Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX0913

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
03-700080-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:3392, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor vervaardigen amfetamine, voorbereidingshandelingen Opiumwet en bezit xtc. Verdachte wordt veroordeeld tot 3 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verwerping n-o-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700080-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 juli 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juni 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: synthetische harddrugs heeft geproduceerd (al dan niet samen met anderen);

Feit 2: voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of moest vermoeden dat die bestemd waren voor de productie en/of handel in synthetische harddrugs (al dan niet samen met anderen);

Feit 3: XTC-pillen voorhanden heeft gehad (al dan niet samen met anderen).

3 De voorvragen: de ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie en de politie hebben nagelaten voldoende onderzoek te doen om de waarheid te vinden, met name waar het de betrokkenheid van andere personen betreft. Ontlastende aspecten waar de raadsman en verdachte op gewezen hebben, zijn genegeerd en wel zodanig, dat het erop neerkomt dat verdachte zijn onschuld moet bewijzen. Dit levert vormverzuimen op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, die zo ernstig zijn dat doelbewust aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Niet-ontvankelijkheid moet daarop volgen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er in zijn visie voldoende onderzoek is gedaan en voldoende bewijs is ingebracht in de onderhavige zaak. Het openbaar ministerie komt daarbij een ruime vrijheid toe. De verdediging heeft in dat geval het recht bewijs te betwisten, een alternatieve lezing van de feiten naar voren brengen en in dat kader verzoeken te doen tot nader onderzoek. Nu de verdediging dit heeft nagelaten, terwijl daar ruim gelegenheid voor is geweest, ziet de officier van justitie niet in waarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de vervolging van verdachte.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij in de onderhavige zaak van oordeel is dat het voorbereidend onderzoek van de politie en rechter-commissaris en de weergave daarvan in het dossier in de vorm van wettige bewijsmiddelen in beginsel op gebruikelijke wijze zijn uitgevoerd. Het dossier bevat een groot aantal (in de wettelijke vorm opgemaakte) bewijsmiddelen, zoals gangbaar in drugszaken.

Ook vooropgesteld zij dat aan het openbaar ministerie en de politie een grote mate van vrijheid toekomt bij het inzetten van (onderzoeks)capaciteit en bij de wijze waarop uiteindelijk het bewijs in een zaak voorgelegd wordt aan de rechtbank. Indien die bewijsvoering niet toereikend blijkt ter terechtzitting, ligt niet-ontvankelijkverklaring niet zozeer in de rede, maar ligt het voor de hand dat een verdachte wordt vrijgesproken.

Nadat het dossier voor de behandeling ter zitting is verstrekt, ligt het vervolgens op de weg van de verdediging om door de officier van justitie gepresenteerd bewijs te betwisten of een andere interpretatie van dit bewijs te geven, waarna uiteindelijk de rechtbank moet beslissen. Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, maar ook nadat dit een aanvang heeft genomen, staat het de verdediging vrij in dat kader nadere onderzoekswensen te doen, wanneer verdachte en raadsman van mening zijn dat dit van belang of noodzakelijk is. In beginsel kan ook de rechtbank ambtshalve beslissen dat zij nader onderzoek nodig acht, maar daarbij is de rechterlijke macht gewoon een zekere terughoudendheid te betrachten en in eerste instantie het initiatief bij officier van justitie en verdediging te laten.

Niet-ontvankelijkverklaring is pas aan de orde als zou blijken dat er sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is in de onderhavige zaak en overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op rechtmatige wijze een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte, waarbij een groot amfetaminelaboratorium in beslag is genomen en een grote hoeveelheid XTC-pillen. Vervolgens is verdachte, zijnde de bewoner van de woning, gedagvaard, hetgeen in beginsel voor de hand ligt. Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat het dossier niet laat zien dat er vervolgens door de politie concreet onderzoek is gedaan naar mogelijke andere betrokken personen, maar daartoe is men ook niet zonder meer verplicht. Dit nalaten vormt op zichzelf geen inbreuk op een strafvorderlijk voorschrift of de beginselen van een behoorlijke procesorde, noch een doelbewuste schending van de belangen van verdachte, waar gevolgen aan verbonden moeten worden.

Dit zou anders kunnen worden, als een verdachte gemotiveerd de stelling betrekt dat niet hij, maar anderen strafrechtelijk aansprakelijk moeten worden gehouden, hoewel ook dan de politie en de officier van justitie een grote mate van keuzevrijheid toekomt of zij hierop ingaan.

In de zaak van verdachte is de volgende stelling betrokken. Door verdachte en zijn raadsman is aangevoerd dat verdachte zijn inpandige garage aan twee personen verhuurd had, die verantwoordelijk gehouden moeten worden voor het amfetaminelaboratorium en dat verdachte geen wetenschap had van verboden activiteiten in zijn garage. In dat kader had de politie alsnog (dna-)onderzoek moeten laten verrichten aan verzamelde sporen op blikjes frisdrank, een proces-verbaal van verhoor van de buurman van verdachte moeten toevoegen aan het dossier en moeten natrekken waar verdachte op 13 januari 2012 naar eigen zeggen geweest was.

De rechtbank constateert dat dit niet gebeurd is, maar trekt daaruit niet de conclusie dat dit nalaten een onaanvaardbare, grove schending oplevert van de belangen van verdachte en diens recht op een eerlijk proces. Verdachte heeft immers zelf geen namen of andere bijzonderheden willen noemen van die twee personen om een onderzoek te vereenvoudigen, terwijl er geen zekerheid bestond (of bestaat) dat uit een dna-onderzoek dan wél hun identiteit zou blijken. Het concreet noemen van namen levert nog niet een onaanvaardbare omkering van de bewijslast op, zeker niet als een verdachte ook overigens geen enkel detail produceert en zich slechts beperkt tot de ongemotiveerde stelling dat er twee andere personen bij betrokken waren.

Voorts ziet de rechtbank niet zonder meer in wat een natrekken van de gangen van verdachte op 13 januari 2012 zou hebben moeten opleveren of waarom de verklaring van de buurman aan het dossier door de politie had moeten worden toegevoegd. Verdachte heeft namelijk zelf bij zijn verhoor verklaard meermalen die dag in zijn woning te zijn geweest en ook in de weken daaraan voorafgaand in zijn woning te hebben verbleven en het komt de rechtbank niet onbegrijpelijk voor dat de politie gelet op die verklaring van verdachte en haar eigen bevindingen, zoals weergegeven in het dossier, ervan overtuigd was dat de verboden activiteiten hem niet konden zijn ontgaan, laat staan dat de rechtbank daarin een grove schending van verdachtes belangen zou zien.

Wat echter voor de rechtbank van doorslaggevend belang is, is dat de verdachte en zijn raadsman vervolgens in geen enkel stadium van het onderzoek, nadat duidelijk was dat verdachte vervolgd werd, een concreet, onderbouwd verzoek hebben gericht aan de officier van justitie, rechter-commissaris, dan wel rechtbank tot het alsnog laten verrichten van voornoemde onderzoeken of toevoegen van de verklaring van de buurman aan het dossier, dan wel tot het horen van deze buurman als getuige. Ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn deze verzoeken niet gedaan, terwijl er geen inhoudelijke of juridische argumenten ter onderbouwing van de stelling van verdachte naar voren zijn gekomen die de rechtbank zouden nopen ambtshalve deze onderzoeken te gelasten. Bij pleidooi heeft de raadsman desalniettemin aangegeven het niet zijn taak te achten nadere verzoeken te doen. Gelet op het gematigd accusatoire karakter van ons strafproces, dat bij de raadsman bekend verondersteld mag worden, waarin de beginselen van een behoorlijke procesorde niet een vorm van volstrekt eenrichtingverkeer opleveren, is het standpunt van de raadsman voor de rechtbank onbegrijpelijk. Dit alles brengt mee dat er geen aanleiding is de officier van justitie het recht op vervolging van verdachte te ontzeggen. Het verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt derhalve afgewezen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. In de garage onder de woning van verdachte is een amfetaminelaboratorium aangetroffen. Daarnaast zijn er 116 pillen met MDMA aangetroffen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2, wanneer de rechtbank zijn niet-ontvankelijkheidsverweer verwerpt. Volgens de raadsman heeft verdachte begin januari 2012 zijn garage verhuurd aan twee bekenden en de garage opgeruimd aan hen ter beschikking gesteld. Verdachte had echter geen weet van de aanwezigheid van het amfetaminelaboratorium in zijn garage, dat derhalve door die twee personen daar moet zijn geïnstalleerd. Verdachte heeft niets gemerkt, gezien of geroken, ook niet op of omstreeks 13 januari 2012, toen het laboratorium in werking moet zijn geweest.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 13 januari 2012 werd in de garage van de woning van verdachte een compleet amfetaminelaboratorium aangetroffen. Deze garage bevindt zich, inpandig, in het keldergedeelte onder de vrijstaande woning van verdachte. Verdachte was niet in de woning aanwezig, toen de politie in de woning binnentrad. Bij de doorzoeking werden in de woonkamer ook 116 XTC-pillen gevonden.

Verdachte heeft volgehouden dat hij geen weet had van de installatie in zijn garage. Verdachte heeft die garage aan twee bekenden ter beschikking gesteld voor een korte periode van enkele weken. Verdachte kon daarvoor € 500,- krijgen. Verdachte heeft tussen 5 en 7 januari 2012 zijn garage ontruimd en aangegeven “geen onzin” te willen in zijn garage, maar zegt verder nergens bij betrokken te zijn geweest. Verdachte heeft vanaf begin januari 2012 verbleven in zijn woning en zo ook in de nacht van 12 op 13 januari 2012. Op 13 januari is verdachte rond het middaguur uit de woning vertrokken en rond 16.00 kortstondig in de hal van de woning geweest om vervolgens weer te vertrekken. Verdachte heeft niets gezien, gemerkt of geroken van welke activiteit dan ook in zijn garage.

Overwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank hecht geen geloof aan de stelling van verdachte dat hij volstrekt niets gemerkt heeft van het amfetaminelaboratorium in zijn huis.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een bewoner van een woning op de hoogte is van wat zich daar bevindt en afspeelt. Dit kan onder omstandigheden anders beoordeeld worden, maar zo’n omstandigheid doet zich in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank niet voor, gelet op het volgende.

De garage van verdachte is vanuit de woonkamer van verdachte bereikbaar. Het dossier laat aan de hand van een beschrijving en foto’s zien dat er in deze garage een volwaardig productielaboratorium was geïnstalleerd voor het maken van amfetamine. De LFO-expert van het Team Forensische Opsporing van de Nationale Recherche heeft dit laboratorium in details besproken en concludeert dat er sprake was van een al enige tijd aanwezige, professionele, grootschalige productielocatie van synthetische drugs, gezien de aangetroffen hoeveelheden chemicaliën en de aanwezige en gebruikte productiemiddelen.

Verder was er een afzuiginstallatie aangebracht met een grote afzuigslang die van de laboratoriumruimte via een halletje liep naar een ander vertrek in de kelder van de woning en aldaar vast was aangesloten op het luchtafvoerkanaal van de woning. Deze afzuigslang was zichtbaar in het halletje onderaan de trap die toegang biedt tot de woonkamer. Derhalve werd niet alleen de garage benut ten behoeve van het laboratorium, maar ook de belendende ruimte, alwaar zich een verwarmingsketel bevond, zoals te zien is op de foto’s in het dossier.

De complexiteit van de installatie en de aanwezigheid van grote hoeveelheden materiaal in de vorm van reactieketels, gasflessen, kunststofvaten met inhoud (waaronder een 1000 liter vloeistofcontainer), verpakkingen met chemicaliën (waaronder 25 kg zakken caustic soda), laten zich naar het oordeel van de rechtbank niet rijmen met de stelling dat dit laboratorium in een zeer kort tijdsbestek onopvallend en geruisloos is geïnstalleerd, nu daarvoor de nodige werkzaamheden moeten worden verricht door meer dan een persoon, waarbij kennelijk de gehele kelderruimte werd benut. Het is niet aannemelijk dat een bewoner van het pand daar in het geheel niets van meegekregen heeft, noch dat betrokkenen hem daarvan volledig onkundig hebben gehouden, daarmee een enorm risico nemend op ontdekking van de hele operatie met teloorgang van alle “investeringen” en op strafvervolging.

Verder roken de opsporingsambtenaren meteen bij binnenkomst in de woning een geur die kenmerkend is voor amfetamine. Dit betreft een indringende geur. Uit warmtemetingen in drie klemdekselvaten werd opgemaakt dat de installatie aan het begin van de ochtend van 12 januari 2012, dan wel aan het einde van de vorige dag, 11 januari 2012 derhalve, in gebruik is geweest. Het is gewoonweg niet geloofwaardig dat verdachte hier ’s nachts, ’s morgens, dan wel ’s middags niets van gemerkt heeft. Daarbij is het niet relevant of verdachte bekend was met de geur van amfetamine: dat hij niets geroken heeft, is, in samenhang bezien met het gestelde niets merken van opbouwactiviteiten, ongeloofwaardig.

Dit alles betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte wetenschap had van het amfetaminelaboratorium, dat hij dit derhalve samen met anderen opzettelijk aanwezig had in zijn garage en wist waarvoor het bestemd was. Gelet op de omstandigheid dat het laboratorium (in de nacht van 11 januari) op 12 januari 2012 in werking moet zijn geweest, is er ook voldoende bewijs dat verdachte als medepleger van het bereiden van amfetamine kan worden aangemerkt.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van alle feiten, nu ook feit 3 bewezen kan worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zake van dat feit.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 januari 2012 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft bereid een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 2

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 januari 2012 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, zijnde amfetamine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader(s) wist(en) dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

Feit 3

op 13 januari 2012 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad 116 pillen bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

Feit 2

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van de Opiumwet te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

Feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar op te leggen, met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van een op te leggen straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Gebruik van amfetamine en andere synthetische harddrugs levert gevaar op voor de gezondheid van (vaak jonge) gebruikers en kan leiden tot verslaving. Verder is van belang dat de productie van en handel in harddrugs gepaard gaan met diverse vormen van criminaliteit die de maatschappij ondermijnen en gevaar opleveren voor mens en milieu. In de zaak van verdachte kan dit gevaar ook concreet worden aangeduid, nu hij zijn productielaboratorium in een woonwijk in werking had en bijvoorbeeld brand en ontploffingsgevaar niet denkbeeldig was. Verdachte is duidelijk bij de productie van amfetamine betrokken en dient daarvoor fors te worden bestraft, waarbij niet volstaan kan worden met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Dit is ook een gebruikelijke straf voor dit delict.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de capaciteit van het laboratorium, zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van de LFO-expert. Daarbij is berekend dat in één productie-cyclus van het laboratorium tussen de 85 en 127 kilo natte en mogelijk versneden amfetaminesulfaat/pasta gemaakt kan worden. In elk geval kan worden vastgesteld dat er rond 12 januari 2012 amfetaminesulfaat/pasta geproduceerd is, gelet op de warmtemetingen. Het is gelet op de capaciteit van het drugslab aannemelijk dat het daarbij is gegaan om een grote hoeveelheid, welke gepaard gaat met een aanzienlijk financieel gewin.

De Oriëntatiepunten voor straftoemeting van de rechterlijke macht bij harddrugsdelicten voor drugskoeriers (die doorgaans met een derde worden verminderd in geval van bezit van de daar vermelde hoeveelheden drugs) vermelden bij hoeveelheden van tientallen kilo’s harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 48 maanden, alleen al in de standaardcategorie. Gelet op het professionele karakter en de capaciteit van de installatie tot grootschalige productie, alsmede op het gevaarzettende aspect ervan, is de rechtbank van oordeel dat de geëiste straf alleszins passend en ook geboden is. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot 3 jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen kunstwerken zullen aan verdachte worden teruggegeven, nu zij strafrechtelijk niet in relatie kunnen worden gebracht tot de bewezen strafbare feiten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

20300268422/001 1 1.00 STK Kunstwerk

-

2035422 schilderij C1.1

20300268422/002 2 1.00 STK Kunstwerk

-

2035423 schilderij D1

20300268422/003 3 1.00 STK Kunstwerk

-

2037789 schilderij C1.2

20300268422/004 4 1.00 STK Kunstwerk

-

2037791 schilderij C1.3

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. C.M.W. Nobis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juli 2012.

Buiten staat

Mr. C.G.A. Wouters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 januari 2012 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 januari 2012 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij op of omstreeks 13 januari 2012 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 116 pillen bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA), zijnde MDA, MDMA en N-ethyl MDA (=MDEA) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.