontstaan door het verwijderen van de kappen. Voor de aanschaf van de kappen acht de rechtbank een bedrag van € 175,- alleszins redelijk. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het resterende deel van de vordering zal worden afgewezen.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 8]:

De benadeelde partij [naam slachtoffer 8] heeft zich ten aanzien van feit 1 in de strafzaak met parketnummer 03/702520-12 in het strafproces tegen verdachte gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 2.742,60, bestaande uit € 1.242,60 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoeding deels toe te wijzen. De gevorderde schade aan weggenomen geld ad € 330,-, acht de officier van justitie onvoldoende onderbouwd, nu blijkens de verklaringen van verdachten ieder € 30,- heeft ontvangen van de buit. De officier van justitie heeft aldus gevorderd het bedrag vast te stellen op € 150,-. De overige kosten aan materiële schade en immateriële schade komen voor vergoeding in aanmerking.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de verplichting tot het vergoeden van de schade hoofdelijk toe te wijzen en daarnaast de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering aan gestolen geld dient te worden vastgesteld op € 150,-. De gevorderde kosten aan medicatie kunnen worden toegewezen. De overige kosten aan materiële schade dienen volgens de raadsman niet-ontvankelijk te worden verklaard, bij gebrek aan onderbouwing. De raadsman heeft ten slotte verzocht de immateriële schade te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [naam slachtoffer 8] als gevolg van feit 1 in de strafzaak met parketnummer 03/702520-12 direct schade heeft geleden. De rechtbank acht deze vordering in zijn geheel toewijsbaar. Zij ziet, anders dan de officier van justitie en de raadsman, geen reden te twijfelen aan de door de benadeelde partij gevorderde € 330,- aan weggenomen geld. De onderbouwing van de vordering is afdoende. Ditzelfde geldt ook voor de gevorderde immateriële schade. De rechtbank ziet dan ook geen reden deze te matigen.

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen. De vordering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal ten slotte de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen DVD’s kunnen worden teruggegeven aan de beslagene.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg,

310, 311, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde in de strafzaak met parketnummer 03/855611-11 en feit 2 in de strafzaak met parketnummer 03/702520-12;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden, waarvan 530 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van drie jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit en het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg in het Arrondissement Maastricht te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan de ITB Harde Kern, deelname aan ambulante behandeling bij Sedna en de verplichting om een opleiding te volgen;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 7], [adres slachtoffer 7], te betalen een bedrag van

€ 175,- (zegge: honderdvijfenzeventig euro);

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 7] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 7] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 7] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 7] vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 8], [adres slachtoffer 8], van een bedrag van € 2.742,60 (zegge: tweeduizendzevenhonderdtweeënveertig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente van 22 december 2011 tot aan de dag van volledige voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 8] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 8] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2011;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 8] vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

2 DVD's met camerabeelden,

aan de beslagene.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Dautzenberg, voorzitter en kinderrechter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. J. Wöretshofer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 augustus 2012.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

In de strafzaak met parketnummer 03/855611-11:

hij op of omstreeks 04 november 2011 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (Piaggio C25), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen die bromfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 05 november 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een bromfiets (Piaggio C25) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

In de strafzaak met parketnummer 03/700706-11:

1.

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Blackberry Curve), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1], althans in de richting van (het hoofd van) die [naam slachtoffer 1], heeft gehouden en/of

- (vervolgens) die [naam slachtoffer 1] heeft gefouilleerd, althans aan de kleding heeft onderzocht, en/of

- (vervolgens) voornoemde telefoon uit de kleding van die [naam slachtoffer 1] heeft weggenomen, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Blackberry), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd en/althans in de richting van (het hoofd van) die [naam slachtoffer 1] heeft gehouden en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer 1] heeft gefouilleerd en/althans aan de kleding heeft onderzocht en/of (vervolgens) voornoemde telefoon uit de kleding van die [naam slachtoffer 1] heeft weggenomen, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

2.

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Blackberry), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond aan en/of gericht op die [naam slachtoffer 2] en/of

- (vervolgens) tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd (zakelijk weergegeven) dat ze haar telefoon moest afgeven, althans woorden van gelijke strekking, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [naam slachtoffer 2]

heeft gericht en/althans aan die [naam slachtoffer 2] heeft getoond en/of (vervolgens) tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd "geef die Blackberry", althans woorden van gelijke strekking, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

3.

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht op de openbare weg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

- rijdende op een scooter die [naam slachtoffer 3] - welke op een fiets reed - van de weg heeft geduwd en/of ten val heeft gebracht en/of

- (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond aan en/of gericht op die [naam slachtoffer 3] en/of

- (vervolgens) (meermalen) tegen die [naam slachtoffer 3] heeft gezegd "geef je mobiel hier" en/of "geef je telefoon", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) die [naam slachtoffer 3] met een vuurwapen, althans met een hard voorwerp, (tegen het hoofd) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 3] voornoemd, te plegen met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met dat oogmerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die [naam slachtoffer 3] -welke op een fiets reed- gewelddadig omver heeft geduwd en/of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [naam slachtoffer 3] heeft gericht en/of tegen die [naam slachtoffer 3] heeft gezegd "geef je mobiel hier", althans woorden van gelijke strekking en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer 3] met een vuurwapen, althans met een hard voorwerp (tegen het hoofd) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

4.

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk/type Blackberry Curve) en/of een hoeveelheid geld (15 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 4] en/of tegen [naam slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 4], althans in de richting van (het hoofd van) die [naam slachtoffer 4], heeft gehouden en/of

- (vervolgens) die [naam slachtoffer 4] om geld en/of zijn telefoon heeft gevraagd en/of

- (vervolgens) die [naam slachtoffer 4] heeft gefouilleerd, althans aan de kleding heeft onderzocht, en/of

- (vervolgens) voornoemde telefoon uit de kleding van die [naam slachtoffer 4] heeft gehaald en/of geld uit de beurs van die [naam slachtoffer 4] heeft gehaald en/of

- (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op die [naam slachtoffer 5] en/of

- (vervolgens) de fiets van die [naam slachtoffer 5] omver heeft getrapt en/of

- (vervolgens) tegen die [naam slachtoffer 5] heeft gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij zich er niet mee moest bemoeien en/of dat hij moest doorfietsen, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Blackberry) en/of een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 4], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd en/althans in de richting van (het hoofd van) die [naam slachtoffer 4] heeft gehouden en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer 4] heeft gefouilleerd en/althans aan de kleding heeft onderzocht en/of (vervolgens) voornoemde telefoon uit de kleding van die [naam slachtoffer 4] heeft weggenomen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp heeft gericht op [naam slachtoffer 5] en/of de fiets van die [naam slachtoffer 5] omver heeft getrapt, zulks terwijl het feit werd gepleegd op de openbare weg;

In de strafzaak met parketnummer 03/702520-12:

1.

hij op of omstreeks 22 december 2011 in de gemeente Meerssen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 8] (eigenaresse van [naam cafetaria]) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer 8] en/of aan [naam cafetaria], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- gemaskerd met een bivakmuts voornoemd cafetaria is/zijn binnengegaan en/of

- (vervolgens) een tas op de toonbank heeft/hebben gezet en/of

- (vervolgens) heeft/hebben geroepen: "Overval, overval, wij willen geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond aan en/of gericht op die [naam slachtoffer 8] en/of

- (vervolgens) om meer geld heeft/hebben gevraagd;

2.

hij op of omstreeks 18 december 2011 te Bunde, in de gemeente Meerssen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een winkel gelegen aan de [adres winkel] heeft weggenomen een hoeveelheid parfums, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummers: 03/855611-11, 03/700706-11, 03/702520-12

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 15 augustus 2012 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in Het Keerpunt Opvang- en Behandelingscentrum te Cadier en Keer.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat te Hoensbroek.