Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX3373

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
158940 / FA RK 11-202
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vader zonder gezag verzoekt vaststelling van een omgangsregeling met zijn twee kinderen ( 4 en 3 jaar). Hij doet ( mede) een beroep op zijn recht op contact op grond van artikel 8 EVRM. Moeder voert in haar verweer aan dat vader agressief en gewelddadig is en dat zij daarom bang is voor vader.

Rechtbank overweegt dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord, dat aannemelijk is dat sprake is van agressie, geweld en bedreigingen en oordeelt dat de gronden voor ontzegging aanwezig zijn en dat het door vader genoemde recht op omgang ex artikel 8 EVRM dient te wijken voor de belangen van de kinderen.

Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 20 juli 2012

Zaaknummer: 158940 / FA RK 11-202

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[Naam vader],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L. Saritas,

en:

[Naam moeder],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.S. van Gans.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op 15 juli 2011 uitgesproken beschikking.

1. Verder verloop van de procedure

De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft op 26 januari 2012 een rapport uitgebracht.

De vader heeft daarop gereageerd bij brief van 13 februari 2012.

De moeder heeft nog gereageerd bij faxbericht van 15 maart 2012.

2. Verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

De raad heeft in zijn voornoemde rapport geconcludeerd dat het niet in het belang is van [minderjarige A] en [minderjarige B] dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld.

Volgens de raad zou contact tussen de vader en de beide kinderen de huidige opvoedingssituatie van de kinderen bij de moeder dusdanig verstoren, dat er sprake zou zijn van een onaanvaardbaar risico voor de ontwikkeling van [minderjarige A] en [minderjarige B]. De raad hoopt dat de moeder er de komende tijd in zal slagen om sterker te worden en haar angsten en weerstand ten aanzien van de vader een plek te geven waardoor zij in de toekomst wel in staat zal zijn om omgang tussen de kinderen en de vader toe te staan, zonder dat haar eigen functioneren daardoor in het geding komt. Tevens hoopt de raad dat de vader de angsten en weerstand van de moeder serieus kan nemen en haar de rust zal gunnen om haar negatieve ervaringen te verwerken. Op deze manier kunnen de ouders er in de toekomst wellicht wel in slagen tot afspraken te komen.

De raad stelt dat de ontzeggingsgronden zoals opgenomen in artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek aanwezig zijn. Omgang zou namelijk ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige A] en [minderjarige B]. De raad adviseert de rechtbank het verzoek af te wijzen.

De moeder heeft bij faxbericht van 15 maart 2012 aangegeven een voortzetting van de mondelinge behandeling niet noodzakelijk te vinden. Zij verzoekt de rechtbank om het advies van de raad op te nemen in een beschikking.

De vader geeft in zijn brief van 13 februari 2012 aan dat hij zich niet met het advies van de raad kan verenigen en hij verzoekt de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen zoals bij verzoekschrift is verzocht.

De vader stelt hiertoe dat hij in het licht van artikel 8 EVRM in beginsel gerechtigd is tot contact met de kinderen en dat de kinderen in beginsel recht hebben om hun beide ouders te kennen en daarmee een band op te bouwen.

Verder ontkent de vader dat er sprake is geweest van huiselijk geweld of van bedreiging door hem. Volgens de vader is de moeder niet uit angst vertrokken uit Limburg, maar vanwege een huurachterstand. De vader stelt dat hij altijd de omgangsafspraken nakwam.

De rechtbank stelt voorop dat het recht op omgang een fundamenteel recht is van zowel de ouder als het kind. Alleen als omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of als omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind kan de rechtbank het recht op omgang ontzeggen.

In de beschikking van 15 juli 2011 heeft de rechtbank aangegeven dat ter zitting van 8 juli 2011 is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en dat de ouders lijnrecht tegenover elkaar staan. In het rapport van de raad wordt deze situatie bevestigd: “de relatie tussen de ouders is instabiel en gewelddadig en de kans dat de vastgelopen communicatie tussen de ouders hersteld kan worden door mediation is nihil”.

De rechtbank overweegt dat uit de raadsrapportage en uit de brief van 13 februari 2012 van de vader blijkt dat de ouders nog steeds tegenstrijdige stellingen hebben over uiteenlopende onderwerpen als nakomen van afspraken, geweld en agressie en de reden van vertrek van de moeder uit Limburg.

De ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de gebleken tegenstellingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de beide kinderen. Het door de vader in het licht van artikel 8 EVRM genoemde recht op omgang dient daarom te wijken voor de belangen van de kinderen.

De moeder stelt dat zij zeer bang is voor de vader. Volgens de moeder heeft hij zich agressief, gewelddadig en dreigend gedragen.

De vader ontkent het huiselijk geweld en bedreiging.

De rechtbank acht aannemelijk dat wel sprake is van agressie, geweld en bedreigingen van de vader jegens de moeder. Immers, niet alleen de moeder spreekt over agressie en geweld, maar ook de medewerkster van BJZ, zo blijkt uit het rapport van de raad, geeft aan dat sprake is geweest van huiselijk geweld en fysiek geweld van de vader jegens de moeder, zelfs in aanwezigheid van de kinderen. Er zijn zorgmeldingen van de politie geweest. Daarnaast blijkt uit de justitiële documentatie dat de vader meerdere keren is veroordeeld wegens huiselijk geweld in de periode tussen 2003 en 2010. Ten slotte is de vader ook in 2011 nog (voorwaardelijk) veroordeeld wegens huiselijk geweld.

Gelet hierop overweegt de rechtbank dat het zeer aannemelijk is dat de moeder geen enkel vertrouwen heeft in de vader, bang voor hem is en zich geïntimideerd voelt.

De rechtbank is met de raad van oordeel dat het de kinderen lange tijd heeft ontbroken aan een basisgevoel van veiligheid door de spanningen en angst bij moeder, veroorzaakt door de bedreigingen en geweld van de vader jegens de moeder.

De rechtbank overweegt dat omgang opnieuw aanmerkelijke onrust en spanningen teweeg zal brengen, die ernstig nadeel toebrengen aan de geestelijke ontwikkeling van de kinderen.

De rechtbank oordeelt op grond van het vorenstaande dat de gronden voor ontzegging van het recht op omgang aanwezig zijn. Het verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek van de vader af.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.