Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX3190

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
01-08-2012
Zaaknummer
162117 / FA RK 11-698
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaak met interregionale aspecten. Rechtbank verklaart zich in de loop van de procedure alsnog onbevoegd. Uitzondering op het perpetuatio-fori-beginsel. Nederlandse rechter geldt niet langer als de rechter die het meest geschikt is om over deze kwestie te oordelen, nu de minderjarige inmiddels op Sint Maarten woont.

Verzoekster, afkomstig uit Haïti, maar woonachtig in Nederland, verzoekt vaststelling van een omgangsregeling met haar kleinzoon, geboren te Heerlen (Nederland). Bij tussenbeschikking van de rechtbank wordt verzoekster ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De behandeling van de zaak wordt aangehouden voor onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, hierna afgekort: de raad. De raad bericht de rechtbank dat de raad niet kan rapporteren, aangezien de minderjarige met zijn vader, die sinds het overlijden van de moeder als alleenstaande ouder het gezag over hem uitoefent, is gaan wonen op St. Maarten.

De rechtbank verklaart zich vervolgens onbevoegd, nu de Nederlandse rechter niet meer de meest geschikte rechter is om op het verzoek te beslissen. De rechtbank zoekt hiervoor aansluiting bij de (gezien het interregionaal karakter van de zaak formeel niet toepasselijke) bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, tot welk verdrag Sint Maarten per 10-10-2010 is toegetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 4 juli 2012

Zaaknummer: 162117 / FA RK 11-698

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[Naam grootmoeder],

verzoekster, verder te noemen: de grootmoeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. N.R. Heilhof,

en:

[Naam vader],

wederpartij, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M. Kikken.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op 27 september 2011 uitgesproken beschikking.

1. Verder verloop van de procedure

De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft gereageerd bij brief van 8 februari 2012.

De grootmoeder heeft nog gereageerd bij brieven van 8 november 2011, met bijlagen, en van 19 december 2011 met bijlagen.

De vader heeft nog gereageerd bij brieven van 7 december 2011, met bijlagen, en van 12 april 2012 met bijlage.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 13 april 2012.

2. Standpunten ter zitting van 13 april 2012

2.1

Namens de vader heeft mr. Kikken primair aangevoerd, dat deze rechtbank geen rechtsmacht meer heeft en niet langer bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en daarin te beslissen, nu de vader met [de minderjarige] eind oktober 2011 volgens planning is teruggekeerd naar Sint Maarten en daar wil blijven wonen. Van toepassing is het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming minderjarigen (Den Haag 5 oktober 1961, Trb 1963, 29: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961). Het belang van het kind is het best gewaarborgd bij beoordeling door het gerecht van de gewone verblijfsplaats van het kind. De advocaat verwijst in dit verband naar de artikelen 1 en 5 van voornoemd Haags Kinderbeschermingverdrag 1961, alsmede naar uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 september 2009 en van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, St. Eustatius en Saba van 26 april 2011. Daaruit blijkt, aldus de raadsvrouwe, dat de bevoegdheid van de rechter overgaat naar de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind. Daarmee samenhangend beheerst dan het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten het toepasselijke recht. De huidige verblijfplaats van [de minderjarige] is sinds 3 januari 2012 bij een tante van [de minderjarige] op Sint Maarten. Vader is al anderhalf jaar na de dood van de moeder met [de minderjarige] naar Sint Maarten verhuisd. Het verblijf van [de minderjarige] op Sint Maarten heeft een duurzaam karakter. De vader is samen met [de minderjarige] geëmigreerd naar Sint Maarten. De vader is op een gegeven moment nog even teruggekomen naar Nederland, maar gaat binnen een week definitief terug naar Sint Maarten. Subsidiair heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat de vader grote bezwaren heeft tegen omgang tussen de grootmoeder en [de minderjarige]. Hij acht die omgang niet in het belang van [de minderjarige]. Contact met de grootmoeder levert grote problemen op. De grootmoeder doet aan Voodoo en de vader wil [de minderjarige] daar niet mee in aanraking laten komen. De vader is bang voor de grootmoeder. De vader wil op geen enkele wijze omgang tussen de grootmoeder en [de minderjarige] zolang [de minderjarige] minderjarig is. [de minderjarige] wil zelf ook geen contact. Op Sint Maarten kan ook onderzoek worden gedaan naar eventuele omgang tussen de grootmoeder en [de minderjarige].

2.2

Namens de grootmoeder heeft mr. Heilhof aangevoerd dat bij de vorige beschikking de grootmoeder ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en haar kleinzoon. De vader heeft er alles aan gedaan om contact met de grootmoeder en met de raad te vermijden. Betwist wordt dat [de minderjarige] met zijn vader daadwerkelijk op Sint Maarten is gaan wonen nu niet is aangetoond dat hij in Nederland zou zijn uitgeschreven. Er zal omgang moeten komen tussen de grootmoeder en [de minderjarige] ongeacht diens verblijfplaats. Dat kan op velerlei manieren, gelet op de huidige mogelijkheden. Dat kan ook als [de minderjarige] op Sint Maarten verblijft. Het verblijf van [de minderjarige] op Sint Maarten brengt geen wijziging in de bevoegdheid van deze rechtbank. Artikel 8 Brussel bis is van toepassing. De rechtbank Maastricht blijft bevoegd in deze zaak op grond van het perpetuatio fori-beginsel en dat is in het belang van [de minderjarige]. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 is niet van toepassing.

2.3

De raad heeft ter zitting aangevoerd onvoldoende op de hoogte te zijn van de onderzoeksmogelijkheden van een vergelijkbare instantie als de raad op Sint Maarten, maar is bereid dit te laten uitzoeken en, in geval van een bevestigend resultaat, om mee te werken aan een deelonderzoek op Sint Maarten. Het is nog maar de vraag of dat uiteindelijk kan leiden tot een advies, omdat de raad in dat geval slechts een deel van het onderzoek zelf kan uitvoeren terwijl de raad, om een goed advies te kunnen geven, op zijn minst een gesprek moet kunnen voeren met de vader, met de grootmoeder en met [de minderjarige]. Daarnaast is er informatie nodig van informanten. Wellicht dat de grootmoeder op Sint Maarten bij de bevoegde instanties een verzoek tot vaststellen van een omgangsregeling kan indienen.

3. Verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

Bij voornoemde beschikking is de behandeling aangehouden in afwachting van het resultaat van het door de raad uit te voeren onderzoek met betrekking tot de vraag of een omgangsregeling in het belang is van [de minderjarige] en zo ja, op welke wijze deze dient te worden vormgegeven.

De raad heeft bij brief van 8 februari 2012 gereageerd met de mededeling geen mogelijkheid te zien om de rechtbank te adviseren, aangezien het de raad op geen enkele manier is gelukt om contact met de vader van [de minderjarige] te krijgen.

Alvorens inhoudelijk op de zaak te kunnen ingaan dient de rechtbank eerst te oordelen over de vraag of zij nog steeds bevoegd is in deze zaak.

Blijkens een op 4 juli 2012 uitgevoerde GBA-controle is de vader met [de minderjarige] op 26 oktober 2011 geëmigreerd naar Sint Maarten. Mede gelet op hetgeen de vader ter mondelinge behandeling heeft verklaard gaat de rechtbank ervan uit dat het leven van [de minderjarige] zich sedertdien afspeelt op Sint Maarten en dat hij daar zijn gewone verblijfplaats heeft.

Bij Rijkswet van 7 september 2010 (inwerkingtreding 10 oktober 2010) is het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden gewijzigd in verband met de wijziging van de staatkundige hoedanigheid van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen (Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen). Artikel I onder 1 bepaalt dat Curaçao en Sint Maarten elk de hoedanigheid hebben van land binnen het Koninkrijk.

Deze zaak betreft dus een zaak van interregionaal recht. Dat betekent dat de rechtbank te maken heeft met het ongeschreven recht. De Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Brussel II bis), het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming minderjarigen (Den Haag 5 oktober 1961, Trb 1963, 29: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961) en het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) zijn niet van toepassing.

Naar algemeen heersende opvatting dient in een zaak als de onderhavige ter beantwoording van de bevoegdheidsvraag aansluiting te worden gezocht bij de dichtst bij zijnde IPR-regel.

De rechtbank stelt vast dat het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 op 10 oktober 2010 voor Sint Maarten in werking is getreden. Daarin ziet de rechtbank aanleiding aansluiting te zoeken bij de regels van dit verdrag, in casu de artikelen 1 en 5 van het Verdrag.

Hiervan uitgaande en rekening houdende met de in de loop van deze procedure gewijzigde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak een uitzondering gemaakt dient te worden op het perpetuatio fori-beginsel. Nu het maatschappelijke leven van [de minderjarige] zich inmiddels afspeelt en naar verwachting in de nabije toekomst zal blijven afspelen op Sint Maarten, acht de Nederlandse rechter zich niet langer de meest geschikte rechter om over deze kwestie te oordelen en moet de rechter op Sint Maarten beter in staat geacht worden te oordelen over de belangen van [de minderjarige] betreffende de vraag of omgang met zijn grootmoeder in zijn belang is en zo ja op welke wijze daaraan invulling zou moeten worden gegeven.

4. Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd van deze zaak nader kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.A. Schreinemakers, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.

MD

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.