Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8745

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
AWB 11/864 + AWB 12/277
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:430, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens geconstateerde overtredingen van voorschriften van een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b en c van de Wet Milieubeheer (inmiddels een omgevingsvergunning in de zin van de Wabo). Tevens is verweerder overgegaan tot invordering van de bij besluit van 9 november 2010 opgelegde dwangsommen tot een bedrag van € 221.630,00.

Het toetsingskader van het dwangsombesluit wordt gevormd door de geldende vergunning op grond van de Wet milieubeheer (thans de Wabo) en de daarin opgenomen voorschriften en het brandveiligheidsrapport. Het toetsingskader wordt niet gewijzigd door afspraken die zijn gemaakt tussen partijen en de brandweer naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, welke afspraken dateren van na de primaire beslissing. In het kader van het invorderen van de verbeurde dwangsommen spelen deze afspraken wel een rol. Bij de invordering had verweerder deze afspraken moeten meenemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Algemene wet bestuursrecht 5:39
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/755
JAF 2012/95 met annotatie van Van der Meijden
Milieurecht Totaal 2012/390
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/864 + AWB 12/277

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te Maastricht, eiseres

(gemachtigde: mr.ing J.J. Patelski),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder

(gemachtigden: mr. M.G.L. Soons en M.H.J. Roelofs).

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder aan eiseres lasten onder dwangsom opgelegd vanwege geconstateerde overtredingen van vergunningvoorschrift G2, sub a, c, d en f, alsmede het bepaalde in artikel 2.1 en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 april 2011 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, welk beroep geregistreerd is onder zaaknummer AWB 11/864.

Bij besluit van 1 november 2011 heeft verweerder vastgesteld dat de overtredingen niet zijn beëindigd, zodat eiseres een dwangsom van in totaal € 221.630,00 heeft verbeurd. Dit besluit wordt hierna aangeduid als de invorderingsbeschikking.

Bij brief van 12 december 2011 heeft eiseres tegen de invorderingsbeschikking bezwaar gemaakt bij verweerder. Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder het bezwaarschrift ter behandeling doorgezonden aan de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/277.

Verweerder heeft de stukken, die op de zaken betrekking hebben, aan de rechtbank gezonden en verweerschriften ingediend.

De onderhavige beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 mei 2012. Namens eiseres is J. Peeters verschenen, bijgestaan door Patelski voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigden door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

Eiseres exploiteert een inrichting die zich in het bijzonder bezighoudt met het recyclen van hout-, bouw- en/of sloopafval. Verweerder heeft op 25 januari 2005 voor deze inrichting een revisievergunning verleend en op 14 november 2006 een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b en c van de Wet milieubeheer (inmiddels een omgevingsvergunning in de zin van de Wabo).

Op 6 augustus 2010 heeft eiseres een aanvraag voor een revisievergunning ingediend bij verweerder. Deze aanvraag ziet niet alleen op het huidige terrein van de inrichting van eiseres aan de Klipperweg 24, maar ook op het nieuwe opslagterrein aan de Klipperweg 8-10.

Op 20 september 2010 heeft er een brand gewoed op het bedrijventerrein van eiseres aan de Klipperweg 24.

Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van de vigerende milieuvergunning en het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, sub e, onder 2 en artikel 2.3 van de Wabo.

Verweerder heeft eiseres gelast de overtredingen blijvend te doen beëindigen door:

-ervoor zorg te dragen dat binnen een termijn van één week na inwerkingtreding van dit besluit conform vergunningvoorschrift G2 onder sub f, onder de binnen de inrichting aanwezige hoogspanningslijn een strook van tenminste 40 meter vrij blijft van de opslag van brand- of explosiegevaarlijke stoffen; deze strook moet zodanig zijn gelegen dat vanuit het hart van de hoogspanningslijn aan elke zijde tenminste 20 meter vrij blijft van brand- of explosiegevaarlijke stoffen; indien deze overtreding niet wordt beëindigd binnen de termijn verbeurt eiseres een dwangsom van € 7.383,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 73.830,00.

-ervoor zorg te dragen dat binnen een termijn van één week na inwerkingtreding van dit besluit de opslagcompartimenten binnen de inrichting zijn ingericht conform vergunningvoorschrift G2 onder a, c en d; indien deze overtreding niet wordt beëindigd binnen de termijn verbeurt eiseres een dwangsom van € 14.780,00 per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 147.800,00.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot het dwangsombesluit. Deze zaak is bekend bij deze rechtbank onder zaaknummer AWB 10/184. Het verzoek is ingetrokken ter zitting van

8 december 2010. Eiseres en verweerder hebben onderling afspraken gemaakt over de opslag van materialen op het terrein van de inrichting van eiseres. Deze afspraken zijn in verweerders brief van 16 december 2010 vastgelegd en houden – kort gezegd – in dat aan de zijde van de inrichting van eiseres die grenst aan Likabo en het Landbouwbelang de aldaar aanwezige materialen 6 meter uit de perceelsgrens dienden te liggen als onbrandbare en brandbestendige keerwanden aanwezig waren en dat de opslaghoogte van brandbare afvalstoffen binnen 20 meter van de perceelsgrens niet hoger mocht zijn dan die keerwand(en). Verder diende onder de hoogspanningsmast een strook van ten minste 40 meter vrij te blijven van opslag van brand- en explosiegevaarlijke stoffen.

Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerder de in het besluit van

9 november 2010 genoemde begunstigingstermijn verlengd tot 1 februari 2011.

Vervolgens heeft eiseres op 24 januari 2011 wederom een verzoek ingediend bij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de begunstigingstermijn ten einde liep en eiseres dwangsommen dreigde te verbeuren vanaf

1 februari 2011. Deze zaak is bekend bij deze rechtbank onder zaaknummer AWB 11/127. Eiseres heeft in haar verzoek aangegeven dat de brandweer en verweerder akkoord gaan met de door eiseres voorgestelde wijze van opslag van materialen. Verweerder heeft op zijn beurt aan de rechtbank laten weten dat er overleg is geweest tussen de brandweer, eiseres en hemzelf en dat er overeenstemming te bereiken is over de wijze van opslag en het vastleggen hiervan op tekening. De gemaakte afspraken zijn in een e-mailwisseling van 28 januari 2011 tussen een medewerker van verweerder en de gemachtigde van eiseres onder meer als volgt verwoord:

“5. Vooruitlopend op de te verlenen (revisie)vergunning mag de opslag binnen de inrichting van John Peeters Recycling BV voldoen aan de door de Brandweer (onder voorwaarden, zie brief 27 januari 2011) goedgekeurde tekening. Indien op enig moment wordt geconstateerd dat de opslag binnen de inrichting niet voldoet aan deze door de Brandweer goedgekeurde tekening zal hiertegen handhavend worden opgetreden.”

Bij telefaxbericht van 28 januari 2011 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank laten weten dat alsnog een minnelijke regeling is bereikt en dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, wordt ingetrokken.

Verweerder heeft niettemin de bezwaarprocedure voortgezet, hetgeen geresulteerd heeft in het thans bestreden besluit van 18 april 2011, waarbij de bezwaren van eiseres ongegrond zijn verklaard.

Verweerder heeft daarna controles uitgevoerd op 28 mei 2011, 15 juni 2011, 22 juni 2011, 13 juli 2011, 20 juli 2011, 27 juli 2011, 4 augustus 2011, 11 augustus 2011, 24 augustus 2011 en 31 augustus 2011. Volgens verweerder is uit deze controles steeds opnieuw gebleken dat niet werd voldaan aan de lasten onder dwangsom van 9 november 2010.

Bij de invorderingsbeschikking van 1 november 2011 heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van de bij besluit van 9 november 2010 opgelegde dwangsommen tot een bedrag van € 221.630,00.

Eiseres kan zich niet verenigen met het hiervoor genoemde besluit van 18 april 2011 en de invorderingsbeschikking van 1 november 2011. De rechtbank zal hierna beide beroepen apart inhoudelijk beoordelen.

de last onder oplegging van een dwangsom (zaaknummer AWB 11/864):

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bevoegd was tot handhaving over te gaan. De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten tijde van de beslissing op bezwaar had moeten toetsen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het besluit op bezwaar (ex nunc). Verweerder heeft volgens eiseres bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de brandweer op 27 januari 2011 heeft ingestemd met de wijze van opslag, zoals die bij eiseres plaatsvindt. Eiseres is dan ook de mening toegedaan dat het handhavingsbesluit niet getoetst had moeten worden aan de vergunningvoorschriften en het brandveiligheidsrapport uit 2006, maar aan de indeling zoals die in de door de brandweer goedgekeurde rapportage is weergegeven. Op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar was er geen aanleiding voor handhaving van het primaire besluit van 9 november 2010, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt dat, anders dan eiseres heeft betoogd, beoordeling naar de feiten en omstandigheden welke ten grondslag liggen aan het primaire besluit (ex tunc) hoofdregel is in het bestuurlijke handhavingsrecht. Dat betekent in dit geval, gelet op de inhoud van de last, dat verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar in de eerste plaats diende te beoordelen of eiseres de in het besluit van 9 november 2010 aan eiseres tegengeworpen vergunningsvoorschriften van de vigerende milieuvergunning overtrad. Een andere opvatting zou tot het ongewenste resultaat leiden dat eiseres tot de dag van de beslissing op bezwaar zou kunnen doorgaan met overtreden zonder een dwangsom te verbeuren en daarmee aan de dwangsom als handhavingsmiddel afbreuk doen. De vraag of er al dan niet dwangsommen zijn verbeurd, komt pas bij de invordering aan de orde.

De nadere afspraken, welke in het kader van de voorlopige voorziening zijn gemaakt, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden, welke aanleiding geven om van de hiervoor gegeven hoofdregel (ex tunc) af te wijken.

De rechtbank stelt voorts vast dat aan eiseres twee lasten zijn opgelegd. De eerste last ziet op het naleven van vergunningvoorschrift G2, sub f. In dit vergunningvoorschrift is, zoals hiervoor reeds is vermeld, bepaald dat onder de hoogspanningslijn een strook van tenminste 40 meter vrij dient te blijven van de opslag van brand- of explosiegevaarlijke stoffen.

De rechtbank stelt vast dat in voornoemd vergunningvoorschrift nadrukkelijk wordt gesproken van brand- of explosiegevaarlijke stoffen. Verweerders standpunt dat met brand- of explosiegevaarlijke stoffen bedoeld worden de stoffen die in de aanhef van voorschrift G2 staan genoemd, kan de rechtbank niet volgen. Ter zitting is komen vast te staan dat geen brand- of explosiegevaarlijke stoffen aanwezig zijn in de inrichting van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kan vergunningvoorschrift G2, onder sub f dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan de eerste last. Een en ander sluit overigens niet uit dat eiseres door opslag van stoffen onder de hoogspanningslijn mogelijk andere vergunning¬voorschriften heeft overtreden. De eerste last is echter niet gebaseerd op deze andere vergunningvoorschriften en alleen gekoppeld aan sub f van vergunningvoorschrift G2. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de vergunningvoorschriften die ten grondslag zijn gelegd aan de tweede last (te weten sub a, c en d van vergunningvoorschrift G2) in het onderhavige bestreden besluit niet zien op het stuk grond onder de hoogspanningslijn, maar slechts betrekking hebben op het overige gedeelte van het terrein van de inrichting.

Gezien het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat eiseres vergunningvoorschrift G2, sub f niet heeft overtreden. Daarom was verweerder niet bevoegd tot handhavend optreden met betrekking tot de stoffen die onder de hoogspanningslijn liggen wegens overtreding van voornoemd vergunningvoorschrift.

Het beroep van eiseres op dit punt is dan ook gegrond. De overige gronden met betrekking tot de eerste last behoeven – gelet hierop – geen bespreking meer.

Nu uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet bevoegd was tot handhavend optreden met betrekking tot de eerste last onder dwangsom, zal de rechtbank, gebruikmakend van de haar in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid, het (primaire) besluit van 9 november 2010 op dit punt herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

De tweede last die eiseres is opgelegd heeft betrekking op het in overeenstemming brengen van de opslagcompartimenten binnen de inrichting conform het bepaalde in vergunningvoorschrift G2, onder a, c en d.

In sub a van vergunningvoorschrift G2 is bepaald dat opslagcompartimenten maximaal 500 m² groot en 8 meter hoog mogen zijn. Door toepassing van keerwanden mag deze oppervlakte worden verhoogd tot maximaal 1340 m².

In sub c van vergunningvoorschrift G2 is bepaald dat tussen twee opslagcompartimenten van brandbare opslagen minimaal 20 meter vrije ruimte aanwezig moet zijn. De vrije ruimte mag alleen gebruikt worden voor de opslag van niet brandbare materialen.

In sub d van vergunningvoorschrift G2 is bepaald dat opslagcompartimenten tenminste 20 meter uit de perceelsgrens moeten zijn gelegen. Indien onbrandbare en brandbestendige keerwanden aanwezig zijn die tenminste even hoog zijn als de hoogte van de opslag mag deze afstand worden verkleind tot 6 meter. Daarbij mag de opslaghoogte van brandbare afvalstoffen binnen 20 meter van de perceelsgrens niet hoger zijn dan de keerwand.

In sub g van vergunningvoorschrift G2 is bepaald dat in afwijking van lid a, lid c, lid d en lid e de opslag van brandbare materialen mag plaatsvinden conform het tot de aanvraag van de veranderingsvergunning behorende brandveiligheidsrapport van 27 april 2006. Aanvullende voorwaarden hierbij zijn:

-de opslag van ongeshredderd hout in westelijk gelegen opslagvakken van maximaal 625 m² niet hoger is dan 4,5 meter. Voor geshredderd hout mag dit maximaal 6 meter hoog zijn;

-de opslaghoogte in het oostelijk gelegen opslagvak van maximaal 675 m² niet hoger is dan 6 meter;

-de minimale afstand tussen twee brandbare compartimenten op het middenterrein bedraagt 15 meter.

De rechtbank stelt vast dat voorafgaand aan het primaire besluit tijdens verschillende controles van de inrichting is gebleken dat eiseres een aantal brandbestendige keerwanden binnen de inrichting niet heeft gerealiseerd en eiseres de toegestane grootte en onderlinge afstanden tussen opslagen niet in acht heeft genomen. Door eiseres wordt dit niet ontkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten tijde van het opleggen van de last terecht heeft geconcludeerd dat een overtreding van de vergunningvoorschriften G2, sub a, c en d plaatsvond.

Het standpunt van eiseres dat er formeel weliswaar sprake is van een overtreding van de vergunning, maar materieel gezien niet, omdat met de manier van opslag van materialen, zoals die thans is gerealiseerd, aan de doelstelling van de vergunningvoorschriften (het voorkomen van brandoverslag naar belendende percelen en gebouwen) wordt voldaan, kan de rechtbank niet volgen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het toetsingskader wordt gevormd door de geldende vergunning op grond van de Wet milieubeheer (thans de Wabo) en de daarin opgenomen voorschriften en het brandveiligheidsrapport uit 2006. De rechtbank is van oordeel dat het toetsingskader niet is gewijzigd door afspraken die gemaakt zijn tussen partijen en de door de brandweer goedgekeurde tekening van 27 januari 2011, welke afspraken en tekening dateren van nà de primaire beslissing. In het kader van het invorderen van de verbeurde dwangsommen kan daar wel rekening mee worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande was verweerder bevoegd om tegen deze overtreding handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in het geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Eiseres heeft aangevoerd dat een concreet zicht op legalisatie bestaat, omdat er op 6 augustus 2010 een aanvraag om een revisievergunning is ingediend voor het wijzigen van haar inrichting, in die zin dat de opslag van brandbare materialen in de toekomst op een andere locatie zal gaan plaatsvinden.

De rechtbank is gebleken dat de aanvraag van de revisievergunning door verweerder buiten behandeling is gelaten, omdat deze aanvraag volgens verweerder – ook nadat eiseres in de gelegenheid is gesteld om deze aan te vullen – niet voldeed.

Gelet hierop is ten tijde van het primaire besluit nog geen concreet zicht op legalisatie. Dat tijdens de bezwaarfase een nieuwe aanvraag is ingediend, doet daar niet aan af.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij afhankelijk is van de vraag van energiecentrales naar afvalhout en dat het uitvallen van energiecentrales voor eiseres leidt tot stagnatie en opslagproblemen. Ook vorst hindert het scheepvaartverkeer, waardoor het hout niet kan worden afgevoerd, aldus eiseres. Eiseres beroept zich dan ook op overmacht, zijnde een grond om niet tot handhaven over te gaan.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank behoren deze door eiseres geschetste omstandigheden tot haar bedrijfsrisico. Eiseres had bovendien in overleg met haar houtleveranciers kunnen treden om verdere aanvoer van hout (tijdelijk) stop te zetten vanwege de reeds aanwezige voorraad hout op het terrein van haar inrichting. Ook had eiseres haar eigen houtvoorraad kunnen onderbrengen bij een ander bedrijf, werkzaam in dezelfde branche als eiseres. Als vervoer per schip onmogelijk was vanwege de weersomstandigheden, had eiseres kunnen kiezen voor ander vervoer, zoals bijvoorbeeld vervoer per as. Nu eiseres zelf geen adequate maatregelen heeft genomen teneinde te voldoen aan de vergunningvoorschriften, heeft eiseres naar dezerzijds oordeel de door hem als zodanig aangeduide overmachtsituatie zelf in de hand gewerkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder hierin geen reden hoefde te zien om af te zien van handhaving.

Van verdere bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden op grond van de tweede last af te zien, is niet gebleken.

Eiseres stelt tot slot dat de opgelegde dwangsom te hoog is. Naar de mening van eiseres heeft verweerder gekozen om het houtafval af te voeren per as in plaats van per schip. De transportkosten per schip zijn beduidend lager dan de transportkosten per as. Daarnaast zijn de stortkosten die door verweerder worden gehanteerd bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom aanzienlijk hoger dan de verwerkingskosten van het hout in de elektriciteitscentrale in Emden (Duitsland).

De rechtbank merkt nogmaals op dat zij de bestreden beslissing op bezwaar in een geval als dit ex tunc toetst. Gebleken is dat gelet op de beperkte tijd die in een geval als dit voor de voorbereiding van een last onder dwangsom beschikbaar is, verweerder heeft gekozen voor vervoer per as. De rechtbank acht dit onder de gegeven omstandigheden alleszins acceptabel.

Verweerder heeft ter bepaling van de hoogte van de dwangsom bij een concurrerend bedrijf (dat niet aan vaarwater lag) geïnformeerd naar de kosten en vervolgens daar bovenop een financiële prikkel toegevoegd om de geconstateerde overtreding te beëindigen. Verder heeft verweerder gekeken in eigen land waar de afzetmogelijkheden zijn bij erkende bedrijven om het afval te verwerken. Volgens verweerder was het te verwijderen afval een mengsel van allerlei soorten materialen. Verweerder heeft aangegeven dat zij dit materiaal niet zelf kan scheiden en shredderen en heeft daarom onderzocht hoeveel het zou kosten als dit totaalpakket aan afval zou worden afgenomen. De rechtbank kan met deze gang van zaken instemmen en acht de hoogte van de dwangsom dan ook niet onevenredig hoog.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder ten aanzien van de tweede last terecht en op goede gronden heeft besloten tot handhavend optreden. In zoverre is het beroep dan ook ongegrond.

de invorderingsbeschikking (AWB 12/277):

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom.

Hangende beroep tegen de last onder dwangsom is ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, van rechtswege beroep ontstaan tegen de invorderingsbeschikking van 1 november 2011. In deze beschikking is eiseres medegedeeld dat de door haar verbeurde dwangsommen, tot een bedrag van € 221.630,00 worden ingevorderd.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiseres de twee opgelegde lasten heeft overtreden en zo ja, in hoeverre en tot welke verbeuring van dwangsommen dat heeft geleid.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit controles na afloop van de begunstigingstermijn is gebleken dat door eiseres niet werd voldaan aan de lasten van het dwangsombesluit en dat het maximum aan dwangsommen is verbeurd.

Ten aanzien van de eerste last (het naleven van vergunningvoorschrift G2, onder sub f) overweegt de rechtbank – gezien het hiervoor overwogene – dat eiseres, nu de rechtbank deze last herroept, geen dwangsommen ter zake van deze last heeft verbeurd. Het beroep van eiseres is op dit onderdeel van het besluit gegrond. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien en herroept het besluit van 1 november 2011voor zover dit besluit ziet op de invordering van de eerste last en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Met betrekking tot de tweede last (het naleven van vergunningvoorschrift G2, sub a, c en d) heeft eiseres aangevoerd dat de opslag op het terrein niet meer overeenkomstig de last van de dwangsom hoeft plaats te vinden, maar conform de tekening, zoals door de brandweer is goedgekeurd op 27 januari 2011, en de bevestiging van deze afspraak in een e-mailbericht van 28 januari 2011.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het toetsingskader de vergunning van 14 november 2006 is. Alleen een formele verandering van deze vergunning kan volgens verweerder hierin een wijziging aanbrengen. Verweerder is voorts van mening dat de medewerkers van verweerders provincie die de betreffende afspraken met eiseres heeft gemaakt hiertoe niet gemachtigd waren volgens het Mandaatbesluit 2006.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt. De rechtbank is gebleken – en door verweerder wordt dit ook niet ontkend – dat eiseres naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom en het daarop door eiseres ingediende verzoek om voorlopige voorziening, in overleg is getreden met medewerkers van verweerders provincie, die zich bezighouden met het uitvoeren van handhaving op het gebied van milieu en handhaving en dat ook de brandweer daadwerkelijk daarbij is betrokken. Naar aanleiding van deze gesprekken is de tweede last aangepast, in die zin dat er een versoepeling heeft plaatsgevonden terzake van de vergunningvoorschriften. Immers, de opslag van materialen diende thans te voldoen aan de door de brandweer goedgekeurde tekening. De rechtbank is van oordeel dat eiseres uit deze afspraken mede gezien de zijdens verweerder op schrift bevestigende afspraak gemaakt naar aanleiding van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening enig vertrouwen kon ontlenen. Weliswaar waren deze mededelingen, zoals verweerder stelt, niet gedaan door het bevoegde orgaan, maar in de ververmelde omstandigheden waren die wel tot op zekere hoogte aan verweerder toe te rekenen. Bij de invordering had verweerder deze afspraken dan ook moeten meenemen.

Gebleken is voorts dat tijdens de uitgevoerde controles alleen getoetst is aan de vergunningvoorschriften van de veranderingsvergunning van 14 november 2006. Verweerder heeft vervolgens – zonder acht te slaan op de gemaakte afspraken – vastgesteld dat de tweede last is overtreden en dat het maximum aan dwangsommen is verbeurd.

De rechtbank is van oordeel dat de invorderingsbeschikking in zoverre is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel, nu verweerder zonder tekst en uitleg in afwijking van de gemaakte afspraken zijn besluit heeft genomen. Het in het verweerschrift vervatte standpunt dat de medewerker van wie het e-mailbericht afkomstig was hiertoe niet gemachtigd was, is daarvoor onvoldoende. Verder is de rechtbank van oordeel – gelet op de controlerapporten, die ten grondslag hebben gelegen aan de besluitvorming – dat nu alleen getoetst is aan de vergunningvoorschriften het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is ten aanzien van dit onderdeel gegrond.

De bestreden invorderingsbeschikking komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten dan wel om op grond van artikel 8:74, vierde lid, sub c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Op grond van de aanwezige controlerapporten zou in principe nog onderzocht kunnen worden of eiseres overeenkomstig de afspraken en de goedgekeurde tekening van de brandweer heeft gehandeld. Theoretisch is het dus goed mogelijk om het gebrek te herstellen. De resultaten van zo’n onderzoek noodzaken echter tot een belangenafweging en daartoe is de rechtbank niet geroepen. Bovendien zal verweerder bij een nieuw te nemen beslissing op bezwaar nader gemotiveerd moeten ingaan op het betoog van eiseres dat er sprake is van een duurovertreding en niet van afzonderlijke overtredingen.

De rechtbank ziet ook geen grond om toepassing aan artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb (bestuurlijke lus) te geven. Aan het herstel van de gebreken zal een onderzoek aan vooraf dienen te gaan dat qua tijdsverloop het kader van een bestuurlijke lus te buiten gaat.

Nu de rechtbank het beroep in beide zaken (gedeeltelijk) gegrond zal verklaren, dient het griffierecht in beide zaken te worden vergoed.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.311,00 (2 punten voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 437,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

In het beroep met zaaknummer AWB 11/864:

-verklaart het beroep gegrond wat betreft de eerste last onder dwangsom en vernietigt het bestreden besluit op dit onderdeel;

-herroept het besluit van 9 november 2009, voor zover dit besluit ziet op de eerste last onder dwangsom en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-verklaart het beroep ongegrond wat betreft de tweede last onder dwangsom.

In het beroep met zaaknummer AWB 12/277:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;

-herroept het besluit van 1 november 2011 voor zover het de invordering van de eerste last onder dwangsom betreft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

In beide beroepen:

-gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 604,00 (2 x € 302,00);

-veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op € 1.311,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.N.F. Sleddens, voorzitter, en mr. Th. M. Schelfhout en mr. R.J.G.H. Seerden, leden, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2012.

w.g. D. Laeven w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 juni 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.