Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX3767

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
172006 / HA RK 12-69
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijk nu de indiening van het verzoek na ruim drie weken plaatsvond en er geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding is aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 25 juni 2012

Zaaknummer : 172006 / HA RK 12-69

De meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

in de zaak

[verzoeker]

wonend te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

advocaat mr. J.J.M. Goumans;

door welke laatste een verzoek ingediend is dat strekt tot wraking van:

mr. [naam], rechter bij deze rechtbank (hierna: de rechter).

1. Het verloop van de procedure

Tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote [naam] heeft op 14 december 2011 een kort geding gediend omtrent een vordering die door de rechter bij vonnis van 2 januari 2012 afgewezen is.

In de als bodemzaak aan te merken verdelingsprocedure tussen dezelfde civiele partijen heeft de rechter op 18 januari 2012 een tussenbeschikking gewezen.

Op 7 februari 2012 heeft de rechtbank van verzoeker een wrakingsverzoek ontvangen dat op 24 februari 2012 geëindigd is met een niet-ontvankelijkverklaring omdat verzoeker het verzoek te laat ingediend had.

Op 25 april 2012 heeft de rechter een tweede tussenbeschikking gewezen in de verdelingsprocedure.

Een schriftelijk verzoek tot wraking dat de rechtbank op 21 mei 2012 ontvangen had, is niet in behandeling genomen omdat het niet conform artikel 278 leden 2 en 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mede ondertekend was door een advocaat.

Verzoeker heeft op 30 mei 2012 wederom een gelijkluidend verzoek tot wraking geadresseerd aan een aantal bij de behandeling van het eerdere wrakingsverzoek betrokken rechters persoonlijk, met de vraag het verzoek tot wraking in behandeling te nemen gelet op de bijzondere omstandigheden. Ook dit verzoek is, om dezelfde redenen als het verzoek van 21 mei 2012, niet in behandeling genomen.

Op 31 mei 2012 heeft verzoeker het verzuim hersteld door een derde, thans door zijn (huidige) advocaat ondertekend, verzoek tot wraking in te dienen. Dit verzoek heeft 1 juni 2012 als poststempel gekregen.

De wrakingskamer heeft op 7 juni 2012 schriftelijk bericht ontvangen van de rechter dat hij niet in de wraking berust. Tevens heeft hij de wrakingskamer schriftelijk zijn standpunt doen toekomen, waarbij hij heeft opgemerkt niet deel te zullen nemen aan de zitting in verband met verhindering.

Ter zitting van de wrakingskamer op 12 juni 2012 zijn verzoeker en zijn advocaat mr. Goumans verschenen, bij welke gelegenheid zij gezamenlijk het verzoek nader toegelicht hebben.

De wrakingskamer heeft vervolgens bepaald dat op 25 juni 2012 uitspraak zal worden gedaan.

2. Standpunten van partijen

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de rechter wederom blijk heeft gegeven van partijdigheid. Om de veronderstelde partijdigheid voor het voetlicht te brengen verwijst verzoeker naar de beschikkingen van 18 januari 2012 en 25 april 2012 in combinatie met enige feitelijkheden van 14 december 2011 tijdens de mondelinge behandeling van de vordering in kort geding. De verdelingsprocedure waarin op 18 januari 2012 en 25 april 2012 tussenbeschikkingen zijn gewezen, is nog niet in een eindfase.

Verzoeker voert zowel in zijn eigen schriftelijke bijdrage aan het verzoek tot wraking als mondeling ter zitting van de wrakingskamer een aantal inhoudelijke bezwaren tegen (voorlopige) oordelen van de rechter aan en voegt daaraan toe dat al deze argumenten bij elkaar hem tot de overtuiging gebracht hebben dat de rechter partijdig is.

De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie aangevoerd dat het verzoek niet tijdig gedaan is, nu verzoeker stelt dat hij de beschikking van 25 april 2012 op diezelfde dag via een collega van zijn toenmalige advocaat mr. Van de Laar heeft ontvangen. Daarnaast bestrijdt de rechter de stelling dat hij wederom blijk gegeven heeft van partijdigheid en verwijst hij naar de eerdere niet-ontvankelijkverklaring. Enige schijn van vooringenomenheid is immers toen niet vastgesteld. De rechter stelt zich voorts op het standpunt dat verzoeker geen valide argumenten aanvoert voor een succesvol beroep op het middel van wraking, ook niet - als optelsom van de verzoeker kennelijk onwelgevallige beslissingen - wanneer al die argumenten en beslissingen in onderling verband en samenhang beschouwd worden. Het verzoekschrift is overigens in de ogen van de rechter (te) weinig concreet aangaande de verwijten die hem gemaakt worden.

3. De beoordeling

Alvorens de rechtbank kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of de vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of het verzoek tijdig ingediend is.

Ingevolge art. 36 Rv in relatie tot art. 37 lid 1 Rv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Art. 37 lid 2 Rv bepaalt dat het verzoek tot wraking schriftelijk en gemotiveerd gedaan moet worden. Tevens is in dat artikellid bepaald dat na de aanvang van het onderzoek ter zitting het verzoek ook mondeling kan geschieden. Ingevolge art. 37 lid 3 Rv is de verzoeker tot wraking verplicht alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn verzoek brengen, tegelijk voor te dragen.

Uit art. 278 leden 2 en 3 Rv volgt dat het verzoekschrift, gelet op de aard van de procedure waarin het wrakingsverzoek gedaan is, ondertekend dient te zijn door een advocaat (zie ook HR 18 december 1998, NJ 1999, 271).

Verzoeker heeft op 7 februari 2012 een wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend, mede naar aanleiding van de tussenbeslissing van de rechter van 18 januari 2012. De wrakingskamer heeft in haar beschikking van 24 februari 2012 geoordeeld dat het verzoek door het tijdsverloop van veertien dagen niet tijdig gedaan was en dat verzoeker daarom niet in zijn verzoek ontvangen kon worden.

De inhoud van de tussenbeschikking van 25 april 2012 is voor verzoeker kennelijk opnieuw aanleiding geweest een wrakingsverzoek in te dienen. Verzoeker is naar eigen zeggen op zoek gegaan naar een advocaat die bereid zou zijn hem daarin te ondersteunen. Hoewel verzoeker daarbij aanwijsbaar problemen ondervonden heeft, ligt die advocatenkeuze onmiskenbaar in zijn risicosfeer en vormen de ervaren problemen daarom geen verschoonbare reden voor het niet-tijdig indienen van een verzoek tot wraking.

Verzoeker heeft uiteindelijk zelf op 21 mei 2012 een wrakingsverzoek bij de rechtbank ingediend. Naar aanleiding van dit verzoek is hij met verwijzing naar art. 278 leden 2 en 3 Rv geïnformeerd over de verplichte procesvertegenwoordiging en is hem gelegenheid geboden het verzuim te herstellen. Tevens is gewezen op de mogelijkheid dat dit verzoek, waarin een toelichting op de late indiening ontbrak, als niet tijdig gedaan zou worden aangemerkt. Verzoeker werd in overweging gegeven de bijzondere omstandigheden waaruit een verschoonbare termijnoverschrijding kon volgen, alsnog aan te voeren. Daarna heeft het nog tot 31 mei 2012 geduurd voordat het door de advocaat ondertekende verzoek werd ingediend.

De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker al op 25 april 2012 kennis heeft genomen van de tussenbeschikking van de rechtbank in de verdelingsprocedure. Zelfs indien zou worden uitgegaan van 21 mei 2012 als datum van indiening van het verzoek, ruim drie weken dus na de laatste tussenbeschikking van 25 april 2012, zou het verzoek tot wraking niet gedaan zijn zodra feiten of omstandigheden die daartoe aanleiding zouden kunnen zijn, aan verzoeker bekend waren. Omdat verzoeker ook overigens geen verschoonbare reden voor een dergelijke (aanzienlijke) termijnoverschrijding heeft aangevoerd, dient hij in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaard te worden.

4. De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. [naam].

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. H.W.M.A. Staal, rechter en mr. P. Hoekstra, rechter, en is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MJ