Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX0343

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-07-2012
Zaaknummer
03-700105-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte ondanks zijn ontkenning veroordeeld voor afpersing en diefstal met geweld in eendaadse samenloop gepleegd. Hij heeft een bijna 73-jarige vrouw in haar woning overvallen en vastgebonden en is daarna met medeneming van diverse goederen uit de woning van de vrouw vertrokken.

De rechtbank wijkt bij het opleggen van de straf af van de orientatiepunten van het LOVS (3 jaar gevangenisstraf) wegens de ernst van het feit, het uitgebreide strafblad van verdachte en recidive van geweldsdelicten, en omdat verdachte geen contact met de reclasserings wenst zodat het opleggen van een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht met als doel het terugdringen van de recidive door de rechtbank zinloos wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700105-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 juli 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. R.M. Heemskerk, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 juni 2012, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [naam slachtoffer]met geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen goederen af te geven en/of die [naam slachtoffer]met geweld en/of bedreiging met geweld heeft beroofd van een aantal goederen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij stoelt zijn standpunt op de aangifte van [naam slachtoffer], op de tijdsperiode van slechts zes minuten die is gelegen tussen het moment waarop de dader de woning van [naam slachtoffer]heeft verlaten en het tijdstip waarop vervolgens met de bij haar gestolen pinpas is gepind in de stationstunnel te Heerlen. Voorts baseert hij zijn standpunt op de herkenning van verdachte door de wijkagenten [V] en [H]. Zij hebben gerelateerd dat zij op de camerabeelden van de stationshal te Heerlen d.d.

9 februari 2012 omstreeks 19:12 uur verdachte hebben herkend op het moment dat deze wegloopt van de pinautomaat in de richting van de [S.singel] te Heerlen. Verbalisanten hebben hem herkend aan zijn houding, schoenen en jas. Op de beelden die op 9 februari 2012 rond 21:00 uur zijn opgenomen bij de dag- en nachtopvang aan de [K.straat] te Heerlen wordt verdachte eveneens herkend, terwijl hij dezelfde kleding draagt als de pinnende persoon. Voorts constateert de officier van justitie dat de persoon die ter terechtzitting aanwezig is, dezelfde persoon is als degene die op de beelden zichtbaar is.

Een ander onderdeel dat – hoewel in geringe mate – bijdraagt aan het bewijs is volgens de officier van justitie de uitkomst van het Y-chromosomaal DNA-onderzoek, uitgevoerd aan sporen op de telefoonkabel waarmee verdachte [naam slachtoffer]heeft vastgebonden. Deze sporen zijn vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. De conclusie van dit onderzoek luidde dat het niet is uitgesloten dat de sporen afkomstig zijn van verdachte.

Ten slotte baseert de officier van justitie zijn standpunt op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die erop neerkomen dat verdachte hen heeft verteld dat hij binnen enkele minuten veel geld had verdiend, terwijl [getuige 2] heeft gezien dat verdachte zeven briefjes van

€ 50,- aan het tellen was.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat verdachte de dader van de overval is geweest. Aangeefster heeft immers geen signalement van hem kunnen geven, zij heeft namelijk stellig verklaard dat zij de persoon die in haar woning is binnengedrongen, niet zou kunnen herkennen en dat zij van zijn kleding niets weet.

De camerabeelden roepen volgens de raadsvrouw een drietal vragen op, te weten – kort weergegeven – of de pinnende persoon dezelfde persoon is als de overvaller van [naam slachtoffer], of verdachte identieke kleding droeg als de pinnende persoon en of verdachte degene is die heeft gepind omstreeks 19:12 uur.

Volgens de raadsvrouw is de persoon op de camerabeelden bij de pinautomaat niet te identificeren aan de hand van de beelden, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de pinnende persoon op de foto is geweest. De match tussen de pinnende persoon en verdachte is gemaakt aan de hand van overeenkomsten in het postuur en de kleding, zoals deze op de camerabeelden van 9 februari 2011 rond 19:12 uur – opgenomen bij de pinautomaat in de stationshal te Heerlen – zichtbaar zijn, in vergelijking met de beelden van dezelfde datum, opgenomen rond 21:00 uur bij de dag- en nachtopvang gelegen aan de [K.straat] te Heerlen. Op laatstgenoemde beelden komt verdachte herkenbaar in beeld en zijn kleding vertoont gelijkenis met de kleding van de pinnende persoon. Later wordt deze kleding aangetroffen bij de dag- en nachtopvang, maar of de aangetroffen kleding de kleding is die om 19:12 uur door de pinnende persoon werd gedragen, is niet aangetoond. Schoenen en jas zijn immers verre van uniek. Op grond van de verschillende camerabeelden kan dus niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de pinnende persoon was.

Nu [naam slachtoffer] niet in staat was om een signalement van de overvaller te geven en op grond van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de pinnende persoon dezelfde persoon is als de overvaller en evenmin dat verdachte de pinnende persoon was, en bovendien aan de hand van de kleding niet kan worden vastgesteld dat de kleding die door de pinnende persoon werd gedragen de kleding van verdachte was, concludeert de raadsvrouw dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot het DNA-onderzoek aan de drie bemonsteringen afkomstig van sporen op de telefoonkabel heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het gematchte Y-chromosomaal DNA geen zelfstandig bewijsmiddel oplevert, nu dit Y-chromosomale DNA veelvuldig voorkomt. Verder heeft zij aangevoerd dat uit de onderzochte DNA-profielen is gebleken dat niet is uit te sluiten dat een ander mannelijk persoon dan verdachte aan de kabel heeft gezeten. Het is mogelijk dat die tweede persoon de dader is geweest.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Subsidiair heeft zij aangevoerd dat zij van mening is dat met betrekking tot de sieraden, pinpas en pincode sprake is van afpersing en met betrekking tot de fiets en de GSM-telefoon van het merk Philips van diefstal.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Aangeefster [naam slachtoffer] heeft verklaard dat op 9 februari 2012 rond 19:00 uur bij haar woning met [adres slachtoffer]te Heerlen werd aangebeld. Op haar vraag: “Wie is daar?” werd geantwoord: “De buurman”. Zij opende de deur en werd meteen met een hand tegen haar lichaam aan de gang in geduwd door een man. Deze man zei: “Meewerken, me niet aankijken en ik wil geld en me niet aankijken”. De man sprak Nederlands met een Limburgs accent.

De man trok de telefoonkabel uit de telefoon en pakte de Philips pre-paid gsm met nummer 06-[xxxxxxxx]. [naam slachtoffer] heeft verklaard dat deze gsm weg was, nadat de man was vertrokken.

Nadat de man deze handelingen had verricht, vroeg hij opnieuw om geld. [naam slachtoffer] pakte haar beurs uit een lade in de woonkamer, pakte daaruit € 50,- en gaf die aan de man. Hij pakte de beurs uit haar handen en nam daaruit ook de bankpas. Hij vroeg de pincode, die [naam slachtoffer] hem gaf. Hij bleef roepen dat [naam slachtoffer] hem niet mocht aankijken. Hij zei: “Kijk me niet aan” en “ik wil nog meer geld”.

Omdat [naam slachtoffer] zich bedreigd voelde, pakte zij een tweede beurs, waarin zij het gespaarde vakantiegeld van € 400,- bewaarde. Dit geld pakte de man uit haar beurs.

Daarna vroeg hij naar sieraden. Hij trok een ketting van haar hals. Behalve deze ketting droeg [naam slachtoffer] die avond twee gouden ringen en een doublé ring, die de man van haar vingers aftrok.

In de woonkamer moest [naam slachtoffer] op de grond gaan liggen. De man pakte de draad van de telefoon en zij voelde dat hij daarmee de onderkant van haar benen vastbond. Met een bontsjaaltje bond hij haar handen vast. Daarna bewoog hij zich naar de gang. [naam slachtoffer] hoorde dat hij de elektrische fiets die in de gang stond, pakte en vertrok. Vlak voor het vertrek van de man heeft zij op de klok gekeken en gezien dat het 19:06 uur was.

Op 9 februari 2012 om 19:11:47 uur is met de pinpas van [naam slachtoffer] een bedrag van € 180,-gepind bij de pinautomaat aan het [S.plein] te Heerlen, nadat bij die automaat eerst, om 19:11:29 uur, saldo-informatie is opgevraagd. Deze pinautomaat bevindt zich in de stationshal te Heerlen. Op de pinautomaat staat een camera gericht, die beelden heeft opgenomen. Op de beelden is te zien dat op het moment dat de transactie plaatsvindt, een persoon met een donkere jas met licht ruitpatroon op de schouders, een donkere broek en zwarte gympen met witte strepen bij de pinautomaat staat. De persoon heeft een capuchon op. Ook om 19:14:32 uur is deze persoon zichtbaar, nu met de voorzijde richting de camera, nog steeds met de capuchon op. Verbalisanten [V] en [H] hebben, als zij de beelden bekijken, het vermoeden dat deze persoon de hun ambtshalve bekende [naam verdachte]is, die ingeschreven staat bij de dag- en nachtopvang aan de [K.straat] 11 te Heerlen. Uit informatie van de dag- en nachtopvang blijkt dat [naam verdachte]daar is vertrokken om 16:00 uur en is teruggekeerd om 21:00 uur. Het vertrek en de binnenkomst zijn digitaal opgeslagen. Verbalisanten bekijken de camerabeelden van de dag- en nachtopvang en zien [naam verdachte]hier terugkomen. Zij bekijken daarna nogmaals de camerabeelden die op het station te Heerlen zijn opgenomen en om 20:50 uur zien zij [naam verdachte]opnieuw in beeld verschijnen. De verbalisanten herkennen verdachte voor 100% aan zijn gezicht en houding. De rechtbank constateert dat de persoon die door de verbalisanten op de beelden van 20:50 uur wordt herkend als verdachte, is gekleed in soortgelijke kleding als de persoon die om 19:11 uur bij de pinautomaat staat: de donkere jas die de als verdachte herkende persoon draagt, heeft eveneens een licht ruitpatroon op de schouders en eenzelfde lichte rits aan de voorzijde. Verder draagt deze persoon een donkere broek en donkere schoenen met witte strepen/vlekken op de zijkanten. Op de beelden van 20:50 uur heeft de persoon echter niet de capuchon van de jas op.

De verbalisanten hebben nader onderzoek verricht naar de kleding van verdachte. Verbalisant [E] relateert dat de persoon die op 9 februari 2012 om 19:11 uur bij de geldautomaat staat te pinnen, gekleed ging in zwarte schoenen met witte strepen die sterk lijken op het logo van Asics, in een blauwe spijkerbroek en een donkerkleurige driekwart jas met opvallend ruitmotief op de schouders en een capuchon. De persoon die om 19:14 uur weer in beeld komt, en die exact dezelfde kleding draagt als de pinnende persoon, herkent hij als verdachte.

Verder relateert verbalisant [E] dat op de beelden van de dag- en nachtopvang d.d. 9 februari 2012 zichtbaar is dat verdachte zwarte schoenen draagt met het Asics logo en kort daarna witte schoenen met blauwe veters. Op de camerabeelden van de dag- en nachtopvang d.d. 9 februari om 23:58:59 uur loopt verdachte richting de douche, met in zijn handen onder meer witte sportschoenen.

Verdachte is op 11 februari 2012 aangehouden bij de dag- en nachtopvang. Aan verdachte werd daar een plastic draagzak met daarin een jas meegegeven. De jas bleek een capuchon en een opvallend ruitmotief op de schouders te hebben. Van deze jas zijn foto’s gemaakt, die zich in het dossier bevinden. De rechtbank heeft ter terechtzitting geconstateerd dat de gefotografeerde jas erg veel lijkt op de jas die te zien is op de camerabeelden die in de stationshal zijn gemaakt. In de gezamenlijke ruimte van de dag- en nachtopvang waar personen hun spullen tijdelijk kunnen opbergen, werd een plastic zak met zwarte sportschoenen met aan de zijkanten witte emblemen van Asics aangetroffen.

De weggenomen fiets van [naam slachtoffer] is op 14 februari 2012 aangetroffen in een fietsenstalling naast de ingang van flatgebouw [naam]. Hij was afgesloten met een op de fiets aanwezig slot alsmede met een beugelslot. [naam slachtoffer] heeft verklaard dat dit haar fiets was. Zij was in het bezit van de reservesleutel van het beugelslot.

Verbalisant [D] heeft de weg tussen [OdD]te Heerlen tot de plek van het aantreffen van [naam slachtoffer]s fiets fietsend afgelegd in 3.36 minuten. Daarna heeft hij de afstand tussen deze plek en de pinautomaat in de voetgangerstunnel onder het treinstation aan het [S.plein] te Heerlen te voet afgelegd in 2.48 minuten. De rechtbank constateert dat de tijdspanne van in totaal 6.24 minuten om de totale afstand tussen het adres van [naam slachtoffer] en de pinautomaat in de stationshal te overbruggen, nauw overeenkomt met de tijd die gelegen is tussen de overval in de woning van [naam slachtoffer] en het pinnen met de gestolen pinpas in de stationshal. Immers, aangeefster [naam slachtoffer] heeft verklaard dat het vlak voor het vertrek van de overvaller op haar klok 19:06 uur was en het eerste gebruik van aangeefsters pinpas was bij de opvraag van saldo-informatie om 19:11:29 uur. Dat is dus een tijdspanne van 5.23 minuten.

Getuige [getuige 1], die met verdachte te zien is op de beelden van de camera in de stationstunnel van 20:50 uur, heeft verklaard dat hij op 9 februari 2012 in de Veoliatrein van Maastricht naar Heerlen zat en [naam verdachte] (zijnde verdachte) de trein in zag lopen. Omstreeks 20:50 uur zijn zij in Heerlen uitgestapt en naar de dag- en nachtopvang [naam]gelopen. [naam verdachte] heeft hem verteld dat hij veel geld had verdiend.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij [naam verdachte] (zijnde verdachte) om 18:00 uur bij het eten in [naam]niet heeft gezien, maar wel om 21:00 uur. Hij heeft gezien dat [naam verdachte] € 50,- aan een persoon gaf en dat hij geld aan het tellen was. [getuige 2] heeft zeven briefjes van € 50,- gezien. [naam verdachte] zei: “dit is drie minuten werk”. Voorts heeft deze getuige verklaard dat [naam verdachte] later op de avond witte schoenen met blauwe veters aan had, maar dat hij toen hij die avond binnenkwam bij de dag- en nachtopvang, zwarte schoenen met witte strepen droeg.

Onder verdachte is een bedrag van € 315,- aangetroffen.

In de woning van [naam slachtoffer] heeft sporenonderzoek plaatsgevonden. De telefoon met kabel werd veiliggesteld en overgedragen en voor onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gezonden.

Uit de bemonstering van het telefoonsnoer is een aanwijzing verkregen voor een relatief geringe hoeveelheid Y-chromosomaal DNA. Dit is onderzocht en vergeleken met het referentiemonster van verdachte. Uit dit onderzoek is gebleken dat het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte.

De rechtbank realiseert zich dat, nu het Y-chromosomale DNA-profiel veelvuldig voorkomt, uit de match met verdachte slechts kan worden geconcludeerd dat verdachte het spoor aan de telefoonkabel kan hebben achtergelaten.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er geen gerede twijfel over bestaat dat verdachte degene is die de overval op [naam slachtoffer] heeft gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overvaller zelf met de pas van aangeefster [naam slachtoffer] gepind, nu de tijdsperiode tussen de overval en het moment waarop met de gestolen pinpas is gepind, dermate kort is dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat de overvaller in die enkele minuten de pinpas met de bijbehorende code aan de pinnende persoon heeft overgedragen.

De rechtbank stelt ook vast dat verdachte deze pinnende persoon is geweest. De persoon die op de beelden van 20:50 uur te zien is, is verdachte. De kleding van de pinnende persoon komt op de camerabeelden overeen met de kleding die verdachte die avond om 20:50 uur aan heeft als hij met getuige [getuige 1] terugloopt van het station naar de dag- en nachtopvang. Verdachte blijkt bij zijn aanhouding ook in het bezit te zijn van een jas die eruitziet als de jas op de camerabeelden. Op beelden van de dag- en nachtopvang is te zien dat hij zich ’s avonds bij het douchen van de zwarte schoenen met wit logo heeft ontdaan en witte schoenen heeft aangetrokken. De zwarte schoenen worden vervolgens bij de dag- en nachtopvang aangetroffen. Verder is uit getuigenverklaringen gebleken dat verdachte die avond veel geld op zak had, terwijl hij tegen [getuige 2] heeft gezegd dat dit “drie minuten werk” was.

Nu voorts van een spoor op het telefoonsnoer van aangeefster [naam slachtoffer] een Y-chromosomaal DNA-profiel is verkregen dat matcht met het Y-chromosomaal profiel van verdachte, is de cirkel rond en staat voor de rechtbank vast dat verdachte de overval heeft gepleegd.

Het betoog van de raadsvrouw, dat twijfel probeert te zaaien bij elk van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, miskent dat alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen de kring van potentiële daders zodanig beperken dat naar het oordeel van de rechtbank alleen verdachte in aanmerking kan komen als pleger van de overval op aangeefster [naam slachtoffer].

Gezien de combinatie van alle hierboven genoemde factoren acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De ongemotiveerde ontkenning van verdachte doet hier niet aan af.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 9 februari 2012 in de gemeente Heerlen,

- met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer]heeft gedwongen tot de afgifte van geld en een pincode toebehorende aan die [naam slachtoffer]

en

- met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een gsm (Philips) en een bankpas en geld en sieraden (halsketting en drie ringen) en een elektrische fiets, toebehorende aan [naam slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- voornoemde [naam slachtoffer] haar woning heeft ingeduwd en

- tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd "meewerken, me niet aan kijken en ik wil geld en me niet aankijken" en "ik moet nog meer geld" en

- de benen en armen van voornoemde [naam slachtoffer] heeft vastgebonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

afpersing

en

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

in eendaadse samenloop gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

Hij heeft rekening gehouden met het uitgebreide strafblad van verdachte en met de gevoelens van onveiligheid en angst die de handelingen van verdachte teweeg hebben gebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden niet gerechtvaardigd acht, omdat verdachte geen fysiek geweld heeft gebruikt, niet met wapens heeft gedreigd en slechts vijf minuten in de woning van het slachtoffer is geweest.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte is op laffe wijze in de woning van de bijna 73-jarige [naam slachtoffer] binnengedrongen. Hij heeft haar doen geloven dat hij een buurman was, waardoor [naam slachtoffer] ertoe werd gebracht de deur voor verdachte te openen. Hij heeft geweld jegens haar gepleegd en haar bedreigd met geweld. Nadat hij haar geld, sieraden en andere goederen had afgenomen – de sieraden heeft hij nota bene van [naam slachtoffer]s hals en vingers getrokken – heeft hij haar aan armen en benen vastgebonden. Met dit gedrag heeft hij aangetoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom noch voor diens lichamelijke integriteit. Dat [naam slachtoffer] gezien haar leeftijd als een kwetsbaar slachtoffer moet worden gekwalificeerd, heeft verdachte evenmin ertoe gebracht van zijn voornemen om een overval te plegen af te zien.

De gebeurtenis heeft grote impact op het slachtoffer gehad. Het heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid in haar eigen woning, een plek waar men zich het meest veilig moet kunnen voelen. Verder heeft zij een tijd lang haar werkzaamheden in het vrijwilligerswerk niet kunnen uitoefenen en is zij met name in de avonduren nog bang. Verdachte heeft bij zijn actie slechts gedacht aan zijn eigen gewin, zonder in het minst rekening te houden met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Ook neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoording voor zijn daden heeft genomen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met het uitgebreide strafblad van verdachte, waarop onder meer soortgelijke feiten staan vermeld. De rechtbank acht het recidiverisico dan ook hoog.

Daarnaast heeft zij er rekening mee gehouden dat verdachte in het verleden afspraken met de reclassering niet is nagekomen en momenteel geen contact met de reclassering wenst, zoals uit het reclasseringsrapport d.d. 6 april 2012 is gebleken. Het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht met als doel het terugdringen van de recidive acht de rechtbank dan ook zinloos.

Het tenlastegelegde betreft een zeer ernstig feit. De rechtbank dient aansluiting te zoeken bij straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en wil tevens een signaal afgeven naar de samenleving en naar het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur recht doet aan de ernst van het feit.

Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is voor een overval in een woning met gebruik van licht geweld een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend.

De rechtbank ziet, gezien de ernst van het feit en verdachtes recidive, reden af te wijken van dit oriëntatiepunt.

Zij zal aan verdachte opleggen de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer], vordert een schadevergoeding van € 2.931,02, bestaande uit € 1.431,02 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen, met wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd met betrekking tot de gevorderde bedragen onder 1 tot en met 5. Zij heeft verzocht de vordering met betrekking tot de punten 6 tot en met 10 af te wijzen bij gebrek aan onderbouwende documentatie. Betreffende de immateriële schade heeft zij verzocht deze te matigen, nu er geen sprake is geweest van fysiek geweld jegens aangeefster en er niet is gedreigd met een wapen of wapens.

De rechtbank is van oordeel dat de schadevordering in zijn geheel dient te worden toegewezen. Zij overweegt hiertoe dat zij de immateriële schade passend vindt, gezien het leed dat door de overval aan de benadeelde partij is toegebracht en de psychische gevolgen die deze teweeg heeft gebracht.

Ook de materiële schadevordering acht de rechtbank toewijsbaar. Ter zake van de vordering met betrekking tot de punten 6 tot en met 10 is de rechtbank van oordeel dat, hoewel door de benadeelde partij geen aankoopnota’s of taxatierapporten van de ontvreemde sieraden zijn overgelegd, de door [naam slachtoffer] opgegeven schadebedragen haar niet onredelijk voorkomen, zodat de rechtbank de geleden schade wegens de diefstal van de sieraden zal schatten op de gevorderde bedragen.

De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding dan ook geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2012 tot aan de dag der volledige voldoening.

Nu de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens [naam slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank besloten tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 55 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer],

van een bedrag van € 2.931,02 (zegge:

tweeduizendnegenhonderdeenendertig euro en twee eurocent), bestaande uit € 1.431,02 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente van 9 februari 2012 tot aan de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer]tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer]voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 39 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

9 februari 2012 tot aan de dag der volledige voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer]vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en

mr. J.A.A.C. Claessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 juli 2012.

Mr. Claessen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 09 februari 2012 in de gemeente Heerlen,

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer]heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of pincode en/of sieraden, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

- met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een gsm (Philips) en/of een bankpas en/of geld en/of sieraden (halsketting en drie ringen) en/of een eletrische fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- voornoemde [naam slachtoffer] haar woning heeft ingeduwd en/of

- tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd "meewerken, me niet aan kijken en ik wil geld en me niet aankijken" en/of "ik moet nog meer geld" en/of

- de benen en/of armen van voornoemde [naam slachtoffer] heeft vastgebonden.