Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BX0193

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
03-700051-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:5228, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding tussen auto en scooter; vrijspraak poging doodslag; veroordeling voor (poging tot) zware mishandeling; tevens veroordeling voor bedreiging en verlaten plaats ongeval; gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van in totaal vier jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700051-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 juni 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegevens verdachte],

gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 4 mei 2012 en 15 juni 2012. Ter terechtzitting van 4 mei 2012 hebben de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar gemaakt. Ter terechtzitting van 15 juni 2012 is verdachte niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 15 juni 2012 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair: heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] te doden;

Subsidiair: [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Meer subsidiair: met zijn auto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

Feit 2:

Primair: heeft geprobeerd [naam slachtoffer 2] te doden;

Subsidiair: heeft geprobeerd [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 3: [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met een vuurwapen;

Feit 4: de plaats van het ongeval heeft verlaten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zijn auto als wapen heeft gebruikt toen hij op de rijdende scooter inreed. Hij heeft daarbij volgens de officier van justitie moeten beseffen dat deze actie de dood voor zowel de bestuurder als de bijrijder van de scooter tot gevolg had kunnen hebben. De officier van justitie wijst daarbij op de kans dat de scooter over de kop had kunnen slaan of dat de scooter tegen de, nabij de plaats van het ongeval aanwezige, lantaarnpaal had kunnen botsen. Ook heeft de officier van justitie gewezen op het zeer zwaar lichamelijk letsel dat de bijrijder van de scooter ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 heeft de officier van justitie verwezen naar de verklaringen van de slachtoffers [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1], die bijna geheel met elkaar in overeenstemming zijn en naar het feit dat verdachte in het verleden ter zake van het voorhanden hebben van een wapen is veroordeeld.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een algehele vrijspraak bepleit. Naar haar mening zijn er onvoldoende aanwijzingen om enige betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten aan te nemen. Zij voert daartoe aan dat de verdenking jegens verdachte slechts steunt op de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2], die zij als onbetrouwbaar aanmerkt. De genoemde verklaringen bevatten volgens de raadsvrouw een aantal merkwaardige en ongeloofwaardige elementen. Daarbij komt dat de met [naam slachtoffer 1] gehouden fotoconfrontatie een enkelvoudige was, waardoor deze onbruikbaar is als bewijsmiddel. Ook de verklaring van getuige [naam getuige] acht de raadsvrouw ongeloofwaardig. Tenslotte is er volgens de raadsvrouw geen enkele link te leggen tussen verdachte en de Volkswagen Golf die bij de aanrijding betrokken zou zijn geweest en het vrijwel direct aan de aanrijding voorafgegane incident met een wapen.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 4 juli 2011 vond een verkeersincident plaats op de Floretruwe te Maastricht. De politie trof een man liggend op de grond aan met een grote open wond aan zijn linkeronderbeen. In de nabijheid van deze persoon lagen onderdelen van een scooter en delen van een buitenspiegel van een auto. Op de plaats van de aanrijding waren geen voertuigen meer aanwezig die bij het incident betrokken waren geweest. De gewonde man, [naam slachtoffer 1], werd per ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis.

Na zijn aankomst in het ziekenhuis heeft [naam slachtoffer 1] een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat de bestuurder van de scooter een vriend van hem is die een aantal dagen eerder een conflict heeft gehad met ene [naam verdachte]. Op 4 juli reed [naam slachtoffer 1] samen met zijn vriend op een scooter over de Floretruwe. [naam verdachte] kwam toen in een Volkswagen Golf, type 6, naast hen rijden. [naam verdachte] richtte vervolgens een klein vuistvuurwapen, type 6 mm, op hun. Zijn vriend heeft toen gas gegeven om weg te komen, waarna [naam verdachte] hen met de Volkswagen Golf van de weg heeft gereden, door met de rechterzijde van de auto tegen de scooter te rijden.

Op 5 juli 2011 deed [naam slachtoffer 1] aangifte van poging tot doodslag. Hij verklaarde toen dat de bestuurder van de scooter [naam slachtoffer 2] was. Over de aanrijding, het vuurwapen en de voornaam van de bestuurder van de auto verklaarde hij overeenkomstig zijn eerder afgelegde verklaring. In aanvulling daarop verklaarde hij dat de bestuurder van de auto na de aanrijding is weggereden en dat hij, toen hij op de grond lag, een bot uit zijn been zag steken. Ook verklaarde hij dat in het ziekenhuis werd geconstateerd dat hij een open beenbreuk had en dat hij daaraan twee tot drie keer geopereerd zou moeten worden. Tevens bracht hij naar voren dat hij zich bedreigd voelde door het wapen en de aanrijding.

Na onderzoek door de politie is op 6 juli 2011 een foto van de mogelijke dader, zijnde verdachte, aan [naam slachtoffer 1] getoond. [naam slachtoffer 1] verklaarde dat hij de persoon op de foto herkende als de door hem genoemde [naam verdachte], die een pistool op hem en [naam slachtoffer 2] richtte en hen vervolgens aanreed.

In de geneeskundige verklaring staat dat [naam slachtoffer 1] een open onderbeenbreuk heeft opgelopen aan het linkerbeen. Er is sprake van ernstig uitwendig bloedverlies en een vermoeden van inwendig bloedverlies. Vermeld wordt dat [naam slachtoffer 1] drie keer is geopereerd: eerst een uitwendige breukstabilisatie, daarna een inwendige breukstabilisatie en tenslotte een huidtransplantatie. De geschatte duur van genezing is zes maanden.

In een schriftelijke slachtofferverklaring, die gebaseerd is op een gesprek tussen [naam slachtoffer 1] en slachtofferhulp op 25 april 2012, heeft [naam slachtoffer 1] aangegeven dat hij nog altijd veel pijn heeft aan zijn linkerbeen, dat hij moeilijk kan lopen of lang staan en waarschijnlijk de rest van zijn leven hiervan last zal blijven houden.

De bestuurder van de scooter, [naam slachtoffer 2], heeft als getuige ter terechtzitting een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij op 4 juli 2011 op zijn scooter over de Floretruwe reed en dat [naam slachtoffer 1] achterop zat. Op een gegeven moment kwam verdachte in een Volkswagen Golf 6 naast hun rijden en richtte een pistool op hen. Hierop heeft hij vol gas gegeven om weg te komen. Echter verdachte haalde hem in, gooide het stuur naar rechts en remde, waardoor hij klem werd gereden. De scooter raakte de rechterzijde van de auto en kwam tegen de stoeprand. Hierdoor vlogen zowel hij als [naam slachtoffer 1] van de scooter. Hij zag dat het been van [naam slachtoffer 1] gebroken was. Ter terechtzitting heeft de getuige [naam slachtoffer 2] op een foto verdachte herkend als de persoon die de aanrijding heeft veroorzaakt.

In de verkeersongevallenanalyse staat beschreven dat de bromfiets rechts op de rijbaan van de Floretruwe heeft gereden en de personenauto links daarnaast. Vervolgens heeft de bestuurder van de auto naar rechts gestuurd en is in contact gekomen met de bromfiets. Bij dit contact is de bromfiets nagenoeg zeker naar rechts gedrukt en zijn onderdelen van de bromfiets met het wegdek in aanraking gekomen. Tijdens dit contact moet de bijrijder gewond zijn geraakt en is een stukje weefsel, gezien het letsel vermoedelijk afkomstig van het linkerbeen van de bijrijder, op het wegdek terecht gekomen. De bromfiets is het trottoir opgedrukt.

De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn. Tevens heeft zij aangevoerd dat de enkelvoudige fotoconfrontatie niet bruikbaar is voor het bewijs en dat de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten verder nergens uit blijkt.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

[naam slachtoffer 1] heeft vrijwel meteen na de aanrijding een verklaring afgelegd, waarin hij ene [naam verdachte] noemt als degene die een pistool op hem en [naam slachtoffer 2] richtte en hen van de weg afreed. In zijn aangifte, die hij een dag later doet, verklaart hij gelijkluidend. De verklaring van [naam slachtoffer 2] komt op de meest cruciale punten overeen met die van [naam slachtoffer 1]. Daar komt bij dat [naam slachtoffer 1] al tegen de getuige [naam getuige], die naast hem zat toen hij gewond op de grond lag, heeft gezegd dat de bestuurder van de auto [naam verdachte] heette en dat deze een wapen bij zich had.

Nu [naam slachtoffer 2] de plaats van de aanrijding direct heeft verlaten en [naam slachtoffer 1] vrijwel meteen een verklaring heeft afgelegd, heeft de rechtbank geen enkele reden om aan te nemen dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding aan deze verklaringen te twijfelen. De verklaringen zijn immers niet alleen met elkaar, maar ook met de rapportage van de ongevallenanalyse in overeenstemming. Dat de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] op een aantal ondergeschikte punten van elkaar afwijken, doet daar niet aan af. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs.

Gelet op het bovenstaande, vindt de rechtbank ook de enkelvoudige fotoconfrontatie, waarbij [naam slachtoffer 1] verdachte als de dader aanwijst, bruikbaar als bewijsmiddel. Daaruit volgt dat verdachte wel degelijk degene is geweest die de aanrijding heeft veroorzaakt.

Met betrekking tot de bewezenverklaring overweegt de rechtbank als volgt.

Feiten 1 primair en 2 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven. Van opzet op de dood blijkt immers niet, ook niet in voorwaardelijke zin. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood, is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Het zal daarbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers zouden kunnen overlijden door zijn gedraging, te weten het aanrijden van de scooter. Weliswaar is de kans dat iemand door het handelen van verdachte zou overlijden mogelijk reëel te noemen, maar uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat deze kans aanmerkelijk was, nog daargelaten de vraag of verdachte zich daarvan bewust is geweest. De verdachte zal derhalve van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair

Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en ten aanzien van [naam slachtoffer 2] daartoe een poging heeft gedaan.

Gelet op het handelen van de verdachte, het met een auto inrijden op twee personen op een scooter en alle omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, zoals deze blijken uit de hiervoor weergeven beschrijving van de feiten en omstandigheden, is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat daarvan zwaar lichamelijk letsel bij de bestuurder en de bijrijder van de scooter het gevolg is. Verdachte moet zich ervan bewust zijn geweest dat het op deze wijze inzetten van de massa van een auto tegenover de opzittenden van een scooter zwaar letsel op kan leveren. Dat het om zwaar lichamelijk letsel gaat volgt uit het gegeven dat [naam slachtoffer 1] ten gevolge van de aanrijding een open onderbeenbreuk heeft opgelopen en aan dit letsel drie keer is geopereerd, bijna een jaar na het ongeluk nog steeds pijn heeft aan het been en niet goed kan lopen en lang staan. Het is voorts niet aan verdachte te danken dat dat gevolg zich ten aanzien van [naam slachtoffer 2] niet heeft gemanifesteerd.

Feit 3

De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] met een vuurwapen heeft bedreigd. Hun verklaringen, die de rechtbank als betrouwbaar heeft bestempeld, komen met betrekking tot de bedreiging volledig overeen. Daarbij komt dat [naam slachtoffer 1] ook direct na de aanrijding tegenover een getuige heeft verklaard over het wapen.

Feit 4

Dat verdachte de plaats van de aanrijding heeft verlaten, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij aan [naam slachtoffer 1] letsel en schade had toegebracht, volgt uit het feit dat hij niet op de plaats van de aanrijding is aangetroffen en uit de verklaringen van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] dat verdachte direct na de aanrijding is weggereden. De rechtbank acht daarom ook feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

op 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een beenbreuk aan het linkeronderbeen) heeft toegebracht door opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto), in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter heeft gestuurd en daarbij dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en waardoor een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter, waarop die [naam slachtoffer 1] als bijrijder zat;

2. subsidiair

op 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto), in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter heeft gestuurd en daarbij dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en waardoor een aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter, waarop die [naam slachtoffer 2] als bestuurder zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen gericht en gericht gehouden op die [naam slachtoffer 2] en op die [naam slachtoffer 1];

4.

op 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Floretruwe, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam slachtoffer 1]) letsel en schade was toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 subsidiair:

zware mishandeling;

feit 2 subsidiair:

poging tot zware mishandeling;

feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 4:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft tot vrijspraak geconcludeerd en heeft verzocht verdachte met onmiddellijke ingang in vrijheid te stellen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte is met een auto ingereden op een rijdende scooter. Daarmee heeft hij de auto als wapen gebruikt. Hierbij heeft de bijrijder van deze scooter zeer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het is maar de vraag of hij daar ooit helemaal van zal herstellen. Dat de bestuurder van de scooter geen zwaar letsel heeft opgelopen, is een geluk bij een ongeluk en is niet te danken aan het handelen van verdachte. Het is evident dat de bestuurder en de bijrijder van de scooter bijzonder angstige momenten moeten hebben doorgemaakt toen verdachte met de auto op hen inreed, temeer nu hij vlak voor de aanrijding beide personen ook al met een vuurwapen had bedreigd. Verdachte heeft zich bovendien niets aangetrokken van de bestuurder en de bijrijder, nadat de scooter onderuit was gegaan. Terwijl verdachte had kunnen weten dat aan hen letsel en schade was toegebracht, heeft hij gewoon de plaats van het ongeval verlaten. Dit gedrag, maar ook het gebruik van een wapen om anderen te bedreigen en het inzetten van een auto als wapen tegen kwetsbare weggebruikers getuigt van weinig respect voor het welzijn en het leven van anderen.

Op zulke feiten en dergelijk gedrag kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met een wapen dat geen vuurwapen is, geldt als uitgangspunt oplegging van een gevangenisstraf van een jaar. Bij een poging daartoe wordt de op te leggen straf met een derde verminderd, waardoor derhalve als uitgangspunt oplegging van een gevangenisstraf van acht maanden geldt. Voor bedreiging met een vuurwapen wordt als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie maanden genomen. Bij dit alles realiseert de rechtbank zich dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten één feitencomplex behelzen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsmisdrijven en de Wet wapens en munitie is veroordeeld. Zij ziet daarin aanleiding de op te leggen straf te verhogen. Die eerdere veroordelingen tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraffen hebben verdachte duidelijk niet weten te doordringen van het feit dat hij moet stoppen met het plegen van strafbare feiten.

Door de reclassering is op 20 april 2012 een rapport over verdachte uitgebracht. Omdat verdachte ontkent de feiten te hebben gepleegd, kan zij geen eenduidig recidiverisico vaststellen. Wel adviseert zij aan verdachte, in geval van een veroordeling, een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Al deze elementen maken dat oplegging van een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, een passende straf is.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van twee jaar ten aanzien van feit 1 subsidiair en voor de duur van twee jaar ten aanzien van feit 2 subsidiair. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van deze omvang is noodzakelijk, enerzijds ter bescherming van de verkeersveiligheid en anderzijds om verdachte de onjuistheid van zijn handelen te doen inzien.

In het voorgaande ligt besloten dat het verzoek van de raadsvrouw tot onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte wordt afgewezen.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.974,78 als voorschot ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [naam slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1350,-, waarvan € 600,- aan materiële schade en € 750,- als voorschot aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [naam slachtoffer 1] geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [naam slachtoffer 2] heeft hij gevorderd de materiële schade ad € 600,- geheel toe te wijzen en de immateriële tot een bedrag van € 500,- toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft verzocht beide vorderingen af te wijzen, nu zij tot vrijspraak heeft geconcludeerd.

De vordering van [naam slachtoffer 1]

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en het dossier staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat [naam slachtoffer 1] aanzienlijke schade heeft geleden als gevolg van de door verdachte veroorzaakte aanrijding. [naam slachtoffer 1] heeft immers zeer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De door [naam slachtoffer 1] opgevoerde kosten komen de rechtbank als zeer redelijk voor. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat [naam slachtoffer 1] tot op heden geen vergoeding van de opgevoerde kosten door een verzekeringsmaatschappij heeft ontvangen. De rechtbank zal de vordering dan ook geheel en als voorschot toewijzen, zodat eventuele toekomstige kosten nog bij de civiele rechter verhaald kunnen worden.

De vordering van [naam slachtoffer 2]

Ten aanzien van deze vordering overweegt de rechtbank als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat [naam slachtoffer 2] schade heeft geleden. Zijn scooter was immers betrokken bij de door verdachte veroorzaakte aanrijding en is daarbij beschadigd geraakt. Het gevorderde bedrag van € 600,- ter vergoeding van de schade aan deze scooter komt de rechtbank niet onredelijk voor. Zij zal de vordering voor wat betreft dit bedrag dan ook toewijzen.

De gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vaststellen en matigen tot een bedrag van € 300,-. Zij acht, gelet op de aard van de aanrijding, aannemelijk dat benadeelde [naam slachtoffer 2] enig letsel heeft opgelopen en zich bedreigd heeft gevoeld.

Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen.

De raadsman heeft ter terechtzitting opgemerkt dat de kosten voor rechtsbijstand waarschijnlijk vergoed zullen worden. De rechtbank zal deze post dan ook als vervallen beschouwen.

De rechtbank zal ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar ten aanzien van feit 1 subsidiair;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar ten aanzien van feit 2 subsidiair;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] van € 4.974,78 als voorschot;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] van € 900,- waarvan € 600,- aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade;

- wijst de vordering voor het overige af;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- [naam slachtoffer 1] € 4.974,78 59 dagen hechtenis,

- [naam slachtoffer 2] € 900,- 18 dagen hechtenis,

- met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juni 2012.

Buiten staat

Mr. J.H. Klifman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto) in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter (waarop die [naam slachtoffer 1] als bijrijder zat) heeft gestuurd en/of (daarbij) met dat opzet (te) dicht, althans erg dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en/of waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en/of waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter waarop die [naam slachtoffer 1] als bijrijder zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een beenbreuk aan het (linker)onderbeen) heeft toegebracht door opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto), in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter heeft gestuurd en/of (daarbij (te) dicht, althans erg dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en/of waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en/of waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter, waarop die [naam slachtoffer 1] als bijrijder zat;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 juli 2011, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Floretruwe, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [naam slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan (te weten een beenbreuk aan het (linker)onderbeen), welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk)

onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, met opzet met dat door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto), in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter (waarop die [naam slachtoffer 1] als bijrijder zat) heeft gestuurd en/of (daarbij) (te) dicht, althans erg dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en/of waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en/of waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter waarop die [naam slachtoffer 1] als bijrijder zat;

2.

hij op of omstreeks 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto) in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter (waarop die [naam slachtoffer 2] als bestuurder reed) heeft gestuurd en/of (daarbij) (te) dicht, althans erg dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en/of

waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en/of waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter waarop die [naam slachtoffer 2] als bestuurder zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto), in de richting van een gezien zijn, verdachtes, rijrichting, in dezelfde rijrichting rijdende scooter heeft gestuurd en/of (daarbij) (te) dicht, althans erg dicht naast die scooter is gaan rijden, waardoor die scooter tegen de trottoirband werd gedrukt en/of waardoor die scooter met opzittenden ten val is gekomen en/of waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de scooter, waarop die [naam slachtoffer 2] als bestuurder zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht en/of gericht gehouden op die [naam slachtoffer 2] en/of op die [naam slachtoffer 1];

4.

hij op of omstreeks 4 juli 2011 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Floretruwe, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [naam slachtoffer 1]) letsel en/of schade was toegebracht.