Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX4090

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
09-08-2012
Zaaknummer
03-703232-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van medeplegen van laster tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. De voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw in de fout zal gaan. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 60 uren. Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Daarom heeft de rechtbank bij de strafoplegging geen rekening kunnen houden met eventuele persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 03/703232-10

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

[geboortedatum-en plaats],

[adresgegevens].

Raadsman is D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de door de afwezige verdachte gemachtigde raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 t/m 3: samen met een ander of anderen zich schuldig heeft gemaakt aan laster dan wel smaad en/of smaadschrift ten aanzien van respectievelijk [Naam persoon], [Naam persoon]en/of [Naam persoon]en het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

3 De voorvragen

Het recht tot strafvervolging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte voor de beweerde, jegens [Naam persoon]gepleegde laster en/of smaad(schrift). [Naam persoon] heeft bij de politie aangifte gedaan wegens laster. Er is echter geen klacht van [Naam persoon] in het dossier opgenomen. Nu het ingediend zijn van een klacht evenwel een vereiste is voor de officier van justitie om tot vervolging over te kunnen gaan, acht de raadsman de officier van justitie niet-ontvankelijk.

De officier van justitie heeft in reactie op het voorgaande aangegeven het standpunt van de raadsman te delen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het voorgaande het volgende.

Om tot vervolging ter zake van overtreding van artikel 261 Wetboek van Strafrecht over te kunnen gaan dient voldaan te zijn aan het klachtvereiste. Nu aan dit vereiste ten aanzien van [Naam persoon]onder feit 2 niet is voldaan, zal de officier van justitie ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging in de vervolging niet-ontvankelijk worden verklaard.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 samen met een ander heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten, aangezien uit het aanwezige bewijs niet kan volgen dat de feiten door verdachte dan wel haar medeverdachte, zijnde haar broer, zouden zijn gepleegd al dan niet in de vorm van medeplegen.

De raadsman komt voorts tot vrijspraak voor de feiten 1, 2 en 3 omdat de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten niet te bewijzen is. Ook is er volgens de raadsman geen strijd met de waarheid geweest en is er geen ruchtbaarheid aan de feiten gegeven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Voor de rechtbank staat op basis van het dossier voldoende vast dat er een conflict heeft bestaan tussen verdachte’s broer en de directie en andere betrokken bij de basisschool Petrus en Paulus te Maastricht. Dit blijkt onder meer uit de aangifte die de directeur van de basisschool, [Naam persoon], op 19 augustus 2009 bij de politie heeft gedaan.

Deze aangifte steekt vanaf pagina 384 in het dossier en in de aangifte wordt verhaald van het feit verdachte’s broer, wiens zoon op de basisschool Petrus en Paulus zat, zich middels brieven en telefoongesprekken intensief met allerlei zaken aangaande de omgang met leerlingen en het schoolbeleid bemoeide, dat deze situatie na verloop van tijd onwerkbaar werd voor de betrokken leerkrachten en het schoolbestuur en dat dat de reden was voor het aan verdachte’s broer ontzeggen van de toegang tot het schoolterrein.

Op 24 oktober 2006 vond er vervolgens een incident plaats op de basisschool, waarbij verdachte’s broer werd aangehouden ter zake van huisvrede/lokaalvredebreuk en mishandeling. Bij de latere rechtszaak hierover tegen verdachte’s broer, was mevrouw [Naam persoon]opgeroepen als getuige. Verdachte’s broer werd veroordeeld tot het betalen van een geldboete.

Nadat verdachte’s broer het toegangsverbod voor het schoolterrein meermalen overtreden had, is de school overgegaan tot het verwijderen van de zoon van verdachte’s broer van de basisschool Petrus en Paulus.

Na de verwijdering van de zoon, deden verdachte en haar broer diverse keren aangifte bij de politie tegen onder andere [Naam persoon] en zijn collega [Naam persoon]. Verschillende personen die aan de school verbonden zijn kregen vervolgens per e-mail ingescande exemplaren van deze aangiften toegezonden. [Naam persoon] en [Naam persoon] zijn voorts telefonisch lastig gevallen en op 9 juli 2009 is, onder andere aan een e-mailadres van de Mediagroep Limburg, een e-mail verstuurd met daarbij een bewerkte foto van het schoolteam van de basisschool Petrus en Paulus. Bij [Naam persoon] was geschreven “politieaangifte wegens kindermisbruik”, bij [Naam persoon] “politieaangifte wegens meineed en wapenbezit”.

Feit 2

Mevrouw [Naam persoon]en de heer [Naam persoon]hebben op 4 juni 2010 aangifte gedaan van de verzending op 10 juli 2009 van een e-mailbericht aan 18 rijschoolhouders, collega’s van [Naam persoon], en het Centraal Bureau Rijvaardigheid vanaf het e-mail adres communicate@online.nl. Bijgevoegd bij deze e-mail was een gescande aangifte tegen [Naam persoon]wegens een poging tot zware kindermishandeling, intimidatie, bedreiging, valsheid in geschrifte en meineed. Later werd nog een e-mail verstuurd met daarin de tekst “Naar aanleiding van onderstaand mailtje meende de heer [Naam persoon] ons met de dood te moeten bedreigen. [Naam persoon]”

De personalia van de aangever in de als bijlage bij het verstuurde e-mailbericht bijgaande aangifte waren onleesbaar gemaakt. De in de bijlage opgenomen aangifte was op 4 september 2008 om 13.44 uur opgenomen door hoofdagent [naam persoon] van de politie Weert/Nederweert. De aangifte gaat over de getuigenis die mevrouw [Naam persoon] heeft afgelegd in de rechtszaak tegen verdachte’s broer op 5 november 2007. In de aangifte wordt mevrouw [Naam persoon] beschuldigd van meineed. Daarnaast wordt melding gemaakt dat zij niet terugdeinst voor criminele activiteiten.

Uit eerdere aangiften die in het dossier beschikbaar zijn, blijkt dat verdachte diverse keren aangifte heeft gedaan bij de politie te Nederweert. Deze aangiftes zijn opgenomen op pagina 720 tot en met 729 van het dossier. Een van de aangiftes is gedaan op 4 september 2008 om 13.12 uur bij hoofdagent [naam persoon] van de politie Weert/Nederweert. Toen werd aangifte gedaan tegen een deurwaarder. Deze aangifte is te vinden op pagina 722 en 723 in het dossier.

Wanneer de handtekening onder de hiervoor als tweede vermelde aangifte vergeleken wordt met de handtekening onder de aangifte tegen mevrouw [Naam persoon], dan blijkt dat beide aangiften zijn ondertekend door verdachte. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat verdachte aangifte heeft gedaan tegen mevrouw [Naam persoon]. Een oordeel waarin de rechtbank zich overigens gesterkt ziet door het feit dat verdachte juist voor het doen van de aangifte tegen mevrouw [Naam persoon] bij dezelfde agent aangifte heeft gedaan tegen een ander.

Op basis van uitgevoerd onderzoek is voorts vast komen te staan dat de e-mail van communicate@online.nl afkomstig is van het IP-adres dat toebehoorde aan [naam en adresgegevens]. Het betreft het woonadres van verdachte en de geregistreerde persoon is haar partner.

Voorts zijn de verzonden e-mails aangetroffen op een bij huiszoeking op het adres [adresgegevens], inbeslaggenomen notebook.

De vraag is evenwel of het verdachte, al dan niet samen met een of meer anderen, is geweest die het bewuste e-mailbericht met bijlage, heeft verstuurd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Voor de rechtbank staat vast dat er een conflict was tussen verdachte’s broer en [Naam persoon]. Dit, gegeven de voorgeschiedenis op de basisschool Petrus en Paulus. Met dit conflict heeft verdachte zich bemoeid en het kan niet anders dan dat verdachte en de medeverdachte, haar broer [naam persoon], in nauwe en bewuste samenwerking het e-mailbericht met bijlage hebben verstuurd. Het verweer van de raadsman daaromtrent wordt dan ook verworpen.

Nu met het versturen van de e-mail met bijlage is voldaan aan de voorwaarden voor laster acht de rechtbank feit 4 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en haar medeverdachte hadden zich met het versturen van de e-mail met bijlage ten doel gesteld ruchtbaarheid te geven aan de aangifte waarin de goede naam en eer van [Naam persoon] worden geschonden. Daarbij waren verdachte en haar medeverdachte ervan op de hoogte dat de aantijgingen niet op waarheid berustten.

Feit 1

Door [Naam persoon] is op 1 april 2010 aangifte gedaan van smaad(schrift), laster, lasterlijke aanklacht en/of belaging. Zij heeft verklaard dat zij sinds april 2007 lastig gevallen wordt door verdachte’s broer, [naam persoon]. Dat, nadat zij bij het AMK een melding had gedaan met betrekking tot de zoon van [naam persoon].

Zij heeft verder verklaard dat in de nacht van 3 op 4 maart 2010 op diverse adressen in de [adresgegevens] een brief is bezorgd. In deze brief wordt zij beschuldigd van “zuivering van gezinnen”. In de brief wordt gerefereerd aan haar werk bij de raad voor de Kinderbescherming. In de brief staat dat aangeefster in het sociale milieu de titel ‘het beest van Wolder’ kreeg.

De rechtbank overweegt dat het erop lijkt dat de brief, waarop het tenlastegelegde feit ziet, uit het kamp van verdachte’s broer komt. Overtuigend bewijs daarvoor heeft de rechtbank echter niet aangetroffen. Evenmin is vast te stellen dat verdachte bij de vervaardiging en verspreiding van de brief betrokken is geweest. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3

Op 26 juli 2010 heeft [naam persoon] bij de politie aangifte gedaan namens het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) ter zake van bedreiging, smaad, smaadschrift dan wel laster.

Hij heeft verklaard dat op maandag 19 juli 2010 naar verschillende adressen binnen het AZM een e-mail is verstuurd van communicate@online.nl. Bij die e-mail was een aantal bijlagen gevoegd met betrekking tot [naam persoon]. In de e-mail stond dat een medewerker van wgbo.nl in het AZM lag. Het betrof de medewerker die de organisatie van een groepje criminelen, dat op bestelling kinderen uit de maatschappij plukt voor diverse doeleinden, oprolde. Indien deze persoon niet levend uit het AZM zou komen, dan had wgbo.nl een "Wereldprimeur in Maastrichts Ziekenhuis".

[naam persoon] heeft bij de politie aangegeven dat het AZM vrees heeft bij de aangekondigde "Wereldprimeur". Dit omdat het AZM de zorg heeft over ongeveer 700 patiënten, waarvan een deel niet zelfredzaam is. Het AZM voelt zich daardoor erg kwetsbaar voor onbekende dreigingen. Verder wordt het AZM ervan beschuldigd zonder enige schroom alibi's te verstrekken aan misbruikers en moordenaars. De e-mail is volgens [naam persoon] ook naar verschillende adressen buiten het AZM gestuurd.

Verdachte’s broer, medeverdachte [naam persoon], is bij de politie gehoord over de aan het AZM verstuurde e-mail. Hij heeft daarbij verklaard dat [naam persoon] niet bij een verkeersongeval om het leven is gekomen maar door de politie om het leven is gebracht en heeft verder verklaard dat zijn zus meewerkt en aangiftes doet. Verder heeft hij verklaard dat de dag van of een paar dagen voor zijn aanhouding mailtjes zijn verstuurd. Hij gelooft dat deze naar het AZM zijn verstuurd. Het ging om confronterende mailtjes over de zaak [naam persoon], dat er alibi’s verschaft worden en dat [naam persoon] in het AZM is gestorven en niet onder een auto.

De rechtbank staat voor de vraag of het verdachte is geweest die bij betrokken is geweest bij het vervaardigen en/of verzenden van de e-mail die het AZM heeft ontvangen. Hoewel verdachte, gegeven de verklaring van haar broer, de schijn tegen zich heeft, mist de rechtbank het haar overtuigende bewijs. Zij zal verdachte van dit feit vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 juli 2009 in de gemeente Maastricht en de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van [Naam persoon]heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachte en haar medeverdachte met voormeld doel een geschrift, zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 3) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en haar medeverdachte wisten dat deze telastgelegde feiten in strijd met de waarheid waren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

T.a.v. feit 2:

Medeplegen van laster

De raadsman heeft een beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond ex artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de raadsman heeft de verdachte gehandeld in het kader van journalistieke werkzaamheden waarbij het gaat om grote maatschappelijke belangen.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte bij de feiten heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen of andermans belangen of in het algemeen belang heeft gehandeld. Dat verdachte zich de rol van onderzoeksjournalist heeft aangemeten maakt dit niet anders. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 52 weken, waarvan een gedeelte in voorwaardelijke vorm, op te leggen. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht wenst de officier van justitie als onvoorwaardelijk deel opgelegd te zien, de resterende tijd als voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgerond geschonden. Dat zou in matigende zin in de eventuele straf moeten meewegen.

Daarnaast verzoekt de raadsman verdachte te compenseren via strafvermindering omdat verdachte onrechtmatig in beperkingen in voorarrest heeft gezeten.

Ten slotte acht de rechtbank de verdachte detentie ongeschikt omdat zij in voorarrest medicijnen heeft moeten nemen tegen hartritmestoornissen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan laster ten opzichte van [Naam persoon]. Verdachte heeft immers een e-mail bericht gestuurd naar verschillende rijschoolhouders, zijnde collega’s van [Naam persoon] echtgenoot, met daarin een aangifte waarin zij beticht werd van kindermishandeling, intimidatie, bedreiging, valsheid in geschrifte en meineed. [Naam persoon] en haar gezin zijn door deze e-mail ernstig in hun persoonlijke levenssfeer getroffen. Zij hadden de angst dat door deze valse aantijging mensen een verkeerd beeld van hen zouden krijgen. [Naam persoon] is door het handelen van verdachte in haar eer en goede naam geschaad.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte samen met medestanders geruchtmakende zaken aan de kaak meent te stellen. De verdachte is er stellig van overtuigd dat in een aantal zaken sprake is van complottheorieën en doofpotaffaires. Wat daar ook van zij, het verontrust de rechtbank dat de verdachte daarbij op een dusdanige manier te werk gaan dat zij oude wonden openrijt en mensen (slachtoffers en nabestaanden) valse hoop biedt. Het handelen van verdachte draagt bij aan gevoelens van onrust in de samenleving. De aangesproken personen voelen zich veelal gekwetst door de - onterechte – aantijgingen. In plaats van de samenleving een dienst te bewijzen, bereikt de verdachte het tegenovergestelde. Zij bezorgt de samenleving veel overlast.

De raadman heeft betoogd dat in de onderhavige zaak de redelijke termijn geschonden is.

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen bij de inverzekeringstelling van verdachte op 20 juli 2010. Dat was namelijk een handeling vanwege de Staat waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Vervolgens heeft het tot heden, 7 augustus 2012, geduurd vooraleer de zaak in eerste aanleg is afgesloten met een vonnis.

De redelijke termijn, die gesteld kan worden op een periode van 2 jaar tussen het moment waarop deze aanving en de zaak in eerste aanleg is geëindigd met een vonnis, is aldus met zo’n 18 dagen overschreden. Aan deze overschrijding zal de rechtbank evenwel geen gevolgen verbinden.

De belangrijkste oorzaak voor de overschrijding is gelegen in het feit dat het Openbaar Ministerie verschillende keren geen rechtsgeldige betekening van de dagvaarding dan wel oproeping heeft kunnen bewerkstelligen. Eerdere zittingen konden toen, daar verdachte niet verscheen, geen doorgang vinden. Verdachte had echter wel kunnen verschijnen. Wat er immers ook zij van de geldigheid van de betekeningen, de raadsman van verdachte was telkens en ruim van tevoren op de hoogte van de diverse zittingen en verdachte had haar raadsman naar de zitting kunnen vergezellen. Zou het werkelijk zo geweest zijn dat verdachte niet lang(er) in onzekerheid had willen verkeren omtrent de strafrechtelijke afdoening van zijn zaak, dan had verdachte maar tezamen met haar raadsman naar de zitting moeten komen. Haar verschijnen ter terechtzitting had dan een anders nietige betekening kunnen herstellen.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan de totstandkoming van een rapportage omtrent haar persoon. Uit een dergelijke rapportage blijkende in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden die voor de afdoening van de strafzaak van belang zouden kunnen zijn, kunnen daarmee niet worden meegewogen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met het feit dat na de arrestatie van verdachte, het in strafrechtelijke zin nagenoeg stil is geweest. Er hebben geen nieuwe belagingen of lasterlijke handelingen plaatsgevonden in de richting van de verschillende actoren in het dossier. Het is hierom dat de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer opportuun acht.

Wél zal aan verdachte, gelet op de ernst van het feit, een werkstraf voor de duur van 60 uur worden opgelegd. Van deze werkstraf, die bij niet of niet volledige uitvoering kan worden vervangen door 30 dagen hechtenis, zal het voorarrest worden afgetrokken naar de maatstaf van 2 uren per dag in voorarrest doorgebracht.

De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte ervan doordrongen is dat zij haar handelingen en praktijken in de toekomst achterwege moet laten. In verband met deze zorgen voor de toekomst zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaar opleggen. Dit om verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam persoon] vordert een schadevergoeding van € 241,50, ter zake feit 1.

De officier van justitie heeft aangegeven dat de gevorderde schade met betrekking tot de autobanden niet voldoende in verband staat met de tenlastegelegde feiten en daarom de benadeelde partij in dat gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het overige gedeelte kan de vordering worden toegekend, inclusief de wettelijke rente en in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering wegens vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging, subsidiair acht de raadsman geen rechtstreeks verband aanwezig tussen de opgevoerde kosten en de bewezen verklaarde feiten, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard.

Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken ter zake van feit 1 van de tenlastelegging, zal zij de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 261, 262 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ter zake van feit 2 niet-ontvankelijk in de vervolging, voor zover het betreft smaad(schrift) jegens [Naam persoon];

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1 en 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk;

- bepaalt dat de voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van drie jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit en het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [naam persoon] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en

mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2012.

Buiten staat

Mr. C.M.W. Nobis is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 3 maart 2010 tot en met 4 maart 2010 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [Naam persoon] heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of haar medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 2) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of haar medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

2.

zij op of omstreeks 10 juli 2009 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [Naam persoon]en/of [Naam persoon]heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of haar medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 3) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of haar medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

3.

zij op of omstreeks 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van (medewerkers van) het Academisch Ziekenhuis Maastricht heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of haar medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 4) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of haar medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren.