Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX1282

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
03-702694-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben harddrugs in woning; vrijspraak poging doodslag en zware mishandeling; veroordeling poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702694-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juli 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

gedetineerd in de P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave.

Raadsman is mr. W.R. Smeets, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 juni 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd zijn partner te doden, dan wel haar zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2: samen met (een) ander(en) 2.278 gram heroïne en/of 155 gram cocaïne in zijn bezit heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van zijn partner. Evenmin kan naar het oordeel van de officier van justitie worden vastgesteld dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Wel acht hij het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft bekend zijn partner te hebben geslagen en aan de haren te hebben getrokken. Op de foto’s van het slachtoffer zijn daarnaast duidelijk striemen in de hals te zien. Ook acht de officier van justitie het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe gesteld dat verdachte samen met zijn vriendin in de woning verbleef waar de drugs zijn aangetroffen. Tevens heeft verdachte de kluis bevattende drugs en meubilair naar die woning verhuisd. Verdachte heeft verder ter terechtzitting verklaard dat hij een vermoeden had dat er iets niet in de haak was en dat hij ervan uitging dat het iets met drugs te maken had.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de onder 1 primair en subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten tot vrijspraak geconcludeerd. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde is hij het eens met het door de officier van justitie ingenomen standpunt.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde aangevoerd dat het slachtoffer in haar eerste verklaring en in haar aangifte niet noemt dat verdachte haar keel heeft dichtgeknepen. De letsels in de nek die op de foto’s te zien zijn, kunnen ook een andere oorzaak hebben. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij ten gevolge van de mishandeling door verdachte een gebroken borstbeen en een verschoven wervel heeft opgelopen. De officier van justitie heeft echter ter terechtzitting aangegeven dat dit niet is bevestigd door de behandelend arts.

Feit 2 kan in de ogen van de raadsman evenmin bewezen worden verklaard, nu verdachte geen wetenschap had van de drugs in de kluis die in de oude woning van zijn vriendin zijn aangetroffen. De drugs bevonden zich niet in de machtssfeer van verdachte, nu hij noch zijn vriendin in deze woning verbleven. De medeverdachte verbleef echter wel in de betreffende woning. In een doos die in deze woning werd aangetroffen, zat naast heroïne ook een huurcontract op naam van de medeverdachte. Verder verklaren verdachte, zijn vriendin en de getuige [getuige 1] dat een lange Marokkaan de kluis opende. De raadsman heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad met LJN-nummer BH1437.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 14 februari 2012 kregen verbalisanten het verzoek naar de [K.C.straat] te Maastricht te gaan, omdat daar op straat een vrouw door een jongen geslagen werd. Voor een bloemenwinkel aan de [S.weg] werd een vrouw zittend op de grond aangetroffen. Bij de vrouw stond een man, die zich identificeerde als [naam verdachte]. De vrouw deelde desgevraagd mede dat verdachte haar geslagen en geschopt had en dat ze veel pijn had. Verbalisanten zagen dat het gezicht van de vrouw gezwollen was en dat in haar nek rode striemen te zien waren. Verder verklaarde zij dat zij samen met verdachte in zijn woning aan de [T.straat] was, toen hij haar plotseling in de rug schopte en sloeg. Nadat zij naar buiten was gevlucht, kwam verdachte haar achterna. De vrouw identificeerde zich als [naam vriendin verdachte] en werd door een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Een omstander, [getuige 2], verklaarde dat zij had gezien dat de man naar de vrouw had geschopt en getrapt. Diezelfde dag deed [naam vriendin verdachte] aangifte tegen verdachte. Zij verklaarde dat verdachte haar hard in de rug schopte, waardoor zij ten val kwam. Daarna bleef hij haar schoppen en slaan. Ook verklaarde zij dat verdachte haar probeerde te verwurgen door zijn handen om haar keel te plaatsen en krachtig te knijpen. Op de bij haar verhoor gevoegde foto’s zijn bloeduitstortingen in de nek/hals te zien. Ook in de geneeskundige verklaringen wordt melding gemaakt van bloeduitstortingen achter het linkeroor en aan beide kanten van de hals. Verdachte heeft verklaard dat hij een relatie heeft met [naam vriendin verdachte] en dat zij op 14 februari 2012 samen in zijn woning waren toen hij opeens agressief werd. Vanaf dat moment weet hij niet meer precies wat er gebeurd is. Wel heeft hij nog verklaard dat hij een woedebui had.

Voor de rechtbank staat op grond van de verklaringen van [naam vriendin verdachte] en de getuige [getuige 2] vast dat verdachte zijn partner [naam vriendin verdachte] de keel heeft dichtgeknepen en –gehouden, dat hij haar aan de haren heeft getrokken en dat hij haar krachtig heeft geslagen en geschopt, waaronder tegen haar rug. De vraag is aan de orde of verdachte daarmee opzet heeft gehad op de dood van [naam vriendin verdachte]. Uit de verklaringen van verdachte en aangeefster kan dat opzet niet worden afgeleid. Rest de vraag of het opzet op de dood van [naam vriendin verdachte] kan worden afgeleid uit de uiterlijke ver¬schijningsvorm van verdachtes handelen. Uit de verklaring van aangeefster en het bij haar door verbalisanten geconstateerde letsel, foto’s van het letsel en de geneeskundige verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster bij de keel heeft vastgepakt en deze heeft dichtgeknepen. Hoewel de kans op dodelijk letsel ten gevolge van dat dichtknijpen van de keel aanwezig is, acht de recht¬bank die kans in dit geval niet aanmerkelijk, omdat niet vaststaat hoe lang verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam vriendin verdachte] door zijn handelen zou overlijden. Voorts is niet gebleken dat verdachte [naam vriendin verdachte] op zodanige plaatsen heeft geslagen en geschopt dat daaruit een aanmerkelijke kans op overlijden valt af te leiden en het trekken aan de haren brengt zonder meer evenmin een aanmerkelijke kans op overlijden mee. Dat betekent dat de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden acht voor het onder 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank overweegt verder dat uit jurisprudentie blijkt dat het gedurende meerdere seconden dichtknijpen van iemands keel in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans meebrengt dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Immers op die plaats bevinden zich kwetsbare en vitale weke delen van de hals. Ook het schoppen of trappen tegen iemands lichaam omvat die aanmerkelijke kans. Dat verdachte aan [naam vriendin verdachte] daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht is echter niet komen vast te staan. Het slachtoffer heeft in een verhoor verklaard dat zij een gebroken borstbeen en een verschoven nekwervel aan de mishandeling heeft overgehouden en minimaal twee weken rust moet houden. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de geneeskundige verklaring, die van het door het slachtoffer genoemde letsel geen melding doet. Daarbij komt dat de officier van justitie ter terechtzitting van 27 juni 2012 heeft medegedeeld dat hij navraag heeft gedaan bij de behandelend arts met betrekking tot het door het slachtoffer genoemde letsel, maar dat deze dat niet kon bevestigen en zelfs aangaf dat er geen breuken waren geconstateerd. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

Op grond van de verklaring van het slachtoffer en het door de verbalisant en de arts geconstateerde letsel, concludeert de rechtbank dat verdachte wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat vitale delen in het lichaam van [naam vriendin verdachte] beschadigd zouden worden, waardoor zwaar lichamelijk letsel het gevolg had kunnen zijn. Uit de omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank het voorwaardelijk opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het dichtknijpen van de keel en het schoppen in de rug en tegen het lichaam van [naam vriendin verdachte], zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, een poging tot zware mishandeling opleveren. Zij acht het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Wel zal zij verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van het slaan en het aan de haren trekken, vastpakken en over de grond slepen. De rechtbank is van oordeel dat slaan en aan iemands haren trekken, deze vastpakken en iemand daaraan over de grond slepen in beginsel geen zwaar lichamelijk letsel kan opleveren. Dat dit hier wel het geval is, is niet uit feiten of omstandigheden gebleken.

Feit 2

Op 14 februari 2012 betraden verbalisanten de woning aan de [G.straat] te Maastricht, met toestemming van de rechtmatige huurder, [naam vriendin verdachte]. Op de overloop van de eerste verdieping stond medeverdachte [naam medeverdachte]. In de slaapkamer was een ruimte ingericht met attributen die gebruikt worden bij het versnijden, verpakken en verkopen van verdovende middelen. In een tweede slaapkamer lag een leeg luchtbed op de grond. In de woning stonden verder een stoel, een bankje en een tafel. Op de tafel stonden een waterpijp en een kartonnen doos. In deze doos werden onder andere diverse verpakkingsmaterialen, een mes, een weegschaaltje, een huurcontract voor een huurauto op naam van de medeverdachte en een zakje met op heroïne gelijkend poeder aangetroffen. In een muurkast op de overloop van de eerste verdieping werd een grijze kluis aangetroffen. In deze kluis zaten acht bruine blokken en twee zakjes met wit poeder. Onderzoek wees uit dat de blokken, totaal 2.278 gram, heroïne bevatten en de zakjes, totaal 155 gram, cocaïne.

De huurster van de woning aan de [G.straat], [naam vriendin verdachte], heeft verklaard dat zij deze woning huurt van Woonpunt, maar dat zij sinds 5 januari 2012 verhuisd is naar de woning van haar vriend, [naam verdachte]. Zij mocht van verdachte niet meer in haar woning aan de [G.straat] komen. Hij had haar verteld dat hij de sleutels al had ingeleverd bij Woonpunt. Verder heeft [naam vriendin verdachte] verklaard dat zij het vermoeden had dat er drugs in de woning van verdachte lagen en dat hij die drugs nu in haar woning aan de [G.straat] had opgeslagen en aldaar verhandelde. Zij hoorde van mensen uit de straat dat er steeds Marokkanen in en uit haar woning liepen, die in het gezelschap waren van personen die uit auto’s met Belgische en Franse kentekens stapten en ook de woning ingingen. Tevens heeft zij verklaard dat verdachte veel geld had en veel nieuwe spullen kocht. Verder heeft ze aangegeven dat medeverdachte [naam medeverdachte] “[naam 1]” werd genoemd en dat deze samen met verdachte in drugs handelde. Over de kluis heeft [naam vriendin verdachte] verklaard dat deze eerst in de woning van verdachte stond en dat hij die samen met tafeltjes en bankjes in een busje naar de [G.straat] heeft verhuisd.

Verdachte heeft verklaard dat de Marokkaan die in de woning aan de [G.straat] verbleef door hem “[naam 2]” werd genoemd en dat hij hem daar onderdak heeft verschaft omdat hij op straat zwierf. Over de kluis heeft hij verklaard dat deze van de Marokkaan was en eerst in zijn woning aan de [T.straat] stond. De Marokkaan vroeg hem een paar maanden geleden of hij zijn woning mocht gebruiken om mensen te helpen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij wel een vermoeden had dat de Marokkaan zijn woning zou gebruiken om te dealen. Hij nam ook wel eens Franstalige mensen mee naar zijn woning. Op verzoek van de Marokkaan verhuisde verdachte de kluis een paar dagen geleden naar de woning aan [G.straat]. Verdachte heeft verder verklaard dat hij wel een vermoeden had dat er drugs in de kluis lagen. Ter zitting heeft hij nog verklaard dat hij met “de [naam 2]” medeverdachte [naam medeverdachte] bedoelt.

Medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de woning aan de [G.straat] met toestemming van verdachte verbleef om te slapen en dat hij daar een kleine hoeveelheid heroïne aan het gebruiken was.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met medeverdachte [naam medeverdachte], 2.278 gram heroïne en 155 gram cocaïne in zijn bezit heeft gehad. Zij overweegt daartoe dat medeverdachte [naam medeverdachte], gelet op de verklaringen van verdachte en [naam vriendin verdachte], met toestemming van verdachte, al minstens enkele dagen verbleef in de woning aan de [G.straat] te Maastricht. Verdachte heeft verder verklaard dat medeverdachte [naam medeverdachte] daarvóór vaker in zijn woning aan de [T.straat] kwam en dat hij vermoedde dat hij deze gebruikte om drugs te verhandelen. Ook over de kluis heeft verdachte verklaard dat deze eerst in zijn woning stond, maar dat hij deze op verzoek van medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verhuisd naar de woning aan de [G.straat]. Ook heeft hij verklaard dat hij vermoedde dat er drugs in de kluis lagen en dat hij wel wist dat het niet helemaal in de haak was. Daarbij komt dat verdachte zijn vriendin, die de woning aan de [G.straat] tot voor kort huurde, heeft verboden nog in die woning te komen. Ook heeft [naam vriendin verdachte] verklaard dat verdachte de beschikking had over veel geld. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte zeggenschap over de woning aan de [G.straat] te Maastricht en over hetgeen daar gebeurde had. Verdachte heeft zelf de kluis met verdovende middelen van zijn woning naar de [G.straat] gebracht. Hij heeft medeverdachte [naam medeverdachte], van wie hij vermoedde dat deze in drugs dealde, toegestaan de woning te gebruiken. Op grond van het voorgaande en gezien ook de verklaring van [naam vriendin verdachte], is de rechtbank er ook van overtuigd, dat verdachte ervan op de hoogte was dat er verdovende middelen in de woning aan de [G.straat] aanwezig waren. Dat hij niet de code van de kluis kende, zoals de raadsman nog heeft aangevoerd, doet – wat daarvan ook zij – aan dit alles niet af.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. meer subsidiair

op 14 februari 2012 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam vriendin verdachte], zijnde verdachtes partner, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet de keel van die [naam vriendin verdachte] heeft dichtgeknepen en enige tijd dichtgeknepen heeft gehouden en meermalen met kracht (in de rug) geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 14 februari 2012 te Maastricht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.278 gram van een materiaal bevattende heroïne en 155 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt begaan tegen zijn levensgezel;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht indien nodig bij vervroeging uitspraak te doen. Bij een bewezenverklaring van enkel het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde, zoals door hem bepleit, dient verdachte immers per direct in vrijheid te worden gesteld. Indien de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde toch bewezen zou achten, heeft hij verzocht de oriëntatiepunten en de gangbare jurisprudentie te volgen bij het bepalen van de strafmaat. De officier van justitie heeft deze bij het formuleren van zijn strafeis verlaten. Verder heeft de raadsman verzocht een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zodat verdachte zo snel mogelijk aan het traject bij Mondriaan kan beginnen. Een langdurige gevangenisstraf zal volgens de raadsman niet bijdragen aan het indammen van de criminogene factoren.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft samen met een ander 2.278 gram heroïne en 155 gram cocaïne in zijn bezit gehad. Het gebruik van harddrugs brengt schade toe aan de volksgezondheid. Harddrugs leveren immers, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. Verslaafden nemen daarbij vaak hun toevlucht tot criminele activiteiten om hun gebruik te kunnen bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd.

Voorts heeft verdachte zijn vriendin zodanig mishandeld dat dit als een poging tot zware mishandeling te kwalificeren is. De mishandeling begon in de woning, waar iemand zich toch veilig moet kunnen voelen, zeker bij zijn partner, en zette zich voort op straat. Daarmee heeft verdachte niet alleen zijn partner ernstig benadeeld, maar ook gevoelens van onrust veroorzaakt bij de voorbijgangers die van dit alles getuige waren. Verdachte heeft verklaard onder invloed van drugs te zijn geweest, maar dat kan natuurlijk niet als een rechtvaardiging gelden.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de op te leggen straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS ter zake van de invoer van harddrugs (artikel 2 onder A van de Opiumwet), die bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf in dit soort zaken doorgaans als uitgangspunt worden gehanteerd, en de in de vaste jurisprudentie van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch naar aanleiding daarvan vastgestelde rekenmodus wanneer het gaat om het bezit (artikel 2 onder C van de Opiumwet) van harddrugs. Gelet hierop neemt de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 tot 15 maanden (categorie standaard).

De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte. In de aangetroffen hoeveelheid en in de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde ziet de rechtbank aanleiding de bovengrens als uitgangspunt te hanteren.

De rechtbank heeft het omtrent de persoon van verdachte opgestelde reclasseringsrapport in aanmerking genomen, waarin wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde.

Alles overwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, een passende straf. Het reclasserings-toezicht omvat ook een meldingsgebod en een behandeling bij FPA Mondriaan of een soortgelijke instelling, zoals door de reclassering geadviseerd.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit dan wel het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat inhoudt dat hij zich moet houden aan een meldingsgebod en zich klinisch moet laten behandelen bij de FPA Mondriaan of een soortgelijke instelling, voor zover en zolang de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht en – indien de reclassering dit nodig acht – aldaar moet meewerken aan een psychologisch onderzoek;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. M.E. Kramer en

mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juli 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 februari 2012 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam vriendin verdachte], zijnde verdachtes partner, van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht haar keel heeft dichtgeknepen en/of (enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden en/of met kracht in haar rug heeft geschopt en/of een of meermalen, althans eenmaal (telkens) met kracht heeft geschopt en/of geslagen en/of aan haar haren getrokken en/of (vervolgens) haar met kracht heeft vastgepakt aan de haren en/of (vervolgens) aan haar haren over de grond heeft uitgesleept, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 14 februari 2012 in de gemeente Maastricht, aan een persoon genaamd [naam vriendin verdachte], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken borstbeen en/of verschoven nekwervels en/of een hersenschudding), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht (in de rug) te schoppen en/of te slaan en/of aan haar haren te trekken en/of vast te pakken en/of (vervolgens) aan haar haren over de grond te slepen;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 14 februari 2012 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam vriendin verdachte], zijnde verdachtes partner, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet de keel van die [naam vriendin verdachte] heeft dichtgeknepen en/of (enige tijd) dichtgeknepen heeft gehouden en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht (in de rug) geschopt en/of geslagen en/of aan haar haren getrokken en/of vastgepakt en/of (vervolgens) aan haar haren over de grond gesleept,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 februari 2012 te Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2278 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 155 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.