Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX4071

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
03-703231-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van belaging en (medeplegen) laster tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. De voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw in de fout zal gaan. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 150 uren. Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Daarom heeft de rechtbank bij de strafoplegging geen rekening kunnen houden met eventuele persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 03/703231-10,

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[Naam verdachte],

[geboortedatum- en geboorteplaats],

[adresgegevens].

Raadsman is mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de door de afwezige verdachte gemachtigde raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of anderen [Naam belaagde] en/of [Naam belaagde] heeft belaagd dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan laster dan wel smaad en/of smaadschrift jegens [Naam belaagde] en/of [Naam belaagde],

Feit 2: samen met een ander of anderen [Naam belaagde] heeft belaagd,

Feit 3 t/m 5: samen met een ander of anderen zich schuldig heeft gemaakt aan laster dan wel smaad en/of smaadschrift jegens respectievelijk [Naam persoon], [Naam persoon] en/of [Naam persoon] en het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

3 De voorvragen

Het recht tot strafvervolging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte voor de beweerde, jegens [Naam persoon] gepleegde laster en/of smaad(schrift). [Naam persoon] heeft bij de politie aangifte gedaan wegens laster. Er is echter geen klacht van [Naam persoon] in het dossier opgenomen. Nu het ingediend zijn van een klacht evenwel een vereiste is voor de officier van justitie om tot vervolging over te kunnen gaan, acht de raadsman de officier van justitie niet-ontvankelijk.

De officier van justitie heeft in reactie op het voorgaande aangegeven het standpunt van de raadsman te delen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het voorgaande het volgende.

Om tot vervolging ter zake van overtreding van artikel 261 Wetboek van Strafrecht over te kunnen gaan dient voldaan te zijn aan het klachtvereiste. Nu aan dit vereiste ten aanzien van [Naam persoon] onder feit 4 niet is voldaan, zal de officier van justitie ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging in de vervolging niet-ontvankelijk worden verklaard.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5 samen met een ander heeft gepleegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten, aangezien uit het aanwezige bewijs niet kan volgen dat de feiten door verdachte dan wel zijn medeverdachte, zijnde zijn zus, zouden zijn gepleegd al dan niet in de vorm van medeplegen.

De raadsman komt ook tot vrijspraak voor de feiten 1 primair en 2 omdat geen sprake is van meermalen hinderlijk bellen. Voorts levert het heimelijk opnemen van gesprekken geen belaging op, mede nu ook hierbij niet van stelselmatigheid kan worden gesproken.

De raadsman komt voorts tot vrijspraak voor de feiten 1 subsidiair, 3, 4 en 5 omdat de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten niet te bewijzen is. Ook is er geen sprake van strijd met de waarheid geweest en er is geen ruchtbaarheid aan de feiten gegeven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

[Naam persoon] heeft bij de politie aangifte gedaan van belediging. [Naam persoon] is directeur van de basisschool Petrus en Paulus te Maastricht. In die hoedanigheid is hij, net als zijn collega [Naam belaagde], in contact gekomen met verdachte en diens zus.

De school heeft sinds de inschrijving van de zoon van verdachte in april 2004 veel te verduren gehad van verdachte. Hij bemoeide zich middels brieven en telefoongesprekken intensief met allerlei zaken aangaande de omgang met leerlingen en het schoolbeleid. De situatie werd na verloop van tijd onwerkbaar voor de betrokken leerkrachten en het schoolbestuur. Dit was de reden voor het aan verdachte ontzeggen van de toegang tot het schoolterrein.

Op 24 oktober 2006 vond er een incident plaats op de basisschool, waarbij verdachte werd aangehouden ter zake van huisvrede/lokaalvredebreuk en mishandeling. Bij de latere rechtszaak hierover tegen verdachte, was mevrouw [Naam persoon] opgeroepen als getuige. Verdachte werd veroordeeld tot het betalen van een geldboete.

Nadat verdachte het toegangsverbod voor het schoolterrein meermalen overtreden had, is de school overgegaan tot het verwijderen van verdachte’s zoon van de basisschool Petrus en Paulus.

Na de verwijdering van de zoon van verdachte van de school, deden verdachte en zijn zus diverse keren aangifte bij de politie tegen onder andere [Naam persoon] en [Naam persoon]. Verschillende personen die aan de school verbonden zijn kregen vervolgens per e-mail ingescande exemplaren van deze aangiften toegezonden.

Aangever [Naam persoon] heeft verder verklaard dat [naam verdachte’s zus], verdachte’s zus en medeverdachte, hem enkele malen thuis en op zijn GSM had gebeld.

Op 9 juli 2009 ontving de ICT-groep van de basisschool Petrus en Paulus per e-mail een bewerkte foto van het schoolteam. Bij [Naam persoon] was geschreven “politieaangifte wegens kindermisbruik”, bij [Naam persoon] “politieaangifte wegens meineed en wapenbezit”. Deze e-mail was ook gestuurd naar redactiemaastricht@mgl.nl, dat is de Mediagroep Limburg, waaronder het Limburgs Dagblad en De Limburger vallen. De e-mail was afkomstig van communicate@online.nl.

Aangever [Naam persoon] heeft verklaard dat [Naam persoon] dagelijks thuis telefonisch wordt lastig gevallen en anoniem wordt gebeld. De laatste tijd wel zo’n 60-70 keer. Meestal was er niets te horen aan de andere kant. Eén keer, op 2l juli 2009, was een opgenomen gesprek te horen over een oud-collega van [naam persoon] en [Naam persoon]. [Naam persoon] herkende toen de stem van [Naam verdachte’s zus].

Aanvullend heeft aangever [Naam persoon] nog verklaard dat [Naam verdachte’s zus] beschikt over een geluidsopname waar een gesprek met hem opstaat.

Aangever [Naam persoon] heeft voorts verklaard dat hij vanaf maart 2009 veelvuldig op zijn privéaansluiting wordt gebeld door anonieme telefoonnummers. Dat is al ongeveer honderd keer voorgevallen. Wanneer hij de telefoon aannam, hoorde hij geen respons van de beller. Verder heeft [Naam persoon] verklaard dat hij in mei 2009 tweemaal thuis is gebeld door [Naam verdachte’s zus] en in juli 2009 één keer op school. Zij gaf zich dan uit als onderzoeksjournalist. Ook kwam het voor dat hij opgenomen gesprekken hoorde wanneer hij de telefoon opnam.

Vervolgens heeft [Naam persoon] verklaard dat er verschillende e-mails zijn verstuurd naar het e mailadres van zijn werk en ook zijn persoonlijke e-mailadres. In die e-mails werd [Naam persoon] in een kwaad daglicht gesteld.

Door de politie is onderzoek verricht naar het anonieme telefoonnummer dat naar de familie [Naam persoon] belt. Daarbij is vast komen te staan dat gebeld wordt met een nummer dat geregistreerd staat op naam van [naam en adres persoon]. Het betreft het woonadres van verdachte. De geregistreerde persoon, [naam persoon], is de partner van verdachte.

Ook de vier e-mailberichten, die op 9 juli 2009 gestuurd zijn vanaf het adres communicate@online.nl, zijn onderzocht. De berichten zijn alle vier vanaf hetzelfde IP-adres verstuurd. Uit onderzoek kwam naar voren dat dit IP-adres toebehoort aan [naam en adres persoon]. Het betreft het woonadres van de medeverdachte [naam persoon]. [Naam persoon] is de partner van [naam persoon]. Verdachte is de broer van [naam persoon].

Belaging?

Om tot een bewezenverklaring van belaging te kunnen komen is vereist dat de stelselmatigheid van de gedragingen van verdachte wordt vastgesteld. Van belang daarbij is dat met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Smaad(schrift)/laster?

Om tot een bewezenverklaring van smaadschrift te kunnen komen dient aan drie voorwaarden te worden voldaan. Er moet sprake zijn van een aanranding van iemands eer of goede naam. Vervolgens moet een bepaald feit ten laste worden gelegd en dat terwijl de dader het doel had aan dit feit ruchtbaarheid te geven. Wordt er smaad gepleegd door geschriften of afbeeldingen publiek te maken, dan kan er sprake zijn van smaadschrift. Er is sprake van laster, wanneer degene die het misdrijf van smaad(schrift) pleegt weet dat datgene waarvan hij de beledigde beschuldigd in strijd met de waarheid is.

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van [Naam persoon] niet is vast te stellen of, en zo ja hoe vaak hij door verdachte is gebeld. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank vast te stellen of, en zo ja hoeveel e-mailberichten door verdachte zijn verstuurd naar [Naam persoon] en [Naam persoon], buiten de vier onderzochte berichten van 9 juli 2009. Dat deze vier berichten inbreuk maakten op de persoonlijke levenssfeer van [Naam persoon] en [Naam persoon] is evident. Echter, gelet op de hiervoor genoemde eisen zijn enkel deze vier berichten onvoldoende om te spreken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken voor feit 1 primair, omdat uit de bewijsmiddelen in het dossier niet is vast te stellen dat de gedragingen van verdachte een stelselmatig karakter hadden.

Vervolgens staat de rechtbank voor de vraag of het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden.

De voorzitter heeft aan het begin van de behandeling ter terechtzitting de officier van justitie verzocht een standpunt in te nemen over de datum die in de tenlastelegging wordt genoemd als datum waarop het subsidiaire feit gepleegd zou zijn.

De officier van justitie heeft vervolgens bij zijn requisitoir een bewezenverklaring gevorderd voor het plegen van laster op 9 juli 2010. De laster zou daarin gelegen zijn dat verdachte een e-mail heeft verstuurd naar verschillende adressen. Als bijlage bij die e-mail was een afbeelding gevoegd als omstreven in bijlage I bij de tenlastelegging.

De raadsman heeft vervolgens bij pleidooi verzocht verdachte vrij te spreken omdat in het dossier geen bewijs voorhanden is dat het feit op 9 juli 2010 gepleegd zou zijn. Hierop is door de officier van justitie niet gereageerd. Hij heeft volhard in zijn vordering.

Vast staat dat er op 9 juli 2009 een e mail als omschreven in bijlage I van de tenlastelegging, is verstuurd. Nu de officier van justitie bij verschillende gelegenheden is blijven volharden in een bewezenverklaring voor een feit dat gepleegd zou zijn op 9 juli 2010, houdt de rechtbank het ervoor dat de officier van justitie niet op het voorgaande e-mailbericht doelt.

De rechtbank is van oordeel dat in het dossier geen bewijs voorhanden is dat er op 9 juli 2010 door verdachte een e-mail is verstuurd met een inhoud als omschreven in bijlage I van de tenlastelegging en zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.

Feit 2

[Naam belaagde] is veelvuldig door een anoniem nummer gebeld. Het nummer waarvandaan gebeld werd bleek geregistreerd te staan op het woonadres van verdachte. Uit het overzicht opgenomen op pagina 831 van het dossier blijkt dat door tussenkomst van een telefoondienst meer dan 80 keer door het telefoonnummer dat staat geregistreerd op het woonadres van verdachte, is gebeld naar [Naam persoon], zelfs in de nachtelijke uren. Door de duur, de frequentie en de intensiteit van deze oproepen is stelselmatig wederrechterlijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Naam persoon].

De rechtbank staat echter voor de vraag of het verdachte was die telkens naar [Naam persoon] belde.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Gegeven de voorgeschiedenis op de basisschool Petrus en Paulus, de vaststelling dat met de telefoonaansluiting uit de woning van verdachte gebeld is en de aangifte door verdachte tegen [Naam persoon] op pagina 652 en verder in het dossier, staat voor de rechtbank voldoende vast dat er een conflict was tussen verdachte en [Naam persoon]. Nu niet ook maar de geringste aanwijzing bestaat dat een ander dan verdachte deze telefoontjes gepleegd zou kunnen hebben, kan het niet anders zijn dan dat verdachte degene was die de telefoontjes pleegde. Het verweer van de raadsman daaromtrent wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank merkt nog op dat gelet op het conflict dat speelde tussen verdachte en [Naam persoon], ieder mens onder vergelijkbare omstandigheden de vrees zou hebben dat er iets zou staan te gebeuren, zo ook de aangever [Naam persoon] in deze zaak.

Het zou kunnen zijn dat verdachte het onderhavige feit samen met een ander of anderen gepleegd heeft. De zus van verdachte heeft immers ook een aantal keren naar [Naam persoon] gebeld met vragen over de gang van zaken binnen de basisschool. Toch kan de rechtbank uit de bewijsmiddelen niet vaststellen dat van medeplegen sprake is. Verdachte zal daarvan partieel worden vrijgesproken.

Feit 3

Door [Naam persoon] is op 1 april 2010 aangifte gedaan van smaad(schrift), laster, lasterlijke aanklacht en/of belaging. Zij heeft verklaard dat zij sinds april 2007 lastig gevallen wordt door verdachte. Dat, nadat zij bij het AMK een melding had gedaan met betrekking tot het zoontje van verdachte.

Zij heeft verder verklaard dat in de nacht van 3 op 4 maart 2010 op diverse adressen in de [adresgegevens] een brief is bezorgd. In deze brief wordt zij beschuldigd van “zuivering van gezinnen”. In de brief wordt gerefereerd aan haar werk bij de raad voor de Kinderbescherming. In de brief staat dat aangeefster in het sociale milieu de titel ‘het beest van Wolder’ kreeg.

De rechtbank overweegt dat verdachte de schijn tegen zich heeft en dat het erop lijkt dat de brief, waarop het tenlastegelegde feit ziet, uit het kamp van verdachte komt, maar dat uit de bewijsmiddelen in het dossier niet vast te stellen is dat verdachte degene is geweest die de brief heeft vervaardigd dan wel heeft verspreid. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 4

[Naam persoon] en [Naam persoon] hebben op 4 juni 2010 aangifte gedaan van de verzending op 10 juli 2009 van een e-mailbericht aan 18 rijschoolhouders, collega’s van [Naam persoon], en het Centraal Bureau Rijvaardigheid vanaf het e-mail adres communicate@online.nl. Bijgevoegd bij deze e-mail was een gescande aangifte tegen mevrouw [Naam persoon] wegens een poging tot zware kindermishandeling, intimidatie, bedreiging, valsheid in geschrifte en meineed. Later werd nog een e-mail verstuurd met daarin de tekst “Naar aanleiding van onderstaand mailtje meende de heer [Naam persoon] ons met de dood te moeten bedreigen. [naam persoon]”

De personalia van de aangever in de als bijlage bij het verstuurde e-mailbericht bijgaande aangifte waren onleesbaar gemaakt. De in de bijlage opgenomen aangifte was op 4 september 2008 om 13.44 uur opgenomen door hoofdagent [naam] van de politie Weert/Nederweert. De aangifte gaat over de getuigenis die mevrouw [Naam persoon] heeft afgelegd in de rechtszaak tegen verdachte op 5 november 2007. In de aangifte wordt mevrouw [Naam persoon] beschuldigd van meineed. Daarnaast wordt melding gemaakt dat zij niet terugdeinst voor criminele activiteiten.

Uit eerdere aangiften die in het dossier beschikbaar zijn blijkt dat [Naam verdachte’s zus] diverse keren aangifte heeft gedaan bij de politie te Nederweert. Deze aangiftes zijn opgenomen op pagina 720 tot en met 729 van het dossier. Een van de aangiftes is gedaan op 4 september 2008 om 13.12 uur bij hoofdagent [naam] van de politie Weert/Nederweert. Toen werd aangifte gedaan tegen een deurwaarder. Deze aangifte is te vinden op pagina 722 en 723 in het dossier.

Wanneer de handtekening onder de hiervoor als tweede vermelde aangifte vergeleken wordt met de handtekening onder de aangifte tegen mevrouw [Naam persoon], dan blijkt dat beide aangiften zijn ondertekend door [Naam verdachte’s zus], zijnde de medeverdachte [naam]. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat [naam] aangifte heeft gedaan tegen mevrouw [Naam persoon]. Een oordeel waarin de rechtbank zich overigens gesterkt ziet door het feit dat medeverdachte [naam] juist voor het doen van de aangifte tegen mevrouw [Naam persoon] bij dezelfde agent aangifte heeft gedaan tegen een ander.

Op basis van uitgevoerd onderzoek is voorts vast komen te staan dat de e-mail van communicate@online.nl afkomstig is van het IP-adres dat toebehoorde aan [naam en adres],. Het betreft het woonadres van medeverdachte [naam]. De geregistreerde persoon is haar partner.

Voorts zijn de verzonden e-mails aangetroffen op een bij huiszoeking op het adres [adres], inbeslaggenomen notebook.

De vraag is evenwel of het verdachte, al dan niet samen met een of meer anderen, is geweest die het bewuste e-mailbericht met bijlage, heeft verstuurd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Gegeven de voorgeschiedenis op de basisschool Petrus en Paulus, de vaststelling dat de e-mail uit de woning van [Naam verdachte’s zus] is verstuurd en de aangifte door [Naam verdachte’s zus] tegen [Naam persoon], staat vast dat er een conflict was tussen verdachte en [Naam persoon] en dat [Naam verdachte’s zus] zich daarmee heeft bemoeid.

Het kan dan niet anders dan dat verdachte en de medeverdachte [Naam persoon] in nauwe en bewuste samenwerking het e-mailbericht met bijlage hebben verstuurd. Het verweer van de raadsman daaromtrent wordt dan ook verworpen.

Nu met het versturen van de e-mail met bijlage is voldaan aan de voorwaarden voor laster acht de rechtbank feit 4 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en zijn medeverdachte hadden zich met het versturen van de e-mail met bijlage ten doel gesteld ruchtbaarheid te geven aan de aangifte waarin de goede naam en eer van [Naam persoon] worden geschonden. Daarbij waren verdachte en zijn medeverdachte ervan op de hoogte dat de aantijgingen niet op waarheid berustten.

Feit 5

Op 26 juli 2010 heeft [naam] bij de politie aangifte gedaan namens het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) ter zake van bedreiging, smaad, smaadschrift dan wel laster.

Hij heeft verklaard dat op maandag 19 juli 2010 naar verschillende adressen binnen het AZM een e-mail is verstuurd van communicate@online.nl. Bij die e-mail was een aantal bijlagen gevoegd met betrekking tot [naam]. In de e-mail stond dat een medewerker van wgbo.nl in het AZM lag. Het betrof de medewerker die de organisatie van een groepje criminelen, dat op bestelling kinderen uit de maatschappij plukt voor diverse doeleinden, oprolde. Indien deze persoon niet levend uit het AZM zou komen, dan had wgbo.nl een "Wereldprimeur in Maastrichts Ziekenhuis".

[Naam] heeft bij de politie aangegeven dat het AZM vrees heeft bij de aangekondigde "Wereldprimeur". Dit omdat het AZM de zorg heeft over ongeveer 700 patiënten, waarvan een deel niet zelfredzaam is. Het AZM voelt zich daardoor erg kwetsbaar voor onbekende dreigingen. Verder wordt het AZM ervan beschuldigd zonder enige schroom alibi's te verstrekken aan misbruikers en moordenaars. De e-mail is volgens [naam] ook naar verschillende adressen buiten het AZM gestuurd.

Verdachte is bij de politie gehoord over de aan het AZM verstuurde e-mail. Verdachte heeft aangegeven dat [naam] niet bij een verkeersongeval om het leven is gekomen maar door de politie om het leven is gebracht. Verdachte heeft verklaard dat zijn zus meewerkt en aangiftes doet. Verder heeft hij verklaard dat de dag van of een paar dagen voor zijn aanhouding mailtjes zijn verstuurd. Hij gelooft dat deze naar het AZM zijn verstuurd. Het ging om confronterende mailtjes over de zaak [persoon], dat er alibi’s verschaft worden en dat [persoon] in het AZM is gestorven en niet onder een auto.

De rechtbank staat nu wederom voor de vraag of het verdachte is geweest die de e-mail aan het AZM heeft verstuurd. De rechtbank beantwoordt deze vraag wederom bevestigend. Gelet op de verklaring die verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie over de zaak [persoon] en over het AZM heeft gegeven kan het niet anders zijn dan dat verdachte de e mail heeft verstuurd. Het verweer van de raadsman daaromtrent wordt dan ook verworpen.

Met het versturen van de e-mail aan diverse adressen staat voor de rechtbank vast dat verdachte ruchtbaarheid heeft willen geven aan zijn verwijten.

Nu met het versturen van de e-mail is voldaan aan de voorwaarden voor laster acht de rechtbank feit 5 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte had zich immers ten doel gesteld met het versturen van het e-mailbericht met een bijlage, ruchtbaarheid te geven aan de aangifte waarin de goede naam en eer van het AZM worden geschonden. Daarbij wist verdachte dat deze aantijgingen niet op waarheid berustten.

Het heeft er de schijn van dat verdachte dit feit niet alleen gepleegd heeft. De aanwijzingen daarvoor in het dossier zijn echter voor de rechtbank niet voldoende om te stellen dat verdachte dit feit in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft gepleegd. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het medeplegen van het feit

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 oktober 2009 in de gemeente Maastricht en de gemeente Eijsden wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Naam belaagde] met het oogmerk die [Naam persoon] vrees aan te jagen immers heeft verdachte telkens tegen de wil van die [Naam persoon], meermalen hinderlijk gebeld;

4.

op 10 juli 2009 in de gemeente Maastricht en de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk, door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van [Naam persoon] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte met voormeld doel een geschrift, zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 3) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en zijn medeverdachte wisten dat deze telastgelegde feiten in strijd met de waarheid waren;

5.

hij op 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht opzettelijk door middel van verspreiding van een geschrift, de eer en de goede naam van het Academisch Ziekenhuis Maastricht heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel een geschrift, zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 4) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte wist dat deze telastgelegde feiten in strijd met de waarheid waren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 2:

belaging

T.a.v. feit 4:

medeplegen van laster,

T.a.v. feit 5:

laster

De raadsman heeft een beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond ex artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de raadsman heeft de verdachte gehandeld in het kader van journalistieke werkzaamheden waarbij het gaat om grote maatschappelijke belangen.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte bij de feiten heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen of andermans belangen of in het algemeen belang heeft gehandeld. Dat verdachte zich de rol van onderzoeksjournalist heeft aangemeten maakt dit niet anders. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf van 52 weken, waarvan een gedeelte in voorwaardelijke vorm, op te leggen. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht wenst de officier van justitie als onvoorwaardelijk deel opgelegd te zien, de resterende tijd als voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging zou mogen komen, dan verzoekt de raadsman met betrekking tot de ernst van het feit rekening te houden met de omstandigheid dat [Naam persoon] zijn aangifte heeft willen intrekken en dat van fysieke aantasting van de integriteit geen sprake is geweest.

De raadsman acht de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgerond geschonden. Dat zou in matigende zin in de eventuele straf moeten meewegen.

De raadsman verzoekt verdachte via strafvermindering te compenseren voor het feit dat hij onrechtmatig in beperkingen heeft verbleven.

De raadsman komt tot de conclusie dat bij een eventueel op te leggen straf kan worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan belaging van [Naam persoon]. Daarmee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Naam persoon]. Dit heeft niet alleen [Naam persoon] onder forse psychologische druk gezet, maar ook zijn gezin heeft eronder geleden. De raadman heeft nog naar voren gebracht dat [Naam persoon] zijn aangifte heeft willen intrekken en dat daarom met een rechterlijk pardon zou kunnen worden volstaan. De raadsman gaat daarmee voorbij aan de werkelijke reden waarom [Naam persoon] zijn aangifte heeft willen intrekken. Door het aanvragen van een anoniem nummer was de overlast voor [Naam persoon] voorbij en uit vrees dat de overlast wederom zou aanvangen wilde hij de zaak laten rusten. Dit kan naar oordeel van de rechtbank dan ook in geen geval voor verdachte strafmatigend zijn.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan laster ten opzichte van [Naam persoon] en het AZM. Verdachte heeft een e-mail bericht gestuurd naar verschillende rijschoolhouders, zijnde collega’s van [Naam persoon] echtgenoot, met daarin een aangifte waarin zij beticht werd van kindermishandeling, intimidatie, bedreiging, valsheid in geschrifte en meineed. [Naam persoon] en haar gezin zijn door deze e-mail ernstig in hun persoonlijke levenssfeer getroffen. Zij hadden de angst dat door deze valse aantijging anderen een verkeerd beeld van hen zouden krijgen. [Naam persoon] is door het handelen van verdachte in haar eer en goede naam geschaad.

Verdachte heeft ten slotte nog een e-mail gestuurd naar adressen binnen en buiten het AZM met daarin valse aantijgingen aan het adres van het AZM in “de zaak [persoon]”. Het AZM heeft de zorg over ruim 700 patiënten waarvan een deel niet zelf zorgzaam is. Het AZM voelde zich erg kwetsbaar voor onbekende dreigingen. Het AZM is door het handelen van verdachte in zijn eer en goede naam aangetast.

Verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie naar voren gebracht dat hij samen met diverse medestanders geruchtmakende zaken aan de kaak stelt. Verdachte is ervan overtuigd dat in een aantal zaken sprake is van complotten en doofpotten. Wat daar ook van zij, het verontrust de rechtbank dat verdachte op een dusdanige manier te werk gaan dat hij oude wonden openrijt en soms slachtoffers en nabestaanden valse hoop geeft. Het handelen van verdachte draagt bij aan gevoelens van onrust in de samenleving. De aangesproken personen voelen zich veelal gekwetst door de - onterechte - aantijgingen. In plaats van de samenleving een dienst te bewijzen, bereikt verdachte het tegenovergestelde. Hij bezorgt de samenleving veel overlast.

De raadman heeft betoogd dat in de onderhavige zaak de redelijke termijn geschonden is.

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen bij de inverzekeringstelling van verdachte op 20 juli 2010. Dat was namelijk een handeling vanwege de Staat waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Vervolgens heeft het tot heden, 7 augustus 2012, geduurd vooraleer de zaak in eerste aanleg is afgesloten met een vonnis.

De redelijke termijn, die gesteld kan worden op een periode van 2 jaar tussen het moment waarop deze aanving en de zaak in eerste aanleg is geëindigd met een vonnis, is aldus met zo’n 18 dagen overschreden. Aan deze overschrijding zal de rechtbank evenwel geen gevolgen verbinden.

De belangrijkste oorzaak voor de overschrijding is gelegen in het feit dat het Openbaar Ministerie verschillende keren geen rechtsgeldige betekening van de dagvaarding dan wel oproeping heeft kunnen bewerkstelligen. Eerdere zittingen konden toen, daar verdachte niet verscheen, geen doorgang vinden. Verdachte had echter wel kunnen verschijnen. Wat er immers ook zij van de geldigheid van de betekeningen, de raadsman van verdachte was telkens en ruim van tevoren op de hoogte van de diverse zittingen en verdachte had zijn raadsman naar de zitting kunnen vergezellen. Zou het werkelijk zo geweest zijn dat verdachte niet lang(er) in onzekerheid had willen verkeren omtrent de strafrechtelijke afdoening van zijn zaak, dan had verdachte maar tezamen met zijn raadsman naar de zitting moeten komen. Zijn verschijnen ter terechtzitting had dan een anders nietige betekening kunnen herstellen.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan de totstandkoming van een rapportage omtrent zijn persoon. Uit een dergelijke rapportage blijkende in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden die voor de afdoening van de strafzaak van belang zouden kunnen zijn, kunnen daarmee niet worden meegewogen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met het lichte strafblad van verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat na de arrestatie van verdachte, het in strafrechtelijke zin nagenoeg stil is geweest. Er hebben geen nieuwe belagingen of lasterlijke handelingen plaatsgevonden in de richting van de verschillende actoren in het dossier. Het is hierom dat de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer opportuun acht.

Wél zal aan verdachte, gelet op de ernst van de feiten, een werkstraf voor de duur van 150 uur worden opgelegd. Van deze werkstraf, die bij niet of niet volledige uitvoering kan worden vervangen door 75 dagen hechtenis, zal het voorarrest worden afgetrokken naar de maatstaf van 2 uren per dag in voorarrest doorgebracht.

De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte ervan doordrongen is dat hij zijn handelingen en praktijken in de toekomst achterwege moet laten. In verband met deze zorgen voor de toekomst zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaar opleggen. Dit om verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Naam persoon] vordert een schadevergoeding van € 119,98 ter zake van feit 2.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de schadevergoeding, inclusief de wettelijke rente en in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering wegens vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging, subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en vraagtekens kunnen worden gezet bij het rechtstreeks verband tussen de opgevoerde kosten en de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [Naam persoon] rechtstreekse schade heeft geleden door één van de feiten waarvoor verdachte zal worden veroordeeld en zal de vordering tot schadevergoeding dan ook geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente en in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [naam] vordert een schadevergoeding van € 241,50, ter zake feit 3.

De officier van justitie heeft aangegeven dat de gevorderde schade met betrekking tot de autobanden niet voldoende in verband staat met de tenlastegelegde feiten en daarom de benadeelde partij in dat gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het overige gedeelte kan de vordering worden toegekend, inclusief de wettelijke rente en in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering wegens vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging, subsidiair acht de raadsman geen rechtstreeks verband aanwezig tussen de opgevoerde kosten en de bewezen verklaarde feiten, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard.

Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken ter zake van feit 3 van de tenlastelegging, zal zij de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

8 Het beslag

De beslaglijst is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de goederen genoemd op de beslaglijst.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

De rechtbank zal de op de beslaglijst vermelde goederen verbeurd verklaren. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze goederen de verdachte toebehoren en de feiten met behulp van deze goederen zijn begaan dan wel dat de rechtmatige eigenaar van de goederen zich ervan bewust was of redelijkerwijs kon zijn dat verdachte de goederen bij het plegen van de strafbare feiten gebruikte.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 261, 261, 258b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ter zake van feit 4 niet-ontvankelijk in de vervolging, voor zover het betreft smaad(schrift) jegens [Naam persoon];

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 1 en 3;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk;

- bepaalt dat de voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van drie jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen vermeld op bijlage II bij dit vonnis;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam persoon] van € 119,98 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam persoon], € 119,98, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en

mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 augustus 2012.

Buiten staat

Mr. C.M.W. Nobis is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 december 2006 tot en met 9 juli 2009 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft/hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Naam belaagde] en/of [Naam belaagde] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [Naam persoon] en/of [Naam persoon], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/hebben hij en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

- tegen de wil van die [Naam persoon], meermalen hinderlijk gebeld en/of heimelijk (meerdere) telefoongesprekken opgenomen en/of

- een grote hoeveelheid lasterlijke e-mailberichten verstuurd en/of verspreid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 juli 2010 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [Naam belaagde] en/of [Naam belaagde] heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 1) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of zijn mederverdachte wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 4 oktober 2009 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Eijsden en/of de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft/hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [Naam belaagde], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [Naam persoon], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

- tegen de wil van die [Naam persoon], meermalen hinderlijk gebeld en/of heimelijk

(meerdere) telefoongesprekken opgenomen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2010 tot en met 4 maart 2010 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [Naam persoon] heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 2) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

4.

hij op of omstreeks 10 juli 2009 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van [Naam persoon] en/of [Naam persoon] heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 3) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

5.

hij op of omstreeks 19 juli 2009 in de gemeente Maastricht en/of de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en), de eer en/of de goede naam van (medewerkers van) het Academisch Ziekenhuis Maastricht heeft/hebben aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met voormeld doel (een) geschrift(en), zoals aan deze telastelegging gehecht (bijlage 4) en daarvan deel uitmakende, verspreid, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

BIJLAGE II: De beslaglijst.

20300245861/001 19 1.00 STK USB-stick

-

kavelnr. BG A19 1816789

20300245907/001 8 1.00 STK Computer

HITACHI TRAVEL

kavelnr. BGA-8 (1816807)

20300245907/002 9 1.00 STK Harddisk

IONMEGA

kavelnr. BGA 9 (1816817)

20300245907/003 10 1.00 STK Papier

-

kavelnr. BG A10 1816387 handschriften

20300245907/004 11 1.00 STK Boek Kl:groen

-

kavelnr. BG A11 1822712 album

20300245907/005 14 1.00 STK Cd-Rom

-

kavelnr. BG A14 1821268

20300245907/006 20 1.00 STK USB-stick

-

kavelnr. BG A20 1816793

20300245907/007 21 9.00 STK Papier

-

kavelnr. BG A21 1822714 (handschriften)

20300245907/008 24 1.00 STK Cd-Rom

-

kavelnr. BG A24 1821278 (in doosje)

20300245907/009 29 7.00 STK Boek

-

kavelnr. BG A29 1822756

20300245907/010 32 1.00 STK Boek

-

kavelnr. BG A32 1822819

20300245907/011 33 11.00 STK Cd-Rom

-

kavelnr. BG A33 1821289

20300245907/012 35 2.00 STK Boek

-

kavelnr. BG A35 1822826 (notitieboekjes)

20300245907/013 36 9.00 STK Ordner

-

kavelnr. BG A36 (1822828)1 klapper-8 not.blokken

20300245907/014 38 2.00 STK Cd-Rom

-

kavelnr. SL3-1 1822707

20300245907/015 41 5.00 STK Cassetteband

-

kavelnr. SL3-3 1822715

20300245907/016 47 2.00 STK Papier

-

kavelnr. VD 1-1 1817719